Oorlog en Bersiap | Nederlands-Indië en de Eerste Wereldoorlog. Deel 2 De beweging ‘Indië Weerbaar’, het Comité ‘Indië Weerbaar’ en de rol van Indo-officier W.V. Rhemrev

Humphrey de la Croix

In het artikel ‘Jaren van onzekerheid en grote veranderingen’ heb ik aandacht besteed aan de gevolgen van de Grote Oorlog voor het neutrale Nederland en Indië. Die neutraliteit werd vaak geschonden door de oorlogvoerende landen. Geregeld vorderden de Britten Nederlandse schepen waardoor het personen- en vrachtverkeer stagneerde. Vooral dit laatste trof de koloniale handel omdat verschillende goederen onder de contrabande vielen die de Britten hadden ingesteld. Dat gold voor onder andere suiker, katoen, (grondstoffen voor) medicijnen als kina, aardolie en metalen. De Indische economie dreef voor een groot deel op deze exportproducten.

Het Europese conflict was een mondiale oorlog geworden. De bestuurders in Nederland en Indië beseften meteen hoe kwetsbaar hun in grootte derde koloniale imperium in de wereld, was. Ons land was een grote koloniale mogendheid zonder een daarbij horend groot en sterk defensieapparaat. Voortdurend heerste er onzekerheid over geopolitieke beslissingen die Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland én Japan zouden kunnen nemen in Zuidoost Azië. Nederlands-Indië had de omvang van Europa en had als archipel zeer lange kustlijnen. Met de toenmalige omvang van de marine en landstrijdkrachten viel de kolonie niet te verdedigen wanneer een van de vier grote landen een aanval zou inzetten. 1)

In Nederlands-Indië zélf leek het dagelijks leven in 1914 gewoon door te gaan. Tóch was er onder verschillende lagen van de samenleving een bezorgdheid over de veiligheid. Van een beginnende algehele onrust was echter weer geen sprake. Echter, door de stagnerende handel waren ook de Nederlandse en Nederlands-Indische economie geraakt. Die moesten op de lange termijn wel tot grote gevolgen leiden voor de werkgelegenheid en de begroting van de kolonie. Dát was de eerste zorg van bestuurders en bevolking. Nadat na honderd jaar de gehele archipel onder feitelijk Nederlands bestuur was gebracht, was er nu een gevoel van urgentie ontstaan om te gaan nadenken over de veiligheid van de kolonie vanwege gevaren, nu van buitenaf. 2)

De opkomst van het Indonesisch nationalisme
Een andere ontwikkeling die heeft bijgedragen aan het denken over de veiligheid van de kolonie was dat er sinds 1910 een heuse beweging was ontstaan onder Indonesiërs die we historisch gezien als ‘nationalistisch’ kunnen duiden. Indonesiërs die Europees hoogopgeleid waren zoals Abdul Moeis en Soewardi Soerjaningrat, Indo’s als Ernest Douwes Dekker en kritische Nederlanders als de socialist Henk Sneevliet spraken in toenemende mate over een toekomstige zelfstandige status van Indië. 3)

Sarekat_Islam_(SI)_in_Kaliwoengoe

Ledenvergadering van de politieke beweging Sarekat Islam. Locatie: Kaliwoengo nabij Semarang, Midden-Java.
Foto: collectie Tropenmuseum.

In de jaren 1910 tot 1920 was er van Nederlandse zijde zéker geen onwelwillendheid tegenover deze ontwikkeling. Politici, bestuurders en adviseurs als de ministers van Koloniën A.W.F. Idenburg en Th. B. Pleijte, gouverneur-generaal J.P van Limburg Stirum,  arabist C. Snouck Hurgronje en journalist C. Th. van Deventer hadden vooruitstrevende ideeën die toen bekend stonden als de ‘Ethische Politiek’.  Tegen 1900 was naar aanleiding van armoedeonderzoeken onder de inheemse en ook Indo-bevolking, een politiek bewustzijn ontstaan. De opvatting werd gangbaar dat een groei van welvaart en welzijn van de bevolking noodzakelijk waren voor een gezonde ontwikkeling van de kolonie. Met name uitbuiting door het Westerse bedrijfsleven en lokale inheemse bestuurders waren in een kritisch daglicht komen te staan. De verbetering van irrigatie voor een hogere landbouwproductie voor de eigen behoeften, toegang tot gezondheidszorg en onderwijs waren de speerpunten van de nieuwe sociaal-politieke koers. ‘Ethische’ Nederlanders spraken zelfs van een ereschuld van Nederland aan de inheemse bevolking. Een ongeremd liberaal economisch beleid dreigde ten koste te gaan van de bevolking. De ‘Ethische Politiek’ streefde niet naar de zelfstandigheid van de Indonesiërs maar ging uit van hun ‘associatie’ (samenwerking tussen alle bevolkingsgroepen onder Nederlandse regie) of op zijn minst aansluiting bij een Westers georiënteerde ontwikkelingsrichting van de archipel. Men sprak ook wel paternalistisch van het tot volwassenheid brengen van het kind de “inlander” onder leiding van Nederland als voogd. Voorop stond voor het moederland een vreedzame situatie bewaren en volledige sturing van dat proces richting volwassenheid. Daarin paste ook de “insluiting’ van de nationalistische beweging in de koloniale relatie. 4)

