Familieverhalen | Een ode aan mijn ouders (2 en 3)

Maudy Angenent-van Raemdonck heeft in drie afleveringen haar familieverhaal verteld. Zij heeft het geschreven als een ode aan haar ouders. Het verhaal is al eerder op papier gepubliceerd en IndischHistorisch.nl mag deze digitale heruitgave verzorgen voor Maudy Angenent-van Raemdonck. Wij zijn haar zeer erkentelijk voor deze aanvulling op de Indische familiegeschiedenissen. Het driedelige verhaal verschijnt op www.indischhistorisch.nl in twee delen.

Het verhaal over mijn ouders Ben en Tine van Raemdonck-Dumas (2 en 3) Een ode aan Indische ouders van toen

Maudy Angenent – Raemdonck

Mijn vader werd diverse malen afgekeurd voor een vaste baan wegens het bloed dat door zijn aderen stroomde. Hij had in het Jappenkamp malaria en andere tropische kampziekten geleden, maar de huisartsen wisten het verband tussen deze ziekten en de andere samenstelling van het bloed nog niet. Eindeloze onderzoeken volgden. Toen de dokters de conclusie hadden getrokken dat, met uitzondering van de gevolgen van malaria, zijn bloed goed was, kon hij aan het werk,. Dat betekende onder aan de ladder beginnen, als manusje van alles bij de Gemeente Groningen. Tijdens zijn loopbaan heeft mijn vader echter kansen gekregen en benut. Zijn werkzaam leven eindigde op 1 november 1975 toen hij met eervol ontslag als adjunct-commies bij de Gemeentelijke Sociale Dienst Groningen wegging. Mijn vader kreeg zelfs nog een penning, de Koninklijke Onderscheiding en Eremedaille verbonden aan de Orde van Oranje Nassau in Zilver. Dit bewijs van eer hebben we echter na zijn overlijden moeten terugzenden. Maar zo waren de regels nu eenmaal.

Ben en Tine van Raemdonck -Dumas, Groningen 1954

Ben en Tine van Raemdonck -Dumas, Groningen 1954

Na de aankomst in het hoge Noorden moesten we het leven weer oppakken, ook al moesten we erg wennen aan de nieuwe, vreemde omstandigheden. We gingen weer naar school, konden goed meekomen. De moeite van het vermelden waar is het dat op de MULO in Leek de onderwijzers Drents spraken en daarbij ook nog een sigaret in de mond hielden! Op een dag toen we les van het hoofd der school hadden, kwam de man met een potlood en een stuk papier naar mij toe en vroeg of ik wist wat dat was. Ik dacht dat hij een grapje maakte en altijd in voor een grapje, grapte ik mee: “Nee, dat ken ik niet.” Vervolgens ontstond de volgende dialoog: Leraar: “Dat dacht ik al, maar vertel eens, hoe woonden jullie bruintjes daarginds?” Ik (“in welke klas zit ik?”): “O, wij woonden in hutjes in de bomen en sprongen van tak naar tak, terwijl de tijgers onder ons door liepen”. De ogen van de klasgenoten worden steeds ronder.. Leraar: “Maar hoe heb je leren schrijven?” Vandaar dat potlood en dat papier… Ik: “Gewoon, we schreven met onze tenen in het zand!” (ik zag het gewoon voor me). “Maar mag ik u even vragen in welke klas ik nu eigenlijk zit?” De man heeft hier geen antwoord op gegeven en is gewoon tot de orde van de dag overgegaan en ik vraag me nu nog steeds af, of de medeleerlingen van de tweede klas MULO destijds gedacht hadden, dat ik echt met mijn tenen in het zand heb leren schrijven. In Groningen werd ik een klas teruggezet, maar kon het jaar daarop de derde en vierde klas in één jaar af doen en slaagde, al was het met de bekende hakken over de sloot. 1943 staat er op mijn papiertje. Acclimatiseren in beide vormen van wennen was moeilijk. De mensen hier kijken enkel vrolijk als de zon schijnt en ze de warmte voelen; het werd ons kwalijk genomen dat we eerder een huis kregen, dan zij, die al jaren lang op de wachtlijst stonden. Onze uitleg dat wij huis, have en goed hebben moeten achterlaten, bleek geenszins te leiden tot enig begrip. Afgunst sprak uit de ogen, ook wel begrijpelijk, maar wat moesten we dan? Scheldpartijen volgden, onze kleur stond hen niet aan, konden we ons maar als een kameleon veranderen, misschien zou dat het buiten zijn vergemakkelijken.

Zoals alle geslaagden moest ook ik op zoek naar een baan. Doorleren was er niet bij want ik was de oudste van de vijf en moest aan het werk om de financiële lasten van het gezin te helpen verlichten. Mijn eerste baan was bij het Bakkersbedrijf voor het Bakkerswezen, destijds nog gevestigd in het oude gebouw De Faun. Drie maanden heb ik het er volgehouden. De regel hier was dat je eerst drie maanden enveloppen stempelde, dan drie maanden voorgetelde loonlijsten moest natellen en pas als de zes maanden om waren, voor ander werk in aanmerking kon komen, naar gelang je ambitie. In drie maanden heb ik leren stempelen en natellen en werd me te kennen gegeven dat ik al voorrang op de anderen had en moest wachten, maar dat was niet wat ik ambieerde. Ik heb toen weer gesolliciteerd en kwam terecht bij de Amsterdamsche Bank N.V., toen nog gevestigd aan de Vismarkt 2, als eerste (binnen-) medewerkster van dochterfiliaal Mahuko NV. De verhuizing naar de Grote Markt viel in die tijd.

