Oorlog en Bersiap | Birma -Siam spoorweg. Deel 10. Zielzorg en troost voor de krijgsgevangenen aan de Dodenspoorwegen: legeraalmoezenier Ezechiël Vergeest

Pieke Hooghoff

In de reeks artikels over de Dodenspoorwegen deze bijdrage over de geestelijke verzorging van de werkers aan de spoorlijnen. Tienduizenden krijgsgevangenen en dwangarbeiders waren in de periode 1942-1945 in Thailand, Birma en Sumatra door de Japanse bezetter gedwongen onder vreselijke omstandigheden spoorlijnen aan te leggen. De bezetter dwong ruim 61.000 krijgsgevangenen tot de aanleg van de lijn. Onder hen 17.000 Nederlandse en  Indisch-Nederlandse KNIL-militairen en gemobiliseerde burgers. Het aantal Nederlandse slachtoffers bedroeg 3272. Van de 7500 Javanen overleefden er 2900 het niet, 39%. De gemiddelde sterfte van alle werkers was 41%. Het grootst waren de verliezen bij de romusha’s, de Indonesische dwangarbeiders. Van de naar schatting 177.000 is bijna 50% nooit meer thuisgekomen.

In dit artikel staat de persoon van pater Ezechiël Vergeest centraal. Zijn nagelaten persoonlijke documenten die in het bezit zijn van de nicht van Pater Vergeest, Truus Essers, vormen de bron van dit verhaal. Aan de hand van deze documenten kon een completer beeld van deze opmerkelijke aalmoezenier die vrijwillig met de krijgsgevangenen meeging, worden samengesteld.

Pater Vergeest  
1. Vergeest PasfEzechiël Vergeest (1906-1979) was een priester-legeraalmoezenier en lid van de orde van de Kapucijnen in Tilburg. Hij was opgegroeid in het Noordoost-Brabantse dorp Beers in een gezin met tien kinderen waarvan er zeven pater, broeder of zuster zijn geworden. Hij is bekend geraakt als een dappere en beminnelijke geestelijke die de krijgsgevangen ondersteunde bij hun onmenselijk zware werk aan de Birma-Siam spoorweg. Vergeest was een charismatisch figuur die zijn jongens bijstond in de krijgsgevangenkampen in Thailand (toen Siam genoemd) ten oosten van Bangkok. De pater was erg geliefd door zijn optimisme en zijn praktische instelling. Hij werd de Engel van Birma (-Siam) genoemd, een  benaming die hij altijd wegwuifde.

Vergeest_kind

De jonge Ezechiël Vergeest samen met ouders, broers en zussen. Datering niet achterhaald. Ook niet waar Ezechiël op de foto staat

Na de oorlogsjaren werd hij weer pastoor in verschillende plaatsen op Sumatra. In de jaren vijftig en zestig wanneer Pater Ezechiël in Nederland met verlof was voor onder meer de reünies voor de oud-krijgsgevangen,verschenen er stukjes in de krant over zijn leven en werk. De reünies van de Birmaspitters, zoals zij zichzelf noemden, werden elke vijf jaar in Scheveningen of Utrecht gehouden en trokken regelmatig tegen de tweeduizend mensen. Vergeest bleef naspeuringen doen aan de hand van zijn gegevens om zoveel mogelijk overlevenden of nabestaanden te bezoeken en hen verslag te doen van wat er was gebeurd. Ook hield Vergeest tientallen lezingen in het land. Hij noemt ook zijn hechte vriendschap met dominee Catrinus Mak. In 1952 werd hem en ook aan dominee Mak door generaal-majoor J. A. Scheffelaar de hoge onderscheiding Verzetsster Oost-Azië uitgereikt om hen te eren voor zijn verdiensten als legeraalmoezenier in de krijgsgevangenkampen.  Aalmoezenier Vergeest bleef zijn verdere leven als missionaris op Sumatra in Indonesië werken.  Hij ligt begraven in Pematang Siantar, Noord-Sumatra.

Zielzorg aan de Birma-Siam spoorlijn
Aan de katholieke legeraalmoezenier en pater kapucijn Ezechiël Vergeest en zijn collega de gereformeerde legerpredikant Mak werd voordat het transport vertrok, door de Japanse kampcommandant gelegenheid geboden het kamp te verlaten. Beiden verkozen in 1942 met het benauwde troepenschip de Kyokaisei Maru met duizenden krijgsgevangen mee te gaan, en daarmee een onzekere en heel zware toekomst tegemoet. Legerzielzorgers hadden de rang van officier of hoger en voelden zich ook militair. Aalmoezeniers werden door de Japanners niet tot de gevangenkampen toegelaten, maar Vergeest drong erop aan dat hij toegelaten wilde worden en dat lukte hem. De  krijgsgevangenkampen lagen ten oosten van Bangkok. De kampen lagen 50 tot 200 km van elkaar verwijderd en werden meestal door hem te voet bezocht.
4. KampTek
Hij rekende het tot zijn zielzorgtaken om alle jongens (zoals hij ze noemde) te bezoeken, de biecht af te nemen en het moreel op te peppen. Ook wilde hij opkomen voor de manschappen op het punt van de kwaliteit van het voedsel (dat zeer slecht was) en om de staf te bewegen zich te matigen in straffen.  Maar zijn belangrijkste opdracht vond hij zelf het bijstaan van de zieken en stervenden en de zorg voor een minimale begrafenis.  In zijn gebied bleken later bijna 2.400 doden te betreuren.
Zonodig deden Vergeest en Mak het zware werk, maar dat werd meestal verboden. Al snel hadden zij erg veel werk, omdat er velen ziek werden door de zware omstandigheden in de vochtige jungle, het gebrekkige gereedschap wat het werk lichamelijk zeer belastend maakte, de vele insecten en het ontbreken van goede hygiëne en geneesmiddelen.

Ze ervoeren weinig verschil in uitleg en godsdienstbeleving van katho­lieken en protestan­ten. Als iemand om een vloeitje voor het draaien van een sigaret vraagt zijn beiden bereid een dun velle­tje uit het psalmen­boekje of het brevierboek te scheuren. Hooguit waren de verschillen te zien in de zichtbare symbolen als de door Vergeest in elkaar gezette altaarkoffer, wat liturgische voorwerpen en de bruine Kapucijnen pij. Deze  beschermde hem en hij kon er geheime zaken zoals zijn notitieboekje in verbergen. Bij de vele verplaatsingen van kamp naar kamp droegen de pater en de dominee samen het meeneem-reis-altaar.
Het uitvoeren van de katholieke godsdienstige taken (de sacramenten) probeerde Vergeest zo goed mogelijk te doen, al was het met geïmproviseerde middelen. De attributen die hij nodig had om de Heilige Mis te lezen had hij in zijn houten miskoffer die hij als klein altaar gebruikte. In het