Oorlog en Bersiap | Dampit en andere Malangse herinneringen van Martin Berghuis

Inleiding door de redactie
Martin Berghuis is in 1927 in Bandoeng geboren, waar hij tot 1935 woonde totdat zijn vader met pensioen ging. Het gezin ging in Nijmegen wonen, naast hemzelf waren er nog drie oudere zussen. Martin Berghuis: “Mijn vader vond Nijmegen de ideale stad. Na Den Haag woonden daar de meeste Indische mensen, waarschijnlijk door de Koloniale Reserve in de Prins Hendrik Kazerne. Mijn moeder had een hekel aan de koude winters en werd ziek. Op het laatste nippertje, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog konden we naar Indië terugkeren. We settelden ons in Malang. Op school was ik een vreemde snoeshaan, een buitenstaander. Ik had een Nijmeegs accent en kende de gebruiken daar helemaal niet. Oh, wat heb ik Nijmegen gemist! Ik wilde, bij wijze van spreken, wel terugzwémmen naar Nijmegen. Na de oorlog in 1950, toen we weer naar Holland gingen, probeerden we in Nijmegen te komen, maar dat lukte niet. In 1960 vertrok ik naar Amerika, maar de jaren in Nijmegen waren voor mij de mooiste van mijn jeugd.” Hij verklaarde later dat hij Nijmegen altijd beschouwd heeft als zijn hometown, daar ik zowat de hele Lagere Schooltijd in Nijmegen heb gewoond en dat waren de mooiste jeugdjaren. Martin Berghuis: “Wij woonden in de Jozef Israelstraat 12. Ik zat op de openbare school aan de van Nispenstraat, De Leerschool.”.
Bron: Weblog Richard Preijers

De Jappentijd in Malang: een persoonlijke impressie
Op 9 Maart 1942 kwamen de Jappen Malang binnen. Ik was veertien jaar oud en moest net van mijn ouders een boodschap doen bij Boelman Apoteek op Kajoetangan. Ik huilde toen ik dat zag, vooral omdat alle Indonesiers aan de kant van de weg de overwinnaars toejuichten. De Jappen zagen er erg vies en onbeschaafd uit met grauwkleurige uniformen. Een paar dagen daarvoor hadden we al de strijd tegen de overmacht moeten opgeven. We waren wanhopig, want we wisten niet wat ons te wachten stond. De overdracht ging geleidelijk maar toch nog vrij vlug. In de Rampalbuurt werden de kazernes vlug omgezet in interneringskampen en onze militairen, die krijgsgevangenen werden gemaakt stroomden binnen. Iedere KNIL militair die zich niet meldde in een bepaalde tijd zou de doodstraf krijgen. Op een dag waren een paar militairen ontsnapt en die werden meteen gefusilleerd.
Een van de eerste dingen die de bezetter deed, was te proberen zo veel mogelijk geld in de schatkist te krijgen. Een soort registratie voor vreemdelingen werd in het leven geroepen. Nederlandse mannen moesten 150 en vrouwen 100 gulden betalen, Chinezen en Arabieren respectievelijk 100 en 80 gulden. Ja dat was de eerste keer, maar niet de laatste keer dat we als vreemdelingen beschouwd werden in ons geboorteland. Geruchten deden de ronde dat als je betaalde, ze jou verder met rust lieten. Honderd gulden was een heleboel geld in die tijd, als je rekent dat het pensioen van mijn vader 220 gulden per maand was, in die tijd een heel goed pensioen. Mijn moeder heeft toen al haar sieraden moeten verkopen om dat bedrag te kunnen opbrengen. Ze had van die mooie slangenarmbanden van massief 23 karaat goud: die gingen voor een prikje weg natuurlijk.
Ondanks de registratie, die ons zou vrijwaren van Japanse kampen werd mijn vader na een maandje al opgepikt en naar de Boeboetangevangenis in Soerabaja overgebracht. Mijn vader die al sinds 1935 met pensioen was, werkte vlak voor de oorlog bij de Lucht Beschermingsdienst (LBD) als secretaris. Dat zou de reden zijn geweest dat hij werd opgepakt. Na elf dagen werd hij echter weer vrijgelaten, maar niet voor lange tijd. Alweer na een paar weken werden alle mannen 17 jaar en ouder met de Nederlandse nationaliteit opgepakt en naar Kesilir gebracht. Kesilir ligt in de omgeving van Banjoewangi. Ik was net te jong daarvoor en werd niet meegenomen, wat ik later erg betreurd heb. Ik zou het lot van mijn vader misschien hebben kunnen verlichten. Hij overleed op 8 Juli 1945 in het kamp door ondervoeding en ziekte. Mijn vader was een man die ik praktisch nog nooit ziek had gezien.
Wat ik nu beschrijf is de situatie zoals die alleen in Malang was. Op andere plaatsen waren de bezetters minder streng. Jongelui van mijn leeftijd, dus tot zeventien jaar oud, hadden buiten school verder niets te doen. Alle Nederlandse scholen werden gesloten en het Nederlands werd verboden. Nederlands spreken konden ze nooit helemaal verbieden, maar de briefwissling moest uitsluitend gedaan worden in het Maleis (Bahasa Indonesia bestond toen nog niet). Wij zochten elkaar op en slenterden overal rond in groepen. Wij gingen in die tijd veel naar zwembaden toe en ook beoefenden we andere sporten, waardoor het leven voor ons jongelui zo wel vol te houden. Een ding moet de lezer voor ogen houden dat wij teenagers waren. Een leeftijd waarop je soms jezelf in de weg staat.

