Oorlog en Bersiap | Het verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetter. Deel 5. Het Indisch verzet in het geheugen van Nederland en in de maatschappelijke context

Proloog
In de voorgaande vier delen van deze vijfdelige serie over het Indisch verzet, zijn aan de hand van literatuur en verhalen van deelnemers zélf, voorbeelden gegeven van gepleegd verzet tegen de Japanse bezetter. In het kort is beschreven hoe verzet is ontstaan, verlopen en in de meeste gevallen door de vijand met succes is bestreden. Na de overgave van het KNIL in maart 1942 ontstonden uit resten van legereenheden groepen die besloten verder te vechten. Ondanks de Japanse overmacht en het gebrek aan uitrusting, oorlogservaring en steun van de lokale bevolking. Slechts weinig verzetsdeelnemers, zoals op Nieuw-Guinea en Timor, slaagden er in uit handen van de vijand te blijven. Gelet op het bijna volledige verdwijnen van Europeanen uit de samenleving is het opmerkelijk dat er nog verzet is gepleegd. Het waren dan ook voornamelijk Indo’s en inheemsen, met name Molukkers en Timorezen die hebben deelgenomen aan het verzet. De inheemse verzetslieden bestonden voor een groot deel uit vrijgelaten krijgsgevangenen. De Japanners zagen hen als Aziatische broeders, maar de trouw aan Nederland bleek vaak sterker.

Monument voor het Indisch verzet op het terrein van Militair Tehuis Bronbeek te Arnhem. Foto: H. de la Croix.

Monument voor het Indisch verzet op het terrein van Militair Tehuis Bronbeek te Arnhem. Foto: H. de la Croix.

In deze vijfde aflevering gaan we in op de waardering van het Indisch verzet in de Nederlandse politiek en de geschiedschrijving. Of liever over het lang ontkennen ervan waardoor het Indisch verzet geen deel heeft kunnen uitmaken van de collectieve herinnering. Op den duur heeft het Indisch verzet toch de officiële erkenning gekregen die het verdiende. In de vorm van graven, (graf)monumenten, onderscheidingen, publicaties en binnenkort zelfs een film. Dat alles is op zichzelf ook onderwerp van een geschiedschrijving geworden. Daarvan is deze vijfde aflevering een bescheiden begin.

Na de oorlog: welk verzet in Indië?
Dit vijfde en laatste deel gaat niet dus over het Indisch verzet zélf, maar behandelt de plaats die het lange tijd niet heeft gekregen in de geschiedschrijving en in de politiek. Het Indisch verzet maakt in tegenstelling tot dat in Nederland, geen deel uit van het nationaal collectieve geheugen. Het is zelfs lange tijd niet eens erkend dat er in Indië verzet is gepleegd tegen de Japanse bezetter. Dit idee kwam niet alleen van politici, uit kringen die er niets van wisten of er op afstand over moesten oordelen. Er zijn zelfs historici die lang de vraag open hebben gehouden of er wel verzet is gepleegd: er was toch immers geen informatie over? Was er dan wel verzet geweest? 1) De kennisachterstand is inmiddels grotendeels opgeheven en het Indisch verzet heeft zijn maatschappelijke en historische erkenning gekregen. Die is terug te vinden in (buitengewone) wetgeving waarin oorlogspensioenen en -uitkeringen een rechtskarakter kregen, in herdenkingen en monumenten, en in het openbaar worden van individuele verhalen (zie: Elise Lengkeek, Ik beken) en interviews.2) Maar voor het zover was……