Gedachten over de kwetsbaarheid van de kolonie en haar bescherming
De leiders van de vroegste nationalistische organisaties Boedi Oetomo (‘Schone streven’, opgericht 1908) en de eerste massabeweging Sarekat Islam (1912) hadden niet alleen ideeën over de huidige en toekomstige rol van de inheemse bevolking richting een toekomstig staatbestel van Indië. Mogelijke gevaren van buitenaf waren geen notie die van de ene dag op de andere dat deed beseffen. Tekenen waren er genoeg sinds het einde van de negentiende eeuw. De koloniale grootmachten Groot-Brittannië, Engeland en Duitsland waren verwikkeld geraakt in een wapenwedloop. Nieuwkomer Japan had Rusland in 1905 verslagen en vernederd. De reikwijdte in militair en economisch opzicht van het ‘land van de rijzende zon’ was enorm vergroot. Het psychologisch effect op de Westerse naties dat een Aziatisch land een Westers had verslagen met superieure technologie en tactisch/strategisch overwicht, was groot. In Indië was vervolgens de Japanse aanwezigheid zichtbaar in de personen van Japanse immigranten die als kleine neringdoenden hun geld verdienden.

‘Indië weerbaar’
Vanaf het eind van de jaren 1880 was er het idee een Europese militie van dienstplichtigen te vormen. Tussen 1907 en 1914 ontstond de discussie over voors en tegens van een inheemse militie.
Onder pseudoniem Boeka publiceerde P.C.C. Hansen (1867-1930), een voormalig opzichter op een Javaanse koffieplantage, in 1909 in het tijdschrift ‘De Indische Gids’ het artikel ‘Indië Weerbaar’ over hoe Javanen een guerilla-oorlog zouden kunnen voeren tegen een Japanse inval en bezetting. Een argument vóór was dat inheemse militairen lichamelijk en qua kennis van en verbondenheid met de lokale omstandigheden beter dan Europeanen in staat zouden zijn zo’n strijd te voeren. 5)
De Nederlands-Indische autoriteiten reageerden slechts lauw op het idee. Majoor J. van der Weijden van de generale staf van het KNIL (en schoonzoon van de Atjeh-bedwinger J.B van Heutsz) pleitte vóór een Javaanse militie. Daardoor zou de samenwerking tussen de verschillend etnische groepen sterker worden en de basis vormen voor een gezamenlijk op te zetten militaire organisatie. De Indonesische volkeren zouden zich dan, mede door hun inbreng, sterk en beschermd voelen tegenover een buitenlandse indringer. Van der Weijden betoogde dat de Nederlanders er niet bang voor hoefden te zijn dat de inheemse bevolking bij een daadwerkelijke invasie de kant van de (kennelijk) Japanse aanvallers zou kiezen.  6)

De leiders van Boedi Oetomo en de Sarekat Islam waren geheel voorstanders van de vorming van een inheemse militie. Boedi Oetomo dat naast doelstellingen als beter onderwijs, gezondheidszorg ook een culturele versterking van de Javaanse identiteit nastreefde, zag een militie als een middel bij uitstek om de disciplinering en fysieke en geestelijke weerbaarheid van jonge Javanen te vergroten. De tradities die hoorden bij een verleden Javaanse grootheid en een verdwenen ‘ksatria’ of klasse van voortreffelijke strijders, dienden nieuw leven te worden ingeblazen. De vorming van een militie zou de emancipatie van de Javanen alleen maar goed doen. 7)

De discussie over een inheemse volksmilitie als opmaat naar politieke hervorming
Het Gouvernement stond aanvankelijk op hetzelfde standpunt als de regering in Den Haag en zag een weerbaarder Indië alleen in versterking van de vloot. Het verwierp daarom het voorstel een inheemse militie op te richten, maar het onderwerp werd ongewild weer actueel toen in 1914 de Grote Oorlog uitbrak. Het vraagstuk van de weerbaarheid van de kolonie had nu een nieuwe dimensie gekregen onder invloed van de opkomende nationalistische beweging. Mocht de inheemse bevolking een substantiële bijdrage leveren in de landsverdediging, dan zou daar wat tegenover moeten staan.  In het licht van de Ethische koers zou namelijk de nieuwe taak in een militie als een extra inspanning moeten worden gezien naast de al normale, zware dagtaak om voedsel te verbouwen en de traditionele, adatrechtelijke periodieke taken. De ministers Pleijte, de voormalige minister en inmiddels tot gouverneur-generaal benoemde A.W. F. Idenburg, zijn opvolger J.P. Limburg van Stirum geflankeerd door adviseurs als C. Snouck Hurgronje, G.A.J. Hazeu en D.A. Rinkes, gaven de opkomende nationalistische organisaties en leiders de gelegenheid hun ideeën naar buiten te brengen. 8)

Het resultaat was het idee van een vertegenwoordigend bestuurslichaam, de Volksraad. Dit was voorlopig niet meer dan een proto-parlement met een adviserende bevoegdheid. De helft van het totale aantal van 39 leden werd benoemd door de regering (de gouverneur-generaal) en de andere helft door de gewestelijke lokale raden. De Volksraad kreeg het recht van het recht van petitie, initiatief en amendement. Enkele leiders van de nationalistische beweging die zitting namen waren Dr. Tjipto Mangoenkoesoemo, H.O.S. Tjokroaminoto, Abdul Moeis, Dr. G.S.S.J.  Ratoelangi, M.H. Thamrin, Wiwoho, Soetardjo Kartohadikoesoemo, Dr. Radjiman, en Soekardjo Wirjopranoto. 9)

