Repatriëring | Repatriëren als verstekeling. Deel 5 Max Ferdinandus: Het levensverhaal van een verstekeling uit Indonesië (3)

Woord vooraf

Humphrey de la Croix

In 2008 organiseerde Max Ferdinandus de eerste reünie van voormalige verstekelingen die in 1958 vanuit Indonesië naar Nederland repatrieerden. De commotie in dat jaar die de uitzetting van deze verstekelingen teweeg bracht in politiek Den Haag en onder de Nederlandse bevolking, was intussen een vergeten en onderbelicht hoofdstuk uit de Nederlandse geschiedenis geworden. Een parallel met het heden dringt zich op wanneer er weer landelijke aandacht is voor vreemdelingen die het land uit moeten, ook al zijn er kinderen in het geding en zijn de betrokkenen gewoon volledig ingeburgerde nieuwe Nederlanders geworden. Een wezenlijk verschil in 1958 (en dat geldt ook voor de andere Indische verstekelingen ie eerder in de jaren vijftig kwamen) is dat een deel van de Indische en Molukse verstekelingen op basis van hun juridische status de Nederlandse nationaliteit had. Van de Indo’s die na de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 hadden gekozen voor de Indonesische nationaliteit (warga negara), maar later deze optie betreurden en spijtoptanten waren geworden, kon het grootste deel opnieuw de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. De situatie in Indonesië was door Soekarno’s hetze tegen de voormalige kolonisator en hun paladijnen de Indo’s dusdanig onaangenaam zo niet gevaarlijk geworden dat het alsnog repatriëren de enige “keus” leek. Na veel getreuzel en terughoudendheid wad Nederland er toch toe overgegaan de spijtoptanten een uitweg te bieden. Echter, een aanzienlijk aantal van hen is er niet in geslaagd een visum naar Nederland te krijgen. Niet zelden op grond van drogredenen of andere twijfelachtige argumenten. Een veel gehoorde reden was dat de betrokken persoon of familie niet echt Nederlands was, maar “Oosters geörienteerd”. Een andere manier van zeggen dat je niet Westers/Nederlands (genoeg) was en je “dáár” in Indonesië thuis hoorde en niet in Holland. Max Ferdinandus en zijn vier broers hoorden tot de verstekelingen die in 1958 de oversteek waagden. Dat jaar 1958 vormde met 139 verstekelingen een “topjaar”. Max Ferdinandus is een van de weinige ex-verstekelingen die zijn verhaal heeft opgeschreven. In deel 1 heeft Max Ferdinandus verteld over zijn leven in Indonesië tot 1958. Dan besluit hij naar Nederland te gaan omdat een goede toekomst in zijn geboorteland niet meer mogelijk lijkt.

Lees ook het verslag over de reünie na 50 jaar van de groep verstekelingen die in mei 1958 met de Johan van Oldenbarnevelt in Nederland aankwam en naar opvangkamp de Kruisberg in Doetinchem moest. De reünie vond plaats op 11 mei 2008 in Poortugaal.

Het levensverhaal van een verstekeling uit Indonesië (3)

Max Ferdinandus

 

Leven in het Huis van Bewaring ‘De Kruisberg’ in Doetinchem
De Kruisberg in Doetinchem was voorheen een strafkamp voor Joodse mensen tijdens de Duitse bezetting, compleet met getraliede cellen. Onze opgewonden blijdschap keerde om in verdriet. Wat ik niet wist was, dat een andere jongere broer Rob met nog tientallen andere verstekelingen intussen op onze komst voorbereid waren en de opdracht hadden gekregen, de cellen wat te fatsoeneren en de strobedden op te kloppen. In mijn geval vanwege het weerzien dus blijdschap en treurnis door elkaar. Ons burgerkloffie moesten wij direct inruilen voor een Huis van Bewaring “uitzet”, tot aan je ondergoed toe. In marsorde werden wij in groepjes van 13 naar onze cellen geleid. Douchen mocht je slechts één maal per week kregen wij van opperwachtmeester G. Weideman te horen. Dit vermoedden wij min of meer al want van de Nederlandse militairen die in Indonesië gestationeerd waren tijdens de Bersiapperiode, en die wij belanda képét ofwel ongewassen Hollander noemden, begrepen we dat het voor hen heel normaal was dat je je maar één keer in de week waste. Een toiletrol voor in de wc was voor ons ook vreemd omdat we dat niet kenden. In Indonesië namen wij immers een fles met water, de botol tjebok, mee naar het toilet en daarna waste je jezelf na in de badkamer. Hygiëne op zijn Indisch dus. Uiteindelijk hoorden we alle Huis van Bewaring huisregels maar gelaten aan en probeerden er het beste van te maken.