Gedwongen werken in Dampit, Telogosari: de eerste latihan (oefening)
Dat zat natuurlijk helemaal scheef bij de Jappen. Dus de meesten van ons kregen een oproep voor een latihan (oefening). We werden naar kamp Telogosari , een rubberonderneming bij Dampit gebracht. Daar moesten we hout verzamelen en en er houtskool van branden. Alle rubberbomen op die onderneming waren toen al geveld. We lagen op grote loodsen waar men rubber opsloeg. Ieder had zijn eigen tikar (gevlochten matje van een pandansoort) waar we in rijen sliepen. ’s Avonds konden we nog wel het dorpje in om wat te gaan kopen, dus dat ging nog wel.
De Jappen dachten dat ze ons nou behoorlijk een lesje hadden gelezen, maar toen we na een paar weken weer vrij kwamen vielen wij in dezelfde routine. Mooie kippetjes (meisjes) kijken op Kajoetangan enz. enz. Meer dan kijken was er voor ons niet bij, in 1942 waren de jongelui nog niet zo vrij als tegenwoordig.

Tewerkgesteld in Lawang
Toen kwam de Jap op het idee om ons wat meer discipline bij te brengen. Ongeveer 80 jongens werden eruit gepikt en naar Lawang overgebracht. Hier kregen wij een paramilitaire opleiding gelijk als de Seinendan (te vergelijken met de Hitler Jügend). Onze leiders waren Yamashita en twee Indonesische assistenten, bijgenaamd de Hanglip en de Dikke). We werden kaal geschoren en kregen een Japans petje op, maar houten geweren, zoals de andere inheemse seinendan, kregen we niet. De uitleg die we hiervoor kregen was: ”Wij weten dat jullie tot de vijand behoren”.
De eerste dag was het al raak, we moesten na onze taiso (gymnastiek) 3 Km joggen. Alleen enkelen konden dat volhouden en de meesten vielen uit. Maar daar het eten voor de meesten voldoende was werd ons gestel steeds sterker. Na een paar weken viel niemand meer uit bij de kakiyas (joggen). We moesten elke dag exercitie doen op het veld achter het station in Lawang. Na een tijdje liepen we in groepsverband als robots. Daar moesten we leren schreeuwen. Een mannetje werd aan het eind van het veld gezet en we moesten verschillende Japanse commando’s geven; als hij dat niet kon horen dan kregen we meppen. Om het minst geringste kregen we straf. Ze hadden de vreemdste straffen uitgevonden. Als de hele groep iets fouts had gedaan dan moesten we tegen over elkaar staan en elkaar klappen geven. Als dat niet hard genoeg ging dan kwamen ze dat ons voordoen. We leerden daar ook een heleboel Japanse legerliedjes die we moesten zingen als we van en naar het exercitieterrein moesten lopen. We leerden de woorden maar wisten niet wat het betekende, dus dat was voor ons geen bezwaar, maar we weigerden een Maleis lied te zingen, dat ging zo: ”Awaslah Ingris dan Amerika, moesoeh seloeroeh Asia” (“Kijk uit voor Engeland en Amerika de vijand van geheel Azië”). We kwamen wel eens de inheemse Seinendan tegen en dan zongen ze dat, en schreeuwden er achter:”Belanda djoega” (“ook Nederlanders”). We werden daar werkelijk keihard opgeleid. Om de beurt moesten we sotaycho (peletonleider)zijn. Op een dag moest ik het zijn en ik werd uitgelachen door de jongens over de manier waarop ik het Japans uitsprak op het appèl. De Dikke nam een stuk brandhout en gaf me een paar flinke meppen op mijn gezicht maar dat deerde mij helemaal niet, zo hard waren wij daar geworden. De grootste en sterkste kerel van onze groep was Miel Steneboom, en hij was met recht een boom van een kerel en daarbij nog een hele sympathieke persoon. Hij is dan ook later in de gevangenis overleden, met zo’n lichaam heb je meer voeding nodig dan het gevangenisrantsoen voorschrijft.

Na Telogosari en Lawang: naar Soember Gesing
Er waren ongeveer 300 tot400 jongens van deze leeftijd in Malang en wat de bedoeling was van de Jap om de Lawanggroep leiders te maken voor die andere jongelui. Maar dat was helemaal mislukt want we werden later naar een koffieonderneming Soember Gesing gebracht , waar we hout moesten hakken voor de spoorwegen. We werden daar zo’n beetje aan ons lot overgelaten en we deden niet veel en na een tijdje liepen er steeds jongens weg naar huis. Een paar Indische dames o.a. mevrouw Van Drongelen stonden in de keuken en het eten was niet slecht. Ik had toen een hele zak vol met loewakkoffie verzameld. De loewak is een civetkat die alleen rijpe koffiebessen eet, de bessen verteren in hun lichaam maar de koffie in de harde schil niet. Deze werd beschouwd als de beste koffie. Na een tijdje hebben we allemaal de benen genomen en zijn op eigen houtje terug gegaan naar Malang. De Jap was werkelijk kwaad dat we er een potje van gemaakt hadden en we werden weer opgeroepen voor een registratie. Deze veelvuldige registraties waren een goede manier voor de Jap om ons in de gaten te houden.

Hierbij een afbeelding van een registratie. Let op de rode stempel met het jaar 2605, de Japanse jaartelling voor 1945. Deze kaart werd al in het begin van de bezetting uitgegeven. De stempels kregen wij bij een latere registratie.