Naoorlogs Nederland likt de wonden: Indië in oorlog lijkt te ver weg
Nederland had na de oorlog in Europa de handen vol aan zichzelf: het land moest weer opgebouwd worden en de bezetting met al zijn gevolgen moest worden verwerkt in het collectief bewustzijn. Sinds de Franse tijd eind achttiende en begin negentiende eeuw was het land niet meer in zo’n situatie van wederopbouw geweest. Nederland pakte de wederopbouw voortvarend aan dankzij onder andere de Marshallhulp. Die Amerikaanse hulp werd echter ook ingezet om een nieuwe oorlog in de kolonie te voeren waar na de Japanse overgave een machtsvacuüm was ontstaan. De strijd tegen de Republik Indonesia eiste snel alle aandacht en energie van de Nederlandse politiek. Reflectie op de val van Indië en de verzetsactiviteiten raakte bekneld in dit tijdsgewricht. Er was geen tijd om achterom te kijken omdat de strijd tegen de jonge republiek alle energie en aandacht opeiste. Nederland bracht er kort na de oorlog het grootste leger op de been dat het ooit heeft gehad. Meer dan 100.000 man zijn ingezet. De aandacht in het moederland voor de landgenoten in een vijandige omgeving was misschien groter dan ooit omdat nu de zonen van het land er massaal moesten dienen én er was een immigratie (repatriëring) op gang gekomen die niemand was ontgaan. Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 volgde een nieuwe hectische en moeilijke periode. Met name voor de tienduizenden Indo-Europeanen die zich steeds minder welkom in Indonesië voelden. Tegen het eind van de jaren vijftig was dit geresulteerd in hun massale repatriëring, of beter migratie, naar Nederland. Het conflict om Nieuw-Guinea zorgde voor bijna weer een militaire confrontatie. Uiteindelijk werd het laatste stukje Aziatisch Nederland toegevoegd aan Indonesië. Nederland had het gelijk van de geschiedenis weer niet aan zijn kant gekregen.

De snelle waardering van het Nederlands verzet
De collectieve “posttraumatische stress” die de Duitse bezetting had veroorzaakt werd in tegenstelling tot het pijnlijke afscheid van de kolonie, vrij snel aangepakt. Het is al in 1947 dat de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp) in werking trad. Deze wet maakte aanspraak mogelijk op een financiële verstrekking wanneer iemand door daad of houding had deelgenomen aan verzet in Nederland en er persoonlijke schade door had opgelopen. Met andere woorden: honorering door de overheid van verzetsdeelname had een rechtskarakter gekregen. Een hoge vorm van officiële erkenning van zowel de gepleegde daden of ingenomen houding èn van geleden materiële of immateriële schade. Deze Wbp was met geen enkele letter van toepassing op het Indisch verzet. Om de eenvoudige reden dat dat er niet geweest zou zijn; het ontbrak namelijk aan documentatie (die was door de Japanners vernietigd) of andere bewijzen. Het verzet in Nederlands kreeg al gauw grote aandacht, de erkenning en waardering die het zondermeer verdiende. Het land had behoefte de oorlog te verwerken en het morele gelijk van de strijd tegen de Duitsers te benadrukken. Het eren van het leger was minder passend vanwege de snelle nederlaag in mei 1940. Maar de nadruk op het gepleegde verzet en zijn morele gewicht waren zeer geschikt om het gevoel van eigenwaarde en zelfrespect terug te krijgen. Geholpen door een krachtige lobby van ex-verzetslieden, ex-leden van de Binnenlandse strijdkrachten, voormalige Engelandvaarders én de prins-gemaal Bernhard, kregen degenen die zich te weer hadden gesteld tegen de bezetter de (terechte) waardering en erkenning die ze verdienden.3)