We werden dus in groepen van 13 ingedeeld, van wie er één als groepsleider moest fungeren. Ik had het “geluk” zo’n groepsleider te zijn want die had alleen maar tot taak wat toezicht te houden op de groep. Het “privilege” van zo’n groepsleider was verder dat je niet aan het werk werd gezet om bijvoorbeeld de hele werkdag wasknijpers of fietszadels in elkaar te zetten. Wat het eten betreft kon dat als ontbijt en middageten niet anders zijn dan op zijn Hollands boterhammen met beleg. Voor ons heel raar want in Indonesië ontbijt je met warm eten. We hadden met elkaar afgesproken dat we het klontje boter voor op brood apart zouden leggen om later in de avonduren te gebruiken als brandstof voor onze lampoe templek of schemerlamp. Daarmee konden we het ritueel uitvoeren om onze djlangkoeng of geest op te roepen die we voorspellingen over ons lot wilden ontlokken. Dit ritueel hadden we geleerd van onze medeverstekeling Rob de Bos. Voor ons “diner” kregen wij paardenvlees voorgeschoteld, “woeah eng zeg” en griezelig vonden wij allemaal. In onze beleving was een paard een edel dier en hoewel wij uit Indonesië kwamen, waren we toch geen wilden of zelfs kannibalen, nee toch?! Door ons protest werd dit soort vlees dan ook later van het menu geschrapt. Dank zij onze eigen jongens die in de keuken tewerk werden gesteld, kregen wij daarna redelijk tot goed eten. Zoals gezegd, hadden wij onze smeerboter bewaard als brandstof voor onze lichtvoorziening. Als het ‘avonds 10 uur was geweest en wij geacht werden om onze koffer in te duiken en de zaaldeuren door de marechaussee dichtgedraaid werden, kropen wij van onze strobedden af naar een donker hoek van de slaapzaal. Daar staken we onze lampoe templek aan en droegen twee man op om een door ons aangeklede prullenbak, met twee handpalmen te dragen. Aan de “pop” werd een ballpoint gevestigd en ervoor een schrijfblok geplaatst die door een van ons werd opgehouden.

De Kruisberg Doetinchem medio 1958. Groepsfoto van alle verstekelingen samen met personeel  Bron: Moluks Historisch Museum

De Kruisberg Doetinchem medio 1958. Groepsfoto van alle verstekelingen samen met personeel
Bron: Moluks Historisch Museum

On-Nederlandse rituelen
Onze aangewezen “opperman” riep dan een geest op. In de Kruisberg, zo hadden wij ingeschat moesten vele Joodse slachtoffers als geest ronddolen. En binnen niet al te lange tijd stapte er inderdaad een geest in onze pop en zowaar, velen kunnen dit getuigen, schreef de pop zijn antwoorden op de door ons gestelde vragen in het schrijfblok. De onzekerheid over ons lote bleef een kwelling. Zo vroegen wij onze geest wie en wanneer de volgende groep zou zijn die De Kruisberg mocht verlaten, want intussen waren wij namelijk een voor een door een stel ambtenaren gescreend, waarna steeds een groep van 13 man werd ontslagen. Gemmeter (trillend van opwinding) hoorden wij “onze“ geest tijdens de “seances” aan. En geloof me, “onze” geest had altijd gelijk, de namen die onze geest nooit kon verzinnen, van de verstekelingen die op het schrijfblok te lezen waren, kwamen echt na een dag of wat zowaar vrij. Het bleek dat minister van Justitie opdracht had gegeven aan de districtspolitie om ons aan een gedegen verhoor te onderwerpen. Naar aanleiding van de informatie die naar voren kwam, volgde een advies om al dan niet toewijzing van verblijf in Nederland te verlenen. Dus waren wij heel erg benieuwd wie van ons de volgende gelukkigen zouden worden. Helaas mochten deze seances niet lang mogen duren, omdat opperwachtmeester Weideman, die ons tijdens zo’n ritueel “snapte”, het ons ogenblikkelijk verbood daarmee door te gaan. Onze lampoe templek’s werden vernietigd en de prullenbak moest weer voor zijn oorspronkelijke doel dienen. We voelden ons op dat moment doodongelukkig omdat iets was afgepakt waarop we veel van onze hoop op betere tijden hadden gevestigd. Wadoeh zeg, hopeloos deze; wij kunnen onze geest niet meer raadplegen. Verward en bingoeng (radeloos) elkaar aankijken was het enige wat we toen nog konden. En opperwachtmeester Weideman bleef ons stoïcijns aankijken en reageerde onaangedaan op onze in het Indonesisch geuite scheldpartijen. Wij konden toen niet anders dan het verbod gelaten accepteren.