Pagina9_clip_image001

Foto: privécollectie M. Berghuis

Na het fiasco van Soember Gesing werden we weer opgeroepen en er werd ons twee kritische vragen gesteld:
1. Zijt ge bewust dat ge Oost Aziaat bent?
2. Zijt ge bereid afstand te doen van het gevoel van aanhankelijkheid aan de Nederlandse Kroon?
De meesten hebben hierop Nee Nee geantwoord en we waren daar trots op. Dit heeft De Jap waarschijnlijk heel kwaad gemaakt en we werden weer opgeroepen voor een andere latihan in Soember Gesing. Daar gingen we weer, maar deze keer ging alles er minder vriendelijk aan toe. Van Malang gingen we met de stoomtram naar Dampit en moesten van daar uit naar de onderneming Soember Gesing lopen, ongeveer 7 km, wat een heel eind was met onze bagage.
De volgende afbeelding is van het (vreemdelingen)registratiebiljet, dat ik moest hebben toen ik 17 werd. Ze hadden het bedrag van 150 gulden verlaagd naar 100 en ik kon het in 10 betalingen voldoen. Toen ze er achter kwamen dat er van mij niets meer te halen was werd ik na twee betalingen vrijgescholden. Ook een pasfoto was niet meer nodig.

Het kamp Soember Gesing had nu een heel ander karakter. Het leek nu meer op een concentratiekamp. We mochten niet de kampong in om eten te kopen en wat er aan voedsel verstrekt werd was maar armzalig. Een van de jongens Ruyter de Wild kon de verleiding niet weerstaan en is ’s nachts uit het kamp geslopen om eten te halen. Als ik me niet vergis was dat kwee tjoetjoer (een soort gebakken koek). Hij werd de volgende dag gegrepen en we moesten met zijn allen aantreden om hem per persoon twee klappen te geven in zijn gezicht. Ik zal zijn bloedend gezicht nooit meer vergeten. Vervolgens moest hij met de koeken aan een touw geregen om zijn nek de hele dag in de zon staan.