De Indische oorlogservaringen
Het zal in Nederland niet eens bewust zijn opgevallen dat de Indische Nederlanders die massaal repatrieerden tussen 1945 en 1962, geen zichtbaar dramatisch verleden met zich meedroegen. Alle aandacht ging uit naar de eigen wederopbouw en de schaarste aan middelen van bestaan en woningen. De interesse in de nieuwe landgenoten leek niet te kunnen ontstaan. Al snel bleek dat Nederlanders weinig wisten over Indië en wie daar nu precies woonden. Dat de repatrianten Nederlanders waren en op Nederland georiënteerd wekte verbazing. Met dit in het achterhoofd is het te verklaren dat Nederlanders niet eens zijn toegekomen vragen te stellen over de historische achtergronden van de “nieuwe buren”. Er was zelfs ronduit belachelijke beeldvorming over de Indische oorlogservaringen. Wie kent niet het voorbeeld van de Nederlandse reacties als zou het ontbreken van een hongerwinter onder die “lekker warme tropenzon” de oorlog niet zo erg hebben gemaakt. Het gaat nu niet om dit soort subjectieve noties, maar we moeten kijken naar de overheid die de verantwoordelijkheid had de bevolking van goede informatie te voorzien. En aan een deugdelijk beleid daarin heeft het ontbroken. Het stimuleren en faciliteren van geschiedschrijving hoort daarbij. Het moet gezegd dat de opdracht aan dr. L. de Jong in ieder geval daartoe enorm veel ruimte heeft gecreëerd. Maar……deze opdracht werd meer en meer een monopolie op de geschiedschrijving over de oorlog omdat andere historici geen of amper toegang kregen tot relevante primaire bronnen. Daarbij kwam dat de aandacht voor de oorlog in Azië pas in de tweede helft van de jaren zestig groeide. Het ging toen over geweldsexcessen door Nederlanders bedreven in de periode 1945-1949. Het duurde nog tot 1985 dat De Jong de delen over de Oost begon te publiceren.4)
Van meer recente datum is de publicatie van Achter het kawat was Nederland. Indische oorlogservaringen en -herinneringen 1942-1995 (2002) van historica Esther Captain (1969). Haar onderzoek was gebaseerd op dagboeken van geïnterneerden in de Japanse burgerkampen. Captain beschrijft de individuele en collectieve verwerking van de gebeurtenissen na de oorlog. Ook uit 2002 dateert De last van de oorlog. De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking van Stef Scagliola dat handelt over geweldsexcessen, soms zelfs oorlogsmisdaden, begaan door Nederlandse militairen tijdens de politionele acties.5)
Een terugkerende notie uit deze onderzoeken zijn de blijvende behoefte van Indische Nederlanders aan erkenning van hun slachtofferschap en van de juistheid van hun aanwezigheid destijds in de kolonie. Terecht stelt Lizzy van Leeuwen in Ons Indisch Erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit (2008) dat de Nederlandse overheid geen ruimte heeft gelaten aan verwerking van het postkoloniale trauma als gevolg van het verlies van Indië. Het Indisch verzet is daarbij slechts een van de onderwerpen die pas laat werden onderzocht.6)