De Nederlands-Indische regering beoogde met de Volksraad een dominantie van de gematigde nationalisten te bewerkstelligen. Echter, de Europese en Indo-Europese leden stemden vaak tegen voorstellen van de Indonesiërs, die daardoor niet de overtuiging kregen dat de Volksraad echte zeggenschap in belangrijke zaken had. Er zou na 1918 juist een radicalisering van de inheemse beweging volgen door de komst van nieuwe, bij veel Indonesiërs aansprekende politieke organisaties. Deze zouden vooral hun invloed op de Indonesiërs buiten de Volksraad versterken. In de jaren twintig en begin dertig zou het Gouvernement de beweging de kop indrukken. Leiders als Soekarno werden verbannen naar regio’s ver weg van Java zoals Boven-Digoel en Sumatra. En uitingen over zelfstandigheid en onafhankelijkheid van de Indonesische volken liep het risico snel te worden gezien als ‘haatzaaiend’ en opruiend.

‘Wordt vervolgd’: ‘Indië weerbaar”
De discussie over de weerbaarheid van de kolonie werd weer opportuun na de publicatie van de brochure ‘Indië verloren rampspoed geboren’, een oneliner die vaak zou worden aangehaald tot aan de soevereiniteitsoverdracht in 1949. De auteur jonkheer C.G.S. Sandberg, een geoloog,  pleitte voor versterking van vloot én landstrijdkrachten om de archipel te kunnen verdedigen tegen mogelijke aanvallen van Japan of een andere mogendheid die belang stelde in de rijkdommen van de kolonie. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog versnelde de noodzaak de weerbaarheid van Indië te vergroten. 10)

De discussie over het uitbreiden van de marine tot een omvang die weliswaar kleiner bleef dan die van Japan, Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland maar genoeg zou afschrikken om deze landen op afstand te houden, bleef tot rond 1920 actueel. Omdat intussen de oorlog was afgelopen volgde het besluit niet over te gaan tot de uitbreiding met in die tijd ‘state of the art’ slagschepen, andere moderne typen oppervlakteschepen en onderzeeboten. Het aspect betaalbaarheid had steeds als een rode draad gelopen door deze vlootkwestie en was door het verdwijnen van een acute aanval op de kolonie, voor Nederland en het Gouvernement “vanzelf” opgelost. In 1941 werd met de afloop van de slag in de Javazee tragisch duidelijk dat er helemaal niets was opgelost.

De vraag blijft hangen of Nederland en Indië geluk hebben gehad dat de grote mogendheden de kolonie niet hebben aangevallen. Het is me niet bekend of die landen reële plannen hadden dat wél te doen. Een andere vraag is of het zo lang discussiëren in een oorlogsperiode machteloosheid was van Nederlandse kant om in de urgente politieke en militaire constellatie een besluit te nemen tot vlootuitbreiding en tot daadwerkelijke uitvoering over te gaan. De afloop van de oorlog was niet duidelijk waardoor de mogelijkheid dat de oorlogvoerenden alsnog Indië gingen aanvallen, groter werd. Dit als gevolg van wijzigende omstandigheden zoals grotere schaarste aan grondstoffen en arbeidskracht, extra materiële vervangingen door de duur van de oorlog. En niet te vergeten zou de opbouw van een nieuwe vloot zéker tien jaar in beslag nemen. Het valt toch niet aan te nemen dat Nederland dacht dat de oorlog tot ver in de jaren twintig zou duren en er tijd genoeg was zich te versterken?

Gelijktijdig was onder politici, miltairen en leken een discussie ontstaan over de versterking van de weerbaarheid van het grondgebied zélf. Het KNIL was een leger gericht op binnenlandse ordehandhaving en politioneel van aard. Een gerichtheid op defensie tegen buitenlandse agressie was er eigenlijk nooit geweest. De dreiging van Engeland was al verdwenen sinds het begin van de negentiende eeuw. Het congres van Wenen in 1815 had een nog tot 1914 bestaande status quo van veiligheid en vrede in de internationale verhoudingen gecreëerd. Het Koninkrijk der Nederlanden was ook door bondgenoot en rivaliserende koloniale macht Engeland tot stand gekomen. Het Koninkrijk der Nederlanden moest fungeren als middelgrote “bufferstaat’ tussen de Europese grootmachten op het continent. Die tijd van détentes en ententes was nu ten einde, vooral door de nieuwe grootmachten Duitsland en vooral Japan. Agressie van buiten de archipel was nu een reële factor geworden waarop moest worden gereageerd. In de volkenrijke archipel zou uitbreiding en modernisering van de landstrijdkrachten samen met die van de marine moeten worden geëntameerd. 11)

Indië Weerbaar: meer dan een militaire benadering of toch niet?