Dagelijks leven: werken
Voor de arbeid in het kamp, kregen wij wekelijks geld uitbetaald waarmee wij dan in onze kampwinkel sigaretten en wat versnaperingen konden kopen. Ikzelf verdiende wat extra’s, door tegen betaling voor mede-verstekelingen die niet goed de Nederlandse taal beheersten “love letters” te schrijven. Lekker verdiend toch!? Tegen elkaar zeiden wij, vanaf nu moeten wij alleen nog maar “Hollands” praten ja, anders je wordt niet geaccepteerd door de Nederlandse gemeenschap loh! Dus wat “bijlessen” in de Nederlandse taal tegen betaling van strootjes sigaretten leverden ook wat extra op. Eigenlijk waren we achteraf gezien ale bezig met inburgeren terwijl het niet zeker was dat we in Nederland mochten blijven. Dat we met het werken een dagbesteding hadden, maakte het verblijf in De Kruisberg draaglijker. Al moet gezegd worden dat de stemming in het algemeen best goed was. De welwillende houding van het politiepersoneel heeft daar ook aan bijgedragen. Ze beschouwden ons in ieder geval niet als criminelen.

Ontspanning
Tussen ons verstekelingen was toen ook een Molukse vijftiger, George de Fretes geheten. Deze Molukse man was in die tijd over heel Indonesië en ook daarbuiten tot zelfs in Amerika toe, een bekend virtuoos op de steelgitaar. Via zijn familie en vrienden die hem in De Kruisberg opzochten, kreeg hij de beschikking over muziekinstrumenten die hij weer doorgaf aan medeverstekelingen. Deze formatie in het kamp zorgde toen voor wat muzikale ontspanning; ons gevoel van verlatenheid ebde weg en onze “detentie” werd wat draaglijker. Deze muzikale intermezzo’s maakten een dusdanig goede indruk dat onze gevangenisdirecteur wekelijks inwoners van Doetinchem uitnodigde om ook van het unieke gitaarspel van George de Fretes en zijn band te kunnen genieten. Voor ons was het ook een nieuwe gewaarwording omdat we eindelijk autochtonen van nabij zagen en meemaakten. De bevolking was eerst nieuwsgierig en moest even wennen, maar toonde zich al gauw welwillend en stopte ons eten en lekkernijen toe.

Na De Kruisberg: gezinshereniging en een nieuw begin
Na een maand of vier dat ik in het kamp gezeten had, kreeg ik te horen dat ik eindelijk aan de beurt was om vrijgelaten te worden. Via bemiddeling van het Centraal Comité van Kerkelijk en Particulier Initiatief (CCKP) kreeg ik onderdak in het Jeugdopvangcentrum “De Haven” in Wassenaar, daar waar de vrijgelaten verstekelingen voor dat ze doorgestuurd werden naar hun uiteindelijke bestemming ook in ondergebracht werden. Daar was ook een vrouwelijke verstekeling ondergebracht, toevallig ook uit Soerabaja overgekomen. Na twee weken in De Haven te hebben gezeten, werd ik, nadat het CCKP mij van kleding had voorzien, die kon worden betaald dankzij giften en donaties van particulieren, eindelijk met mijn gezin herenigd, dat in een contractpension in Apeldoorn was ondergebracht. De meeste Indische gerepatrieerden, waar ik na mijn vrijlating uit de “Kruisberg” ook toe behoorde, hadden toen noch huisvesting, noch inkomsten. Wij vielen dan ook onder verantwoordelijkheid van de Coördinatie Commissie Gerepatrieerden (CCG). Deze hield zich vooral bezig met de materiële zorg, terwijl de geestelijke en maatschappelijke verzorging was toevertrouwd aan het in 1950 opgerichte CCKP. Dit orgaan bepaalde aan, de hand van de door ons ingevulde formulieren in welke plaats je het beste kon wonen om snel aan werk te kunnen komen. Vanwege mijn nautische ervaring konden al snel worden bepaald dat mijn gezin en ik naar Rotterdam moesten. De verhuizing vanuit Apeldoorn naar was vervolgens snel geregeld. In Rotterdam werden wij ondergebracht in contractpension Maashotel op het Noordereiland, dicht bij de havens en ook dicht bij het centrum van de stad. Mijn drie broers Robert, Charles en Lodewijk moesten intussen in het kamp nog op hun beurt wachten samen met nog 34 andere verstekelingen.