Doorbraak voor het Indisch Verzet als maatschappelijk en historisch verschijnsel:
de wording van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (WIV)
In 1979 wees het toenmalige kabinet-Van Agt-I de eis uit Indische hoek af om het Indisch verzet op te nemen in de Wet buitengewoon pensioen. Feitelijk daarmee het verzet niet erkennend. Maar de discussie die in 1980 hierover ontstond leidde op last van staatssecretaris J.G. Kraayeveld-Wouters tot de instelling op 22 oktober 1980 van de Commissie Indisch Verzet. De opdracht was te onderzoeken of er overeenkomst was tussen het verzet in Nederland en in bezet Indië, aan welke criteria moest verzet voldoen, nagaan om hoeveel personen het ging en ten slotte hoeveel het zou gaan kosten. Indien het onderzoek positief zou uitvallen zou de commissie bijdragen aan de eventuele totstandkoming van een wetsvoorstel. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, RIOD (nu: Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, NIOD) gaf aan dat er verzetsdaden zijn gepleegd, ook al is er weinig schriftelijk materiaal overgebleven als bewijs ervan. Kern van de informatie was dat de Japanners van meet af aan elk verdacht gedrag hard en systematisch hebben bestreden. Dat leverde het beeld op van een kortstondig verzet, meer zat er niet in.7)
Voor het onderzoek naar het aantal betrokken personen werden onder andere dossiers bekeken uit de Kanselarij der Nederlandse Orden. Deze gaven een overzicht wie een Verzetsster Oost-Azië hadden ontvangen. Criteria voor deze onderscheiding waren als volgt samengevat: “door geestkracht, karaktervastheid of gemeenschapszin [zich] op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt voor door krijgsgevangenschap, internering of anderszins in de macht van de vijand geraakte Nederlanders of Nederlandse onderdanen, dan wel in verzet tegen de vijand.” De Verzetster Oost-Azië is aan 471 personen toegekend; een aantal van hen was verzetsstrijders in zin van de latere wet. Van deze 471 personen zouden er 204 verzet (kunnen) hebben gepleegd. Nadere studie leidde echter tot een aantal van 127. Uiteindelijk was het niet goed vast te stellen om hoeveel aanspraken het zou kunnen gaan wanneer er een wet zou komen.8) Om een lang en wat ingewikkeld verhaal kort te maken: vanaf de invoering van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (WIV) in mei 1986 ging uitvoeringsinstantie Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) uit van hooguit 1000 harde aanspraken.
Een volgend aandachtspunt voor de regering was de grootte van de pensioenregeling. De Wet buitengewoon pensioen sloot aan op de pensioenvoorzieningen zoals geregeld voor Nederlandse militairen zoals die golden bij aanvang van de oorlog. Al snel was er de overtuiging dat een koppeling van een Indische voorziening niet moest aansluiten op die van het Nederlandse leger, maar op die van het KNIL. Dat betekende dus een lagere financiële voorziening die gebaseerd was op het kostenniveau in Indië tot aan het uitbreken van de oorlog. Redenering was dat de Indische buitengewone verzetspensioenregeling niet hoger kon zijn dan de pensioenregeling die KNIL-militairen hadden. Dat zou rechtsongelijkheid betekenen. Eigenlijk wilde de regering voorkomen dat het andere alternatief zou ontstaan: dat de pensioenen van de KNIL’ ers zouden worden opgetrokken tot die van hun Nederlandse collega’s in Nederland (conform de Algemene Militaire Pensioenwet). Deze optie zou een erg dure prijskaart worden voorkomend uit een onderzoek naar het veronderstelde beperkte Indische verzet.9)

Bijeenkomst ter ere van het Indisch verzet. Bronbeek 27 april 2012. Foto: H. de la Croix.

Bijeenkomst ter ere van het Indisch verzet. Bronbeek 27 april 2012.
Foto: H. de la Croix.

Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet (WIV)
De bevindingen van de Commissie Indisch Verzet overtuigden de regering ervan dat er een wettelijke regeling moest komen voor voormalige deelnemers aan het verzet tegen de Japanners en die er invaliditeit (arbeidshandicap: verminderde verdiencapaciteit) aan hadden overgehouden. Het zou voor velen te laat zijn, ook al zou een posthume erkenning in ieder geval voor nabestaanden nog een waarde hebben. De ramingen van het aantal potentiële deelnemers en aanvragen waren pure schattingen. Mogelijk ging het om 3500 personen op Java, 1000 in de Buitengewesten en met name grote eilanden Sumatra, Borneo en Sulawesi, verder de Molukken, Timor en Nieuw-Guinea; ten slotte 1000-1500 anderen die in verband met gepleegd verzet slachtoffer waren. In totaal ongeveer 5500-6000 personen.10) De WIV is officieel inwerking getreden op mei 1986 en de uitvoering lag in handen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, dat al belast was met onder andere de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers (WUV) en de Wet Uitkeringen Burgeroorlogsslachtoffers (WUBO). De besluiten op de aanvragen werden genomen door een aparte commissie, de Buitengewone Pensioenraad (BPR), waarin deskundigen met inhoudelijke en juridische expertise of vanwege hun maatschappelijke betrokkenheid, zitting hadden. Vanaf 1990 voert de nieuw opgezette organisatie Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) te Leiden, alle regelingen rond oorlogsuitkeringen en -pensioenen uit. De Stichting Pelita is wettelijk aangewezen als begeleider van de aanvragers en verzorgt de verzetsrapportages. De behandelaar van ABP en later de PUR baseert de uiteindelijke rapportages en adviezen aan de BPR, voor een groot deel op de rapportages van Pelita. Eerder heeft de aanvrager aan een rapporteur van Pelita zijn verzetsverhaal kunnen vertellen.
Monument Indisch verzet
Lokatie: Bronbeek in Arnhem
Eind 1989 waren er bijna 1300 aanvragen afgedaan; dat wil zeggen toegekend, afgewezen en ingetrokken/gedeponeerd. Het aantal toekenningen tot september 1989 bedroeg 76 (die ook werden betaald), 606 aanvragen waren ingetrokken, 566 afgewezen en 27 gedeponeerd (bij overlijden en er waren geen nabestaanden). De gemiddelde behandeling per aanvraag kostte ongeveer 7,5 maanden. Met name verificatie van de verzetsclaims was tijdrovend. Het aantal bezwaarschriften was eind 1989 meer dan 120.11)
De belangrijkste beoordelingspunten voor de aanspraak waren het gepleegde verzet (art. 2 lid 1 WIV) en dat van het niet onwaardige gedrag (art. 3 lid 3 WIV). Bij deze criteria was de verificatie moeilijk door gebrek aan schriftelijk bronnenmateriaal. Getuigen en andere derdeninformatie moesten in geval van ontbrekend sluitend bewijs, leiden tot een plausibiliteit, een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Een kwetsbaar punt was de herinnering van de belanghebbende. Naast ontbreken van herinneringen speelde ook vaak op dat de aanvrager is gaan geloven in zijn versie en inkleuring van de verleden tijd. Een tweede criterium was dat van het niet-onwaardige gedrag: had de aanvrager zich een loyale Nederlandse onderdaan betoond en niet gecollaboreerd met de vijand? Was aan deze twee criteria voldaan, dan volgde de vraag in hoeverre ontstane blijvende invaliditeit of arbeidshandicap veroorzaakt was door de verzetsactiviteiten. Ook speelde in de uiteindelijke betaling van een buitengewoon pensioen mee wat de eigen inkomsten waren. Met andere woorden: een erkenning als verzetsdeelnemer hoefde niet te leiden tot een uitkering. De WIV was duidelijk geen “beloning” voor het hebben plegen van verzetsactiviteiten. Willekeurig rondvragen onder aanvragers heeft opgeleverd dat een groot aantal mensen blij was met de erkenning, maar minder met het moeten aantonen van het causaal verband tussen gepleegd verzet en de arbeidshandicap/verminderde verdiencapaciteit. Zeer begrijpelijke reacties omdat pas na ruim 40 jaar na dato deze beoordelingen werden gemaakt. Vaak bleef bij de betrokkenen een gevoel hangen dat ze toch niet werden geloofd.12)

Onderscheidingen en vormen van eerbetoon
Verzetsster_Oost_Azie_met_batonOnder voormalige verzetsmensen in Nederland bestond kort na de oorlog behoefte aan enige vorm van onderscheiding. Bij Koninklijk Besluit van 3 mei 1946 werd toen het Verzetskruis ingesteld. Volgens premier Schermerhorn bedoeld voor heb “die zich in vijandelijk gebied bij het verzet tegen de vijand bijzonder moedig en beleidsvol hadden onderscheiden”. Het werd mondjesmaat posthuum verleend of in geval van ernstige handicap. De aandacht voor een onderscheiding ebde vanaf de jaren van de wederopbouw langzaam weg totdat een aantal voormalige verzetslieden, waaronder Hans Teengs Gerritsen, een goede vriend van prins Bernhard, alsnog een koninklijke onderscheiding bepleitte. Op 1 april 1981 werd de Stichting Initiatief Comité Verzetsherdenkingskruis ingesteld. Bij Koninklijk Besluit van 24 april 1981 is het ontwerp van de onderscheiding goedgekeurd en op 5 mei 1981 reikte koningin Beatrix het eerste Verzetsherdenkingskruis uit.
Voor het Indisch verzet was bij Koninklijk Besluit van 26 oktober 1948 de Verzetsster Oost-Azië officieel ingesteld. Deze onderscheiding is zoals eerder vermeld, 471 keer uitgereikt. Indische verzetsdeelnemers kwamen later ook in aanmerking voor het Verzetsherdenkingskruis. Dit is in totaal 15.300 keer uitgereikt, al dan niet posthuum.13)