Weerbaarheid in brede betekenis
Het zou on-Nederlands zijn het om begrip weerbaarheid in die tijd alleen als een militaire kwestie te zien. We zullen zien dat hierover twee standpunten tegenover elkaar stonden. In de “ethische” sfeer van rond de eeuwwisseling had de koloniale relatie een hogere “opdracht” als doel. Na de eendimensionale economische gerichtheid in de negentiende eeuw en de ruimte die het bedrijfsleven was geboden om gebruik te maken van inheemse arbeidskracht en natuurlijke bronnen, was het tijd geworden te kijken naar de behoeften van de bevolking. Het moederland was het kompas waarop de ontwikkeling van de kolonie moest koersen. De verbetering en toegankelijkheid van de gezondheidszorg, het (ook Europese) onderwijs en van de infrastructuur zou voor de gehele kolonie goed zijn. Het Nederlandse pragmatisch en handelsgerichte kolonialisme ging meer lijken op de ‘mission civilatrice’ van Frankrijk in zijn koloniën. 12)

De beweging ‘Indië Weerbaar’
De brochure van jonkheer Sandberg kwam op het juiste moment en versnelde  de urgentie na te denken over de verdediging van het grondgebied. Voormalige legercommandant en gouverneur-generaal Van Heutsz was inmiddels een adviseur op de achtergrond en voorstander van uitbreiding van het KNIL met een inheemse militie van dienstplichtigen. Vele ambtenaren en militairen waren het daarmee eens, maar ook was er nog steeds de brede steun voor een grote marine. De inheemse militie had de voordelen snel over veel mensen te kunnen beschikken en het was relatief goedkoop op te bouwen. Invoering van de brede militaire dienstplicht zou in korte tijd landstrijdkrachten kunnen vormen die vooral Java en Sumatra daadwerkelijk konden beschermen.

In de nationalistische beweging waren de meningen verdeeld. Boedi Oetomo aarzelde maar verklaarde zich op het congres in 1916 vóór. De Sarekat Islam was minder eensgezind. Deze grootste politieke organisatie kende een gematigde en radicalere vleugel voor wat betreft de weg en het tempo richting meer invloed op het bestuur van het land. Dankzij de overtuigingskracht van vooraanstaand leider én lid van het Comité Indië Weerbaar in Bandoeng Abdoel Moeis, stemde het bestuur van de Centrale Sarekat Islam ook vóór. De afdelingen Batavia en Semarang bleven echter tegen de militie.13)

SI_indie_weerbaar

1916: vergadering van de politieke beweging Sarekat Islam over Indië Weerbaar. Locatie: Moeratewe, Borneo.
Foto: collectie KITLV.

Opmerkelijk was dat de beweging Indië Weerbaar onder sterke invloed stond van mensen verbonden met of sympathiserend met de theosofische beweging. Deze was nergens anders zo sterk vertegenwoordigd onder Europeanen als in Indië. Batavia, en niet Amsterdam, kreeg zijn Blavatskypark. Politiek voorman van de ARP Abraham Kuyper klaagde in 1912 dat de macht in de kolonie eerder bij de theosofen lag dan bij de christenen. Hun ideaal van broederschap tussen Oost en West verwelkomde bovendien moslims. De belangrijkste vertegenwoordiger van de theosofische beweging in Indië, Dirk van Hinloopen Labberton, steunde openlijk de nationalistische beweging Sarekat Islam. In tegenstelling tot veel andere kolonialen zag hij de islam als een “veel en goeds en edels bevattenden godsvereering” die paste bij de theosofische leer. Beginsel was de broederschap van volkeren die echter belemmerd werd door de “duistere licht van het kwaad. Dat uitte zich in de Grote Oorlog en de ongelijkheid tussen de blanke en bruine broeders in de kolonie. Samenwerking gebaseerd op onderling vertrouwen moest leiden tot harmonie. Voor dit laatste diende Nederland de nationalisten ruimte te geven en te ondersteunen richting meer zelfbestuur. 14)

Binnen de Sarekat was er naast vertrouwen ook wantrouwen vanuit de radicalere hoek tegenover Van Hinloopen Labberton. Hij zou na de installatie van de Volksraad in 1918 nog tot 1922 actief zijn in de politiek. Gedesillusioneerd vanwege het conservatiever wordende klimaat richting de inheemse beweging en de repressieve koers vertrok hij in 1923 uit Indië om in 1926 voorgoed terug te gaan naar Nederland. 15)

Het Comité ‘Indië Weerbaar’
Overtuigd van het belang van de beweging stemde gouverneur-generaal J.P. graaf van Limburg Stirum in met het zenden van een delegatie naar Nederland. Het comité dat de massaal bezochte bijeenkomst van 31 mei 1916 had voorbereid, wilde het bezoek voorbereiden en ging voortaan door als Comité ‘Indië Weerbaar’. De opdracht was om in het moederland met een motie de urgente versterking van de Indische defensie te bepleiten. Van Limburg Stirum was voorstander van een versterking van de landstrijdkrachten en de invoering van een inheemse militie. Hierin werd hij gesteund door niemand minder dan generaal b.d. J.B. van Heutsz, die fungeerde als een adviseur over de Indische defensie. Van Heutsz zou het comité in Nederland ook te woord staan en een rol kunnen spelen om de regering te overtuigen van de noodzaak het leger uit te breiden. De gouverneur-generaal stelde Van Hinloopen Labberton aan als ‘geleider’ van de delegatie. 16)