Terugzending van 37 verstekelingen
Het was inmiddels september en angstvallig donker en koud, toen diep in de nacht marechaussees met getrokken pistolen en honden de 37 verstekelingen bij elkaar dreven en in vrachtwagens en hen vervoerden naar de haven van Amsterdam. Daar moesten ze weer aan boord van de Johan van Oldenbarnevelt, die toen op het punt stond weer te vertrekken naar Indonesië om overige repatrianten op te halen. Een lager gelegen achterdek was afgezet voor de niet toegelaten verstekelingen. Boven de reling was gaas gespannen, zodat geen van hen het zou proberen om overboord te springen en uitzetting ontdoken. Twintig politiemannen in burger gingen mee als begeleider. Voor iedere twee verstekelingen één agent, die ervoor moesten zorgen dat de 37 “illegalen” zich koest zouden houden. De passagiers op de hogere dekken dienden niets te merken van het bijzondere transport. De intentie was om deze 37 jongens, waaronder dus mijn drie broers, weer naar Indonesië te vervoeren en aan de Indonesische autoriteiten uit te leveren. Het spreekt voor zich welke risico’s zij dan gingen lopen. Wrang was dat op dat moment en op diezelfde reis de 100.000e Nederlandse emigrant naar Australië op feestelijke wijze uitgeleide werd gedaan. Ondanks alle geheimzinnigheid, lekte het nieuws van de uitzetting van de verstekelingen snel uit. Enkele verstekelingen hadden tijdens die hectische nachtelijke uren vóór vertrek vanuit de Kruisberg brieven met noodkreten naar familieleden. Deze noodkreten mochten hun echter niet baten.

Charles, een van de vijf broers Ferdinandus die als verstekeling naar Nederland waren vertrokken

Charles, een van de vijf broers Ferdinandus die als verstekeling naar Nederland waren vertrokken

Landelijke commotie
Op 29 september 1958 voer de Johan van Oldenbarnevelt de haven van Amsterdam uit. Een dag later verscheen het bericht in de Haagsche Courant. Zowel in de Molukse als Nederlandse gemeenschap barstte een storm van protest los. De Badan Persatoean Republiek Maluku Selaten (BPRMS), de stichting Door De Eeuwen Trouw en spontaan opgerichte actiecomités bestookten de verantwoordelijke bewindslieden met telegrammen. Kerken toonden solidariteit en stuurden telegrammen naar de Wereldraad van Kerken te Genève. J.H. Ritzema Bos, bestuurslid van Door De Eeuwen Trouw, maakte de zaak aanhangig bij de Vereniging voor de Rechten van de Mens in Parijs. Op 9 oktober 1958 werd een protestmars in Den Haag georganiseerd. Aan minister Samkalden van Justitie werd een petitie overhandigd met het verzoek zijn besluit terug te draaien. Auto’s met het cijfer 37 op de ruit geplakt reden af en aan, kris kras door het hele land. Er ontspon zich een discussie over de vraag of alle individuele gevallen wel eerlijk waren beoordeeld. Voorman Johan Manusama van de Republiek Maluku Selatan (RMS) spande vervolgens op 3 november 1958 een kort geding aan tegen de Staat der Nederlanden. Dank zij ook de vele protesten van burgers in het land en de berichten in de kranten over de heimelijke en onmenswaardige maatregelen van de regering onder aanvoering van minister Samkalden, werd het schip waarop zij zaten in opdracht van de president van de Haagse rechtbank bevolen, koers te verleggen naar Merauke aan de zuidkust van Nieuw-Guinea, het land van de Papoea’s en het enig overgebleven Nederlands gebied in de Gordel van Smaragd. Mr. A.G.Maris eiste opheffing van de politiebewaking aan boord van de Johan van Oldenbarnevelt en terugzending naar Nederland. Volgens Mr. Maris waren de internering en het gedwongen vertrek, een inbreuk op artikel 24 van het Uniestatuut, waarin stond, dat Indonesiërs in burgerrechten waren gelijkgesteld met Nederlanders. De uitkomst van het kort geding werd direct getelegrafeerd naar de Johan van Oldenbarnevelt, die inmiddels in de haven van Sydney lag. De kapitein deelde de verstekelingen het nieuws persoonlijk mee en bood ze een feestelijk diner aan.