Naast onderscheidingen bestaan er andere vormen van herdenken. In Almere bestaat er een wijk met Indische verzetsliedennamen en feiten in verband met het verzet. Bijvoorbeeld de Hannie Hilgersstraat, de Kapitein de Langestraat en de Groep Meelhuysenstraat. Verder wordt er bij alle herdenkingen voor de gevallenen op 14, 15 en 16 augustus automatisch stilgestaan bij de slachtoffers in Indië en Indonesië. Het Verzetsmuseum in Amsterdam heeft sinds 2005 een permanente expositie over het verzet in Nederlands-Indië. En op verschillende persoonlijke website en blogs staan verhalen en noties over het Indisch verzet.14)

Epiloog
De aandacht voor het Indisch verzet heeft lange tijd op zich laten wachten. Het is niet overdreven te stellen dat het er pas sinds de begin jaren tachtig van de vorige eeuw van is gekomen. De regering en Tweede Kamer hebben zich toen wel in korte tijd ingespannen tot erkenning te komen. Dat was wel nodig gezien de vergevorderde leeftijd van de meeste direct betrokkenen. Helaas is de erkenning voor velen pas posthuum gekomen. Met de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet heeft de erkenning ook een rechtskarakter gekregen en is er op fatsoenlijke wijze een regeling gekomen voor blijvende handicap als gevolg van deelname aan het verzet. Het Verzetsherdenkingskruis, officiële en minder officiële herdenkingen, publicaties, documentaires en andere mediale aandacht hebben het Indisch verzet de aandacht geschonken die het politiek en maatschappelijk verdient.
We hebben er in deze vijfdelige reeks ook aandacht aan kunnen geven, maar beseffen dat slechts een deel van het verzet kon worden belicht. Er zijn nog vele onderwerpen om over te publiceren. Bijvoorbeeld de Glodokaffaire, het verzet binnen de kampen, verzet in Thailand en Birma, de rol van Indo’s buiten de kampen. We zullen in de toekomst zéker de publicaties over het Indisch verzet vervolgen.

Dit was het laatste deel van 5 artikels over het verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetter

Noten
1) de Volkskrant (25-8-2998).
2) Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog. De geuzen van het Indisch verzet, pp. 403-404. Onno Sinke, Strijden voor erkenning. Vergeten verzet in Nederlands-Indië. Dagblad Trouw van 12
augustus 2009.
3) De website www.verzet.org geeft geen aandacht aan verzet in de kolonie. Het Verzetsmuseum daarentegen wèl. Zie voorts: Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog. De geuzen van het Indisch verzet, pp. 378-383.
4) In 1968 had psycholoog en fysioloog J. Hueting als voormalig uitgezonden militair in de actualiteitenrubriek Achter het Nieuws gesproken over geweldsexcessen begaan door Nederlandse militairen tijdens de politionele acties. Hiermee was een einde gekomen aan een lange tijd van stilzwijgen. In opdracht van premier P. de Jong is door Justitie een onderzoek verricht, dat resulteerde in de Execessennota, geschreven door C. Fasseur. In 1983 kwam over hetzelfde onderwerp het boek uit van J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrikx uit: Het Nederlands-Indonesisch conflict. Ontsporing door geweld. Vanaf die tweede helft van de jaren zestig is geleidelijk de geschiedschrijving over Nederlands-Indië in zijn nadagen op gang gekomen. Maar onderwerpen als de Politionele acties en geweldsexcessen en de afwikkeling van de backpay en de belangen van de Indo’s blijven in hun controverse actueel.
5) Kritische noot blijft dat dagboeken, andere egodocumenten en mondeling overgedragen ervaringen (oral history) het risico dragen van onnauwkeurigheid en te grote subjectiviteit. Echter, de publicaties van Captain en Scagliola zijn beide voorbeelden van kritisch bronnenonderzoek en aanbevelenswaardig.
6) Lizzy van Leeuwen, Ons Indisch Erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit, pp. 39-42.
7) Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog. De geuzen van het Indisch verzet, pp. 398-399.
8) Idem, pp. 400-401.
9) Idem, pp. 401-403.
10) Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog. De geuzen van het Indisch verzet, pp. 400-403.
11) Persoonlijk archief H.A.J. de la Croix.
12) Over collaboratie met de vijand: Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog. De geuzen van het Indisch verzet, pp. 315-331. Art. 2 lid 1 en art. 3 lid 3 van de Wet Buitengewoon Pensioen Indisch Verzet.
13) Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog. De geuzen van het Indisch verzet, pp. 383-384 en 388.
14) Idem, pp. 388-390.