W.V. Rhemrev en ‘Indië weerbaar’
De invloed van theosofen en de verwevenheid met de nationalistische beweging doen bijna denken dat de weerbaarheidsbeweging een “softe” aangelegenheid was geworden. Niets is minder waar. Binnen militaire kringen werd er nagedacht over een substantiële versterking van de “hardware”. Ten eerste over een aanzienlijke uitbreiding van het aantal militairen, ook met inzet van het grote arsenaal aan Javanen. Daarnaast waren er de gewenste uitbreiding van de vloot en het KNIL. De Grote Oorlog liet zien welke nieuwe wapens en technologie er intussen waren ontwikkeld en ingezet. Denk aan tanks, vliegtuigen, nieuwe artillerie, de onderzeeboot en communicatiemiddelen. Het KNIL was grotendeels een klassiek politieleger dat steunde op infanterie die met klewang, geweer en lichte kanonnen de vijand tegemoet ging. Een mogelijk conflict met een grote mogendheid vereiste een antwoord met dezelfde moderne middelen die de vijand bezat.

wvrhemrev2Vanuit de conservatieve hoek mengde zich Indische luitenant W.V. Rhemrev. Deze met de Militaire Willemsorde 4e Klasse gedecoreerde militair had zich verdienstelijk gemaakt in de Atjeh-oorlog. Hij was een man van ‘law and order’ en zou zich later ontpoppen als een aanhanger van fascistische ideeën. Onder zijn leiding vond in 1933 in Batavia de eerste bijeenkomst plaats van zijn Nederlandsch-Indische Fascisten Organisatie (NIFO). Naast voorstander van een krachtig,  autoritair  bestuur was hij tégen de groter  geworden invloed van Indonesiërs in het landsbestuur. Zijn beweging kreeg aanzienlijk minder aanhang dan de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). 17)

Alvorens de rol van Rhemrev te beschrijven, moeten we eerst zien hoe de beweging Indië Weerbaar aan invloed won tijdens de jaren van de Grote Oorlog. De beweging beleefde haar hoogtepunt in 1916 en 1917. In juli 1916 werd het Comité Indië Weerbaar ingesteld waarmee de beweging de mogelijkheid had de kwestie op een hoger bestuurlijk niveau aanhangig te maken. Het comité slaagde erin serieuze aandacht te krijgen van het Gouvernement én de politiek in het moederland. De voorzitter was ’s Jacob, de voorzitter van de Kamer van Koophandel in Batavia. Vice-voorzitter was M.C. Koning van de reder KPM. De heren H.G. Brandon en de gepensioneerde kapitein W.V. Rhemrev waren de twee secretarissen. Vanuit de nationalistische hoek waren Boedi Oetomo, Sarekat Islam, de Regentenbond en de Prinsen Bond Narpo Wandowo vertegenwoordigd in het comité. De Indo-Europese organisatie Insulinde wilde niet toetreden. Onder Indo-Europeanen was er veel weerstand tegen Indonesiërs die straks in het leger zouden deelnemen en daarmee hun toch al groeiende invloed en macht konden vergroten. Indo-Europeanen waren er ook bang voor dat door invoering van de dienstplicht hun vrijgevallen posities zouden worden opgevuld door Indonesiërs en dan niet tijdelijk, zo was de vrees. 18)

wvrhemrev

Batavia 1906 op het Waterlooplein: luitenant KNIl W.V. Rhemrev ontvangt de Militaire Willems Orde klasse IV.
Foto: Collectie Veenhuijzen, Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag. Geplaatst op: http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/CBG01:17528

In die periode reisde kapitein Rhemrev Java rond om zijn ideeën over een weerbaar Indië te verkondigen. Onder de weinig verrassende titel ‘Indië Weerbaar’ heeft hij in het voorjaar van 1917 zijn toespraak als brochure uitgegeven. Al in de tweede zin maakt hij duidelijk dat ‘weerbaar’ betekent ‘militair weerbaar’. Hij pleitte voor een zoveel mogelijk organiseren en houden van bijeenkomsten in zoveel mogelijk plaatsen zodat een motie zou worden opgesteld om de grote zorg over de Indische defensie bekend te maken bij de juiste autoriteiten. Deze waren de hoogste namelijk de Gouverneur-generaal, de Koningin, de Minister van Koloniën en de Staten-Generaal. Een delegatie zou deze  opdracht moeten gaan vervullen. 19)

rede_IWIn zijn rede benadrukte Rhemrev dat het Comité Indië Weerbaar twee zaken uitdrukkelijk niet wilde. In de eerste plaats een blauwdruk afgeven over hoe de weerbaarheid moest vorm krijgen en ten tweede was het beslist geen politieke actie. Rhemrev stelde dat de Staatscommissie van 1912 al ging uitwerken hoe de defensie moest worden versterkt. Dat het geen politieke actie was lijkt een illusie omdat de beweging Indië Weerbaar wél sociale en politieke uitgangspunten had. Door  met name SDAP-voorman Jelle Troelstra als de grootste vijand van een sterkere defensie te profileren, was Rhemrev al vanzelf een politiek standpunt aan het innemen. De deputatie was bij uitstek als lobby een politieke actie bij uitstek. De ideeën van Rhemrev over de staat van ontwikkeling van Nederlands-Indië en de te volgen richting wáren politieke standpunten. Ze hielden in dat de voogdijschap van Nederland over de kolonie voor niet afzienbare duur zou blijven zolang het merendeel van de inheemse bevolking nog “onmondig” (een eufemisme voor te weinig ontwikkeld, nog onvolwassen) was en niet toe aan verdergaande modernisering van het staatsbestel, laat staan autonomie. Indirect verklaarde hij zich daarmee ook tegen de Ethische Politiek die hij als misleidend aanmerkte en slechts illusies schiep bij de inheemse bevolking:

“Er zijn verder ook nog menschen, die, hoewel misschien onbewust, verwarring veroorzaken door naast en tegelijk met de actie tot militaire weerbaarmaking van Indië een actie voeren tot verbetering van onderwijs, hygiëne en andere economische toestanden. Hoewel deze laatste actie zeer zeker te prijzen valt, is het jammer, dat zij, op deze wijze gevoerd met een andere actie, waarmee zij feitelijk niets te maken heeft, den onnadenkenden op een dwaalspoor kan brengen. 20)

Alle aandacht moet thans gewijd worden aan de allernoodzakelijkste weerbaarmaking van Indië, die, zoals aangetoond, de militaire weerbaarmaking is, omdat zonder deze de regelmatige ontwikkeling van Indië niet mogelijk is. Wat geeft het, indien thans begonnen wordt aan verbeteringen op allerlei gebied, indien straks of morgen alles gestaakt moet worden door mogelijke aanranding van buiten? 21)

Nu Indië eenmaal begint te ontwaken, zal het ook, en daaraan twijfelt trouwens niemand, te rechter tijd alles krijgen, wat het noodig heeft, ook goed onderwijs, ook goede oeconomische toestanden en ook politieke rechten”  22)

Maar voorlopig dus stoppen met de ethische maatregelen! Tegen het eind van zijn pamflet annex rede laat Rhemrev zich als een echte liberaal kennen met zijn betoog het bedrijfsleven te ontlasten van allerlei ingrepen die hun vestiging of groei belemmeren. Dit zuiver politieke standpunt is weer te interpreteren als kritiek op de Ethische Politiek die een soort doorgeslagen reactie was op uitwassen als gevolg van ongebreidelde macht van bedrijven over de inheemse arbeidskracht.

“De toestand in Indië is thans zóo, dat aan handel en indusrie steeds moeilijkheden in den weg gelegd worden voor hunne vestiging en ontwikkeling, inplaatsdat, gelijk zulks in andere maatschappelijke jonge landen, het geval is, zij als welkome, welvaart brengende factoren met open armen ontvangen worden. 23)

Dit nu houdt de ontwikkeling van Indië niet alleen op economisch doch ook op maatschappelijk, sociaal en intellectueel gebied op onverantwoordelijke wijze tegen. Aan deze belemmeringen moet zoo spoedig mogelijk en afdoend een einde gemaakt worden.” 24)

Rhemrev beschouwde de grotere weerbaarheid van Indië als de grootste prioriteit en deed een morele oproep aan de verantwoordelijken in Nederland.

“Zijn er waarlijk nog Nederlanders, die niet voelen zouden onze hoogste roeping, om Indië, dat ons eenmaal rijk maakte en krachtig, nu óók te beschermen, die niet zouden inzien, dat Indië ook thans nog is de hoeksteen van onze internationale beteekenis, de hoofdvoorwaarde voor het welvaren van ons Volk; die niet inzien, dat Indië is de kurk waarop drijft de Nederlandsche Volkswelvaart? 25)

Zijn er inderdaad nog, die kùnnen voorbijzien onzen plicht om te blijven behartigen het belang van den Inlandsche bevolking die we namen onder onze bescherming en die we langs lijnen van geleidelijkheid hebben op te voeden en te ontwikkelen ter bevordering van haar geestelijke en stoffelijke welvaart, en dat wij daarom de maatregelen hebben te nemen die moeten beletten, dat Indië ons afhandig wordt gemaakt? (…) 26)

Is het eigenlijk niet bedroevend voor de Nederlandsche natie, dat Indië eene deputatie moet afvaardigen om haar te wijzen op hare plichten?” 27)

Dat de weerbaarheid in de eerste plaats een militaire was beargumenteerde hij als volgt:

“Eerst het noodige, dan het nuttige en uiteindelijk het aangename, ligt voor de hand. De militaire weerbaarmaking is het eenige schild, waarachter de weerbaarmakingen op intellectueel, moreel en economisch gebied ongestoord kunnen plaats hebben.” 28)

“Het is immers onmogelijk aan de evolutie van Indië te arbeiden, wanneer een buitenlansche aanval steeds als een eeuwig dreigend zwaard van Damocles die ontwikkeling bedreigt.” 29)

“De militaire weerbaarmaaking, zooals de actie I.W. dit bedoelt en nastreeft, is de kurk waarop drijven alle andere weerbaarmakingen, zooals de weerbaarmaking op moreel, intellectueel en economisch gebied.” (…) 30)

Rhemrev riep in zeer heldere bewoordingen waarvoor hij de Nederlanders gevoelig achtte, op tot actie:

“Er is nu waarlijk genoeg gepraat, beschouwd, gehoord en overwogen. De zalige tijden van geteuter, geleuter en gepeuter zijn nu voorbij. Daden moeten er komen. Daden moeten worden geëischt door ons volk en tot stand gebracht in hun vertegenwoordiging.!” 31)