Buitenlandse steun aan de verstekelingen
De kwestie van de verstekelingen kreeg ook aandacht in het buitenland. In de Australische media was er veel aandacht voor de kwestie, ook omdat de 100.000ste Nederlandse emigrant werd verwelkomd. Ondertussen had een ander land zich bereid getoond de verstekelingen de helpende hand te bieden: Zweden. Op initiatief van de Nederlandse advocate mr.L.M.I.L.van Taalingen-Dols had een hulporganisatie met enkele prominente Zweden daarover contact gehad met hun regering. In het plan was opgenomen, dat de verstekelingen zelf een nieuw land mochten uitzoeken, indien hun asielaanvraag zou worden afgewezen. De Nederlandse advocate had daarvoor contact gehad met minister-president Drees. Die had volgens haar gezegd, dat het ieder land vrij stond om de 37 verstekelingen op te nemen. Op advies van de Molukse leider ir. Manusama gingen de verstekelingen akkoord met de optie om naar Nieuw-Guinea te gaan. Maar na aankomst in Merauke wachtte hun echter wederom een verrassing. De laatselijke bevolking, waaronder nota bene vele Indische gezinnen, accepteerden de komst van de verstekelingen niet. Dezen moesten toen echt voor hun bestaansrecht vechten. De Dienst Economische en Technische Aangelegenheden (DETA) had namelijk als lastig beschouwde opgeschoten Indische jongemannen op contractbasis had aangesteld om in Nieuw-Guinea te werken. Het felle protest tegen de komst van de verstekelingen kwam juist vanuit deze hoek. De grote onderlinge solidariteit en loyaliteit van de verstekelingen had hen echter tot een hechte eenheid gesmeed. Gezamenlijk vormen zij een sterke groep die elkaars lief en leed wisten te dragen. Tot vandaag beschouwen deze verstekelingen zich als familie van elkaar. De gespannen sfeer was beduidend geluwd nadat mijn broer Rob ging trouwen met een Indisch meisje dat met haar ouders uit Indonesië naar Nieuw-Guinea waren geëmigreerd. Heel toevallig kwam ze ook uit de zelfde stad, Soerabaja dus, waar wij toen in Indonesië gewoond hadden. Nieuw-Guinea was toen nog Nederlands grondgebied. Feitelijk vertoefden de verstekelingen in die tijd dus nog steeds op Nederlands bodem. Die nieuwe schoonzuster Bea Bayer, had toen zij nog in Soerabaja woonde, met mijn broers Rob en Charles en mij op een zangkoor gezeten. Dat Matrozenkoor onder leiding van de heer Piet Bansberg een Oorlogsvrijwilliger (OVW) uit Holland, werd toen opgezet om gewonde en zieke Nederlandse militairen in de diverse ziekenhuizen in Indonesië op te vrolijken met Hollandse liedjes.