Informatie op internet
Website Verzetsmuseum
Onno Sinke, Strijden voor erkenning. Vergeten verzet in Nederlands-Indië. Trouw van 12 augustus 2009.

Literatuur
Michiel Hegener, Guerrilla in Mori. Het verzet tegen de Japanners op Midden-Celebes in de tweede wereldoorlog.
Amsterdam 1990.
Uitgeverij Contact.
ISBN 9025468683.

B.R. Immerzeel en F. van Esch (red.), Verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetting 1942-1945.
Den Haag 1993.
SDU Uitgevers.
ISBN 9012068479.

S.M. Jalhay, Jalhays kleine oorlog.
Den Haag 1981.

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 11a. Nederlands-Indië I. Tweede helft.
‘s Gravenhage 1985.
Staatsuitgeverij.

Idem, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 11b. Nederlands-Indië II. Eerste helft.
‘s Gravenhage 1985.
Staatsuitgeverij.

Idem, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 11c. Nederlands-Indië III.
‘s Gravenhage 1986.
Staatsuitgeverij.

P.P. de Kock, De ongelijke strijd in de Vogelkop.
Franeker 1981.
Uitgeverij Wever.
ISBN 9061353157.

Jacques Leedekerken en Hans Liesker, Voorman in Verzet en Boei.
ISBN 90-9013361-5.
240 pagina’s, geïllustreerd
Prijs: € 16, – plus porto (€ 2,25; buitenland: € 3,-)
Bestellen: J.J.P. Leedekerken, tel: 0162-437282 of H. Liesker, tel.: 020-6363955.
Zie ook: de website van het Veteraneninstituut.

Elise Lengkeek, Ik beken.
Amsterdam 2009.
Uitgever: Mistral.
ISBN: 9789049951092.

P. van Meel (red.),Tanda Kehormatan KNIL.
Dordrecht 1985.
Speciale uitgave van het tijdschrift Stabelan van oud-artilleristen.
Moeilijk te krijgen, mogelijk nog via internet. Gedeeltelijke kopieën eventueel via info@indischhistorisch.nl aan te vragen. Ook: gescande pagina’s.

Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog. De geuzen van het Indisch verzet.
Bussum-Nijmegen 1996.
Uitgave van: Comité Ancol. Onder redactie van Ed Melis.
ISBN 909006172.

J. Zwaan, Oorlog en verzet in Nederlands-Indie 1941-1949 en de voorlichting aan de na-oorlogse generaties.
Amsterdam 1989.
Uitgever : De Bataafsche leeuw,
ISBN 9067072168.

Esther Zwinkels, Het Overakker-Complot. Indisch Verzet Tegen De Japanse Bezetter Op Sumatra 1942-1945.
Houten 2011.
Uitgever: Unieboek/Het Spectrum.
ISBN 9049106994.

Één reactie op “Oorlog en Bersiap | Het verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetter. Deel 5. Het Indisch verzet in het geheugen van Nederland en in de maatschappelijke context

  1. Dr. Hueting heeft op 17 januari 1969 in Achter het Nieuws gesproken. Op 25 januari is er toen nogmaals een uitzending over hetzelfde onderwerp geweest, en Dr. Hueting is nogmaals verschenen op 27 januari in Achter het Nieuws. In 1968 heeft Dr. Hueting met de Volkskrant een interview gehad, n.a.v. zijn proefschrift, waarin een van zijn stellingen was dat het vreemd was dat er nog geen wetenschappelijk psychologisch en sociologisch onderzoek is gedaan naar, wat Dr. Hueting noemt, de oorlogsmisdaden in Indonesie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.