Ondervoeding was na een tijdje al heel gauw aan ons te merken. Wij moesten daar houthakken voor de spoorwegen, want er was een groot gebrek aan steenkool. Op een dag liep ik een schram aan mijn enkel op en na drie dagen was het al zo groot als een gulden. Dat was de beruchte tropische zweer, die later de meesten van ons opliepen door vitaminengebrek. Deze zweer begon heel hard te groeien en op een gegeven ogenblik kon ik niet meer lopen. Met zijn negenen zijn we toen naar het Soekoen ziekenhuis in Malang overgebracht en dat bleek later onze redding te zijn geweest. Alleen enkele namen van die groep jongens kan ik me nog herinneren, Mouthaan en Paulus.
We lagen daar in een afdeling wat men voor de oorlog de Inlandse afdeling zou noemen. De wc’ s waren van het type dat je moest hurken om je behoefte te doen. We lage daar op een grote zaal met romusha’s, dat waren Indonesische werkers die voor de Jap vliegvelden en andere projecten moesten bouwen. Deze mensen waren allemaal doodziek, de meesten hadden bacilaire dysentrie of malaria. Niet dat wij met zijn negenen minder ziek waren. Wij waren hoofdzakelijk ondervoed, maar gelukkig zijn wij gevrijwaard van malaria en dysenterie. De romusha’s stierven op onze kamer bij bosjes. Om de lezer een idee te geven hoe hard we zijn geworden door deze situatie, we gingen onder elkaar wedden, welke Romusha het eerste het loodje zou leggen. Dan kwam het wagentje om weer eentje weg te brengen. Die wagentjes hadden een tikgeluid net als een versnelling van een fiets. Ofschoon het eten niet veel zaaks was, waren het voor ons godenmaaltijden, want het eten in Soember Gesing was praktisch niet geschikt voor menselijk voedsel. De eerste dag dat ik daar was kreeg ik een kop thee met suiker. Ik heb de suiker niet in mijn thee gedaan, maar korrel voor korrel opgegeten, zodat ik er langer van kon genieten. Ik heb nooit van mijn leven van terong (aubergines) gehouden, maar daar vond ik het in de sajoer een heerlijkheid. Wij mochten daar ook bezoek ontvangen en mijn moeder kwam daar met een rantang (etensdrager) met eten, waaronder heel erg veel nasi goreng. Onze magen waren behoorlijk ingekrompen, zodat we niet erg veel konden eten. Ik weet nog goed dat ik midden in de nacht de rest van de nasi goreng heb opgegeten. We hadden hele lieve Indonesische verpleegsters, dus dat maakte ons verblijf niet helemaal onaangenaam, maar er was groot gebrek aan medische artikelen en medicijnen. De gedroogde bast van de bananeboom was ons verband en voor mijn tropische zweer gebruikten ze permangaan om het schoon te maken en daarna witte poeder die ze ‘chloroform’ noemden, maar ik heb het vermoeden dat het hoofdzakelijk talk moet zijn geweest. De extra voeding deed ons waarschijnlijk meer goed dan de medicijnen. Na een tijdje begon dat ons te vervelen en we zijn op een dag gewoon naar buiten