Overdenking: heeft Nederland in de verstekelingenkwestie schending van mensenrechten gepleegd?
De kwestie van de verstekelingen speelde zich weliswaar meer dan vijftig jaar geleden af, maar de afloop ervan is nog steeds niet bevredigend. Het is dan wel goed gekomen met mijzelf, mijn gezin en broers, maar een knagend gevoel van onbehagen is gebleven. Allereerst vind ik de terugzending naar Indonesië van 37 verstekelingen op 29 september 1958, een onnodige, inhumane en puur legalistische daad van de toenmalige Minister van Justitie Ivo Samkalden. Door de aandacht die de pers aan de kwestie had gegeven was de publieke opinie haaks komen te staan op het standpunt van de bewindsman. De Tweede Kamer uitte ook stevige kritiek en een heftig debat was het gevolg. Samkalden bleef op zijn strepen staan en was zelfs stellig van mening dat hij de asielwetgeving ruimhartig en humaan had toegepast. Minister-president Willem Drees en Minister van Maatschappelijk Werk Marga Klompé (veelgeroemd door gerepatrieerde Indo’s) waren echter vóór een directe terugzending van alle verstekelingen. Als het aan hen had gelegen had de Wereldomroep moeten uitzenden dat ze direct werden teruggestuurd. De ‘Johan van Oldenbarnevelt’ bevond zich toen in de Rode Zee. Drees was van mening dat de visumbeoordelingen in Indonesië moesten plaatsvinden. Een individuele beoordeling (in Nederland) naar mogelijke omstandigheden die konden meespelen, wilden zij niet. Minister Samkalden nam aanvankelijk een formeel standpunt in omdat het tot dan toe om kleine aantallen verstekelingen ging. Het standpunt “delinquenten en mensen zonder binding met Nederland” was makkelijk uitvoerbaar. De zaak werd anders toen bekend werd dat er op de ‘Johan van Oldenbarnevelt’ 69 verstekelingen meevoeren en nog eens verschillend samengesteld. 1958 bleek later het “topjaar” te zijn met 139 verstekelingen. Van de 67 waren er 22 Molukkers (13 minderjarig), 31 warga negara (Nederlanders die geopteerd hadden voor de nieuwe Indonesische nationaliteit, tien Nederlanders zonder paspoort, vier Indonesiërs, een statenloze en een Duitser. Van de groep hadden er zeven op het schip nog eens politiek asiel aangevraagd. Voor mijn eigen situatie sprekend was ik een Indo van wie bij de visumbeoordeling in Indonesië werd geoordeeld geen binding met Nederland te hebben. Ik had immers mijn geboortegrond nooit verlaten en zou, zoals het toen heette, geheel “oosters georiënteerd” zijn. Een andere omschrijving van te weinig of niet Nederlands genoeg zijn. En dat ondanks mijn Nederlandse taalbeheersing, Nederlandse manier van doen en denken, en mijn deels Europese oorsprong! Hoe was de stemming in Nederland? De voormalige kolonisator was nog maar pas bijgekomen van het verlies van Indonesië en zag zich geconfronteerd met de dreigende situatie rond Nieuw-Guinea. Indonesië, het vroegere Indië was nog levendig aanwezig in het collectief bewustzijn. Indische kwesties raakten nog gevoelige snaren bij de Nederlandse bevolking. En niet alleen bij het Indische deel. Door de politionele acties en de dienstplicht was namelijk een groter deel van de bevolking betrokken bij de Oost en was beter ermee bekend geraakt. Meer dan ooit ging de sympathie uit naar hen die Indonesië ontvlucht waren, desnoods dus als verstekeling. Hen terugsturen richting de “kwaaie Pier” Soekarno werd niet gezien als een terechte daad. Die verstekelingen waren toch niet voor niets met achterlating van alles hierheen gekomen? Ook een aantal verstekelingen vond dat ze door Soekarno als politieke tegenstanders waren beschouwd en daarom als vluchteling een beroep deden op Nederland hen asiel te geven. De regering was eigenlijk van plan de 69 verstekelingen van de Johan van Oldenbarnevelt nog in de Rode Zee over te laten zetten op het schip Puluh Laut, dat op weg naar Indonesië was. Onder druk van politici en de organisatie voor opvang en hulp aan gerepatrieerden CCKP, zag de regering af van een en bloc terugzending van hen die vóór 20 mei 1958 in Nederland waren aangekomen. De gevallen zouden in plaats daarvan individueel worden beoordeeld. Dat leidde tot de terugzending van 37 van de 69 verstekelingen, van wie ik er een was. Onder de teruggezonden personen bevond zich dus ook mijn broers Robby, Charles en Lodewijk. Ze konden weliswaar in 1962 alsnog naar Nederland komen, maar ik vind dat hun en de andere uitgezette ex-verstekelingen onrecht is aangedaan.