Mijn echtgenoot Max Angenent als dienstplichtige, eind jaren vijftig:"Ik sta op wacht en denk aan jou".

Mijn echtgenoot Max Angenent als dienstplichtige, eind jaren vijftig:”Ik sta op wacht en denk aan jou”.

In december 1960 trouwden Max en ik. Beiden werkten wij bij toen bij de Amsterdamsche Bank aan de Grote Markt. We maakten plannen om eerst met vakantie te gaan, alvorens aan kinderen te denken. Maar al gauw kreeg ik de bevestiging van de dokter dat er een kindje op komst was! Wij bewoonden in de binnenstad een hoge, grote kamer in een oud herenhuis aan de Haddingedwarsstraat. Het slaapgedeelte werd van het woongedeelte gescheiden door een groot gordijn van plafond tot op de grond. Rond die tijd werkte Max bij de Rijkspolitie en werd overgeplaatst naar Bedum. Wij kregen er een huis, een echt huis voor ons alleen! Onze andere twee kinderen werden hier geboren. In Bedum waren we familie Doorsnee. Iedereen kende ons, maar wij kenden toen nog niet iedereen. Ons huis was altijd vol kindergelach en iedereen wist ons te vinden. Onze kinderen hadden geen last van acclimatiseren en assimileren, maar nog wel van scheldpartijen vanwege hun huidskleur.

De kinderen Hans, Anne-Marie en Arthur, medio jaren zestig

De kinderen Hans, Anne-Marie en Arthur, medio jaren zestig

Toen verhuisden we weer naar Groningen, makkelijker voor het schoolbereik van de kinderen en mijn Max werd overgeplaatst naar de Verkeersgroep van de Rijkspolitie te Groningen. Het leven ging gestaag verder. De kinderen gingen de deur uit, en twee ervan zelfs helemaal het land uit. Omdat we gebruik konden maken van VUT-regelingen hoefden we niet tot ons 65e door te werken. Beiden zijn wij er vervroegd uit gegaan, de achteruitgang in inkomen namen we op de koop toe. Aan de andere kant werd de huur van ons huis alleen maar hoger. We besloten uit te kijken naar een andere, goedkopere woning. Die hebben we gevonden en daarom wonen we inmiddels in een klein dorpje, op de grens tussen Groningen en Friesland. De natuur, in al haar facetten, herfstkleuren en geuren, volop om ons heen. Letterlijk acclimatiseren komt ieder jaar weer terug! Het was in september 1998 vijfenveertig jaar geleden dat we onze eerste stap in Nederland zetten. Het Nederland van waar in de tussentijd zoveel andere nieuwkomers zijn bijgekomen, die de nodige problemen met zich meebrengen en die moeten worden opgelost. Er is een groot verschil tussen deze nieuwe groepen en wij destijds als Indo’s . De tegenwoordige nieuwkomers laten wél van zich horen; ze zijn mondig en worden goed vertegenwoordigd. Zij kunnen daardoor meer voor elkaar krijgen dan dat “bruine volk” dat in de jaren vijftig vanwege haar Nederlandse nationaliteit haar thuis en moederland heeft moeten verlaten, en zich naar het vaderland moest begeven. Tóch trek ik de conclusie dat we het toen beter hadden, vergeleken met de mensen die hun landen moeten ontvluchten. Ik zie dan de televisiebeelden met vluchtelingen in tentenkampen en het oorlogsgeweld dat hen uit hun land verjaagt. Onze eigen geschiedenis is daarmee niet te vergelijken. We hebben wel één ding gemeen: ondanks gebrek aan mensenrechten, de dwang te assimileren, acclimatiseren, Nederlands moeten leren, is ons moederland Nederlands-Indië en later Indonesië nooit ophouden te bestaan!

Maudy van Raemdonck en haar zus Jane

Maudy van Raemdonck en haar zus Jane

Het verlangen – kepingin zal altijd een rol spelen, niet alleen voor ons, maar ook voor de Turken, Marokkanen, Joegoslaven, Polen en Albaniërs; kortom voor al die allochtonen, die een plekje in het vlakke, koude en toch ook weer warmhartige Nederland hun thuis gevonden hebben. Blijft dit in de toekomst? Wie zal het weten.

Thuis bij Pap en Mam aan tafel: het was er altijd feest! v.l.n.r.: Arthur, deel gezicht mevr. Berghuis, Maudy, Daan, Grietje, mijn moeder met Anne-Marie op schoot, mijn vader, mijn oma, oom Titi, Roy, dhr.Berghuis. Foto genomen door Max Angenent

Thuis bij Pap en Mam aan tafel: het was er altijd feest! v.l.n.r.: Arthur, deel gezicht mevr. Berghuis, Maudy, Daan, Grietje, mijn moeder met Anne-Marie op schoot, mijn vader, mijn oma, oom Titi, Roy, dhr.Berghuis. Foto genomen door Max Angenent


Diaserie: Het gezin waar Maudy Angenent -van Raemdonck deel uitmaakte in hun nieuwe omgeving in het noorden van Nederland: Drente en Groningen. Klik op een foto om een eventueel bijschrift te lezen

©Maudy Angenent-van Raemdonck

Het andere artikel in dez tweedelige publicatie:
Het verhaal over mijn ouders Ben en Tine van Raemdonck-Dumas.  Ode aan mijn ouders (1).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.