Onderlinge spanning in de delegatie van het Comité Indië Weerbaar
Gezien de opvattingen van Rhemrev over de koloniale relatie, de rol van het bedrijfsleven en het primaat van de militaire versterking van de kolonie, is het niet vreemd dat hij in conflict kwam met andere leden van het comité. Het heterogene gezelschap had als bindend element dat het een versterkte weerbaarheid van de kolonie nastreefde. De verschillen in afkomst, visie en eigen agendapunten tussen de leden waren erg groot. De nationalisten Dwidjosewojo en Abdoel Moeis profileerden zich weliswaar als welwillend tegenover samenwerking met het koloniale bestuur, maar in de loop van de laatste jaren waren zij natuurlijk niet immuun voor de grotere roep om meer echte invloed in het bestuur. Aangekomen in Nederland volgden zij hun eigen agenda en probeerden in  steun te zoeken voor de nationalistische beweging. Dit alles tegen de wil in van minister van Koloniën Idenburg. Beide nationalistische voormannen waren niet erg terughoudend in het vrijuit spreken over een toekomstig zelfstandig Indië. Wél benadrukten zij steeds de blijvende band met Nederland wanneer de kolonie zich naar die toekomst bewoog. Het hoofd van de delegatie Van Hinloopen Labberton was vanuit zijn theosofische achtergrond er echt van overtuigd dat “zijn” comité steun in Nederland voor Indië Weerbaar zou vinden vanwege de niet-politieke uitgangspunten van een weerbaar Indië in sociale, economische en levensbeschouwelijke zin. Hij ging echter voorbij aan de niet geringe politieke dimensie die intussen aan het idee van weerbaarheid was ingeslopen. In dit opzicht zou hij voortdurend middelpunt worden van Rhemrev’s aanvallen op hem. Het is ook niet gewaagd te veronderstellen dat niet alleen verschil van uitgangspunten en denkrichting daarbij meespeelden, maar dat de twee elkaar totaal niet lagen. Het was de geharde Atjeh-veteraan met autoritaire inslag tegenover de idealistische wetenschapper en pleitbezorger van harmonie. In zijn uitvallen was Rhemrev geheel niet terughoudend en maakte Van Hinloopen Labberton tot zijn publiekelijk mikpunt. Rhemrev was niet bescheiden en benoemde zichzelf tot de Europese bijdrage aan de delegatie. Dit was tekenend voor deze zelfbewuste en trotse Indo die zichzelf volledig identificeerde met de Europese bevolkingsgroep en met het regeringsstandpunt dat de kolonie nog niet aan meer vrijheid en inspraak toe was. 32)

De sfeer in de delegatie verslechterde toen minister Idenburg een ontmoeting met leden van de Staten-Generaal annuleerde. Reden waren de acties van Moeis en Dwidjosewojo waarvan de minister vond dat die de regering en het parlement schoffeerden. Rhemrev richtte zijn woede direct tegen Abdoel Moeis en noemde het niet doorgaan van de ontmoeting een vernedering van de delegatie, die nu niet meer serieus werd genomen. Het pleidooi voor een weerbaar Indië was al bij voorbaat in de knop gebroken.
De geplande ontmoeting op 20 maart 1918 met koningin Wilhelmina en prins Hendrik ging wél door. Daar werd de resolutie ‘Indië Weerbaar’ voorgelezen door prins Pangeran Ario Koesoemodiningrat, conform het protocol het hoogst geplaatste delegatielid. Zelfs tijdens die ontvangst liet Rhemrev niet na Van Hinloopen Labberton te kleineren. Toen de delegatieleider in de voorste rij van de zaal wilde plaats nemen, trok Rhemrev hem letterlijk aan zijn jasje en gebood hem naar achteren, in de tweede rij te gaan zitten. 33)
Naast ontmoetingen met de kamerleden, de minister-president en de koningin woonde de delegatie oefeningen bij van het Nederlandse leger en deed indrukken op van de eigentijdse uitrusting en tactische en strategische inzichten.

Indie-weerbaar den haag

Het Comité Indië Weerbaar ontvangen door het stadsbestuur van Amsterdam. Op de voorste rij links van het midden kapitein W.V. Rhemrev in uniform met sabel en links van hem delegatieleider D. van Hinloopen Labberton. Op de foto staat ook generaal b.d. J.B. van Heutsz.
Foto: collectie Elsevier, fotograaf onbekend

Met lege handen terug naar Indië
De Nederlandse regering ontving de delegatie met alle egards en gaf haar leden ruime gelegenheid hun standpunten weer te geven. Het veranderde niets aan het officiële uitgangspunt dat de defensie van de kolonie tegen gevaren van buiten, primair een marinetaak was. Wél voerde de regering in 1917 de dienstplicht in voor Europeanen en waren er plannen voor een inheemse volksmilitie. Deze zijn later ingetrokken.
In 1916 had het parlement een wet aangenomen die de instelling van een volksraad aankondigde. Op 18 mei 1918 installeerde gouverneur-generaal Van Limburg Stirum ook daadwerkelijk de Volksraad. Dit orgaan bleek niet zover te gaan dat Indonesiërs mede-wetgevers waren geworden.
De sterk gevoelde behoefte binnen verschillende geledingen van de kolonie, zag het de regering in moederland geen redenen van haar standpunt dat het primaat van defensie bij de marine lag, af te wijken.