Slot
Ik weet natuurlijk niet of een juridische procedure met een beroep op de mensenrechten tot een succesvolle uitkomst leidt. De besluiten van het kabinet-Drees leidden in de Tweede Kamer tot een interpellatiedebat op 16 oktober 1958. De regering was namelijk op korte termijn ontboden door de oppositie; deze hoopte dat het kabinet zou inbinden nog voordat de 37 zouden worden teruggestuurd. Met name de VVD was niet akkoord met terugzending. Niet zozeer omdat het juridisch niet deugde, maar de vraag was of de regering zich wel bewust was van de gevolgen straks in Indonesië? Terugzending was onmenselijk en vooral VVD-Kamerleden Van Rijckevorsel en J.J.Th. Ten Broeke Hoogstra vroegen de regering om een humane benadering en intrekking van het besluit. Tevergeefs omdat de verstekelingen tóch werden teruggestuurd. Door deze onbuigzame houding van het kabinet zochten de tegenstanders steun bij landen Australië. Het was Zweden dat aanbood diplomatiek te bemiddelen met als doel dat er landen zouden worden gevonden die de verstekelingen wilden opnemen. Dezen dienden ook in de gelegenheid worden gesteld te gaan naar een land naar keuze. Achteraf gezien steekt de Nederlandse overheid schril af tegen dit Zweedse aanbod, dat te zien is als een anticiperen op de te verwachten nadelige gevolgen in Indonesië terwijl de Nederlandse regering juridisch een juist besluit had genomen. De behandeling door de Nederlandse overheid van verstekelingen uit Indonesië was voor de Nederlandse regering een heldere, juridische kwestie die kon worden afgedaan met toepassing van het toenmalige vreemdelingenrecht. De dilemma’s die daarbij ontstaan voor de overheid zijn heden ten dage nog steeds te zien in de werkzaamheden van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Regelmatig besteden de media aandacht aan asielzoekers die moeten worden teruggezonden, ook al is een tweede generatie tijdens hun wachttijd al geheel geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. De positie destijds van verstekelingen uit Indonesië, Indo en niet-Indo, verschilde in één belangrijk opzicht: we hebben tot de repatriëring of vlucht naar Nederland integraal deel uitgemaakt van het Koninkrijk. Ook al woonden we niet aan de Noordzee en ondanks dat velen nooit in Nederland waren geweest. De gerichtheid op de Nederlandse cultuur en wijze van doen en denken, maakte ons tot Nederlanders-‘Medelanders’. De formele, legalistische benadering van Nederland (de letter en niet de geest van de wet) zorgde voor een blinde vlek voor de humane kant ervan. In mijn eigen situatie was dat het feit van mijn schijn-echtscheiding, zodat mijn vrouw en kind naar Nederland konden gaan doordat hun Nederlandse nationaliteit hersteld was. Waren zij meer en ik minder Nederlands en op Nederland gericht? Ik denk stellig van niet! Ik ben er van overtuigd dat de verstekelingenkwestie tot een van de vele onderwerpen hoort in de recentelijk door drie vooraanstaande instituten voorgestelde grote geschiedschrijving over de afloop van de koloniale relatie met Indonesië en de daaruit voortkomende gevolgen voor de Indische Nederlanders.

4 thoughts on “Repatriëring | Repatriëren als verstekeling. Deel 5 Max Ferdinandus: Het levensverhaal van een verstekeling uit Indonesië (3)

  1. De situatie zoals omschreven heb ik als buitenstaander van zeer dichtbij meegemaakt, eerst op de kruisberg in Doetinchem, daarna zelfs in Nieuw Guinea.
    Aldaar heb ik tijdens mijn diensttijd met enkele van deze bijzondere mensen
    regelmatig contact gehad. Ik heb voor hen veel respect. Arie Groenewegen
    schreef me tijdens hun reis op de J.V.O. nog een brief met zijn zorgen. Hun problemen hebben me lang bezig gehouden.
    Martin.

    • De situatie zoals omschreven heb ik als buitenstaander van zeer dichtbij meegemaakt, eerst op de kruisberg in Doetinchem, daarna zelfs in Nieuw Guinea.
      Aldaar heb ik tijdens mijn diensttijd met enkele van deze bijzondere mensen
      regelmatig contact gehad. Ik heb voor hen veel respect. Arie Groenewegen
      schreef me tijdens hun reis op de J.V.O. nog een brief met zijn zorgen. Hun problemen hebben me lang bezig gehouden.
      Martin.

  2. Via deze weg vraag ik of er mensen zijn die mij in contact kunnen brengen
    met de verstekelingen / of hun familie die in de Kruisberg hebben vastgezeten.
    Mijn overleden vader Chris Reurhoff heeft hier namelijk ook gevangen gezeten.
    Ik zou daarom ook meer willen weten hierover, graag mailen naar bezorgingcobra@gmail.com als u enige info heeft of mensen kent die hier meer over kunnen vertellen.

    Alvast bedankt!

    Patrick

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.