gelopen en met een dokar (voertuig met paard) naar huis gegaan. Het heeft nadien nog wel zes maanden geduurd eer ik weer een beetje kon lopen. De tocht naar de wc moest ik maken op twee handen en een been. We hadden wat permangaan kunnen bemachtigen en dat was de enige manier wat we gebruikten. Het wou maar niet genezen, hoofdzakelijk omdat om de wond een hele rand is ontstaan. Het leek zo’n beetje op een krater met heel veel lava, dat elke dag schoongemaakt moest worden. Daar we haast geen genezing zagen, zijn we toen naar dr. Soesman gegaan. Hij was de enige Nederlandse dokter buiten de kampen. Toen ik bij hem kwam zei hij: “ga hier maar even liggen” en knipte zo de hele rand van de wond eraf. Ik had mijn rechterhand op de nek van zijn Menadonese assistent. Ik geloof dat ik zowat zijn nek heb omgedraaid van de pijn en mijn kreet was tot de straat hoorbaar. In November 1944 zijn we ongeveer naar het ziekenhuis Soekoen gebracht en het was tegen april 1945 toen ik weer kon lopen. Met een groep Indische jongens zijn we toen gaan werken als sjouwer voor de Jap om maar niet in de gaten te lopen, want we hoorden dat er al vele jongens in de gevangenis zaten. Enkele namen die ik me nog kan herinneren van die jongens die bij de Jap werkten, waren Peggy van Rhoon, Wim Meurs en Theo Ziesel. We konden daar vaak wat gappen, dus dat was het grootste voordeel van het werk.
Op een dag stonden we te praten met een vriendelijke Jap en hij vertelde dat ze in Japan iets nieuws hadden uitgevonden ……..een bom. Die bom doodde alles in een grote omtrek, mensen, mieren en allerlei levende wezens. Maar hij wist het waarschijnlijk zelf niet dat er twee atoombommen op Japan zijn gegooid. Wij trouwens ook niet, pas weken daarna hoorden wij het. Wij moesten wagons vol met voedsel inladen en dat hebben ze natuurlijk meteen in schepen geladen naar Japan. Een bevrijdingsfeest hebben wij eigenlijk nooit meegemaakt, want kort hierna begon de Bersiaptijd, maar dat is een ander hoofdstuk.

© Martin Berghuis 2001

Één reactie op “Oorlog en Bersiap | Dampit en andere Malangse herinneringen van Martin Berghuis

  1. mijn naam is michel fanoy geb 1929
    verbleef in malang van feb 42 tot juni 46
    op registratie krt 2 jr jonger oeregistreerd
    opgeroepen voor latihan arbeid van dec 44 – ca mei 1945
    werden plotseling niet meer opgehaald toen am jacht vliegtuigen p 38 lightning kwamen overvliegen
    dag arbeid aan verkeerspunten rondom malang ,enkel met indonesiers van gelijke leeftijd
    groep van ca 12 ,
    bewaking , een japanse soldaat en korporaal met bewapening
    tijd van 7 – 16 uur
    bikken , patjollen en sjouwen van aarde en stenen
    van centraal punt naar werkplek iedere dag retour
    geen eten of drinken
    zelf meenemen
    adres toen verlengde sophiastr

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.