Rhemrev de boosdoener
Kapitein Rhemrev was de dissonant in de delegatie. Hij was de conservatief in het gezelschap en stond diametraal tegenover de andere leden wat betreft zijn visie op het emancipatiestreven van de Indonesische bevolking. Rhemrev bevond zich feitelijk zelfs rechts van de regering, die onderkende dat het nationalistische en emancipatiestreven een nieuwe realiteit was geworden. Hij vond dat een inheemse militie een utopia was en ging zo ver te stellen dat de capaciteiten van de Javanen gewoonweg onvoldoende waren om als militairen in een modern leger te worden ingezet. Er kon geen sprake van zijn dat Indonesiërs beloond konden worden met meer inspraak in de politiek en het bestuur in ruil voor hun bijdrage aan de defensie. Wat hem betrof was (meer ) zelfstandigheid voor de kolonie iets van een verre, niet-zichtbare toekomst.

indie weerbaar_oefening1

21 april 1917: het comité Indië Weerbaar bij een oefening van de IVe divisie van het Nederlandse leger in het gebied van de Loonse en Drunense Duinen in Noord-Brabant.
Midden als enige in de camera kijkend: kapitein W.V. Rhemrev
Collectie Nederlands Legermuseum

De beweging Indië Weerbaar en het einde van de Eerste Wereldoorlog
Na het bezoek aan Nederland kwam er een eind aan Rhemrev’s rol in de beweging Indië Weerbaar. Zijn conservatieve houding jegens de Indonesische nationalistische beweging en zijn denigrerend standpunt over de geschiktheid van Javanen en andere Inlanders, waren voor het bestuur van de kolonie niet constructief. Rhemrev zette zijn dispuut met Van Hinloopen Laberton op rancuneuze wijze voort. Hij nodigde de theosoof in november 1917 zelfs uit tot een duel. Dat heeft geen doorgang gevonden en het zou de ridder Rhemrev zeer hebben geblameerd, ook al is een duel passend bij een chevaleresque status als drager van de Militaire Willems Orde. 34)

Het einde van de Grote Oorlog verminderde de urgentie bij het bestuur om de grotere weerbaarheid van Indië te realiseren. Daarbij kwam dat de beweging Indië Weerbaar binnen nationalistische organisaties nieuwe discussies had teweeggebracht. De niet-democratische en krachteloze Volksraad die in 1918 was geïnstalleerd, werd door velen van hun leiders als een weinig bemoedigende opstelling van de Nederlanders beschouwd. De grote inzet van inheemse mannen voor een militie werd niet gecompenseerd door meer invloed en medezeggenschap in het landsbestuur. Eerder was er sprake van een nog grotere last die op de schouders van de inheemse bevolking werd gelegd. Indirect kan de beweging Indië Weerbaar zelfs er aan hebben bijgedragen dat de Indonesische nationalistische beweging veranderde van een met de kolonisator meewerkende beweging in de non-coöperatieve en non-associatieve partijen van de jaren twintig.
Tot een inheemse militie is het dan ook nooit gekomen. Wat de Indische defensie in zijn geheel betrof: de beslissing over de vlootversterking werd pas in 1923 genomen. Het wetsvoorstel werd met een krappe meerderheid in de Tweede Kamer weggestemd, 51 stemmen tegen en 49 vóór. De oorlog was voorbij, de economie stagneerde en het bestuur van de kolonie had zijn handen vol aan de nationalistische beweging, waarvan de meerderheid zéker niet wilde meewerken aan de versterking van de militaire machtsmiddelen van de kolonisator. Toen de Japanners in 1941 aanvielen en in 1942 bezetten, hebben zij geen erg weerbaar Indië ontmoet.

Noten
1) Kees van Dijk, p. 73-74.
2) Idem, pp. 1-18.
3) H.W. van den Doel, pp. 205-209.
4) Idem, pp. 210-215.
5) Van Dijk, p. 255.
6) Idem, p. 255-256 en 258.
7) Idem, p. 256.
8) M.C. Ricklefs, p. 217.
9) H. Burgers, pp. 170-171.
10) Van Dijk, p. 113.
11) Idem, pp. 17-18.
12) Van den Doel,  pp. 153-175.
13) Van Dijk, pp. 264-265.
14) http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn4/hinloop
15) Ibidem.
16) Van Dijk, p. 274.
17) Idem, pp. 268 en 277.
18) Idem, pp. 273-274.
19) W.V. Rhemrev, p. 1.
20) Idem, p. 11.
21) Ibidem.
22) Ibidem.
23) Rhemrev, p. 13.
24) Ibidem.
25) Rhemrev, p. 5.
26) Ibidem.
27) Ibidem.
28) Rhemrev, p. 9.
29) Ibidem.
30) Ibidem.
31) Rhemrev, p. 6.
32) Van Dijk, pp. 277-278, 283-284.
33) Idem, p. 284.
34) Idem, pp. 285-286 en Burgers, pp. 170-171.

Literatuur (gedrukt en online) en bronnen
Herman Burgers, De Garoeda en de Ooievaar: Indonesië van kolonie tot nationale staat. Leiden 2010.
Kees van Dijk, The Netherlands Indies and the Great War. Leiden 2007.
W. van den Doel, Het rijk van Insulinde. Opkomst en ondergang van een Nederlandse kolonie. Amsterdam 1996.
Elsbeth Locher Scholten, Een liberaal autocraat, gouverneur-generaal mr. J. P. graaf van Limburg Stirum (1916-1921).
W.V. Rhemrev, Indië weerbaar. Rede uitgesproken bij verschillende bijeenkomsten in Nederland. Brochure gepubliceerd 1917.
M.C. Ricklefs, A history of modern Indonesia since c. 1200. New York 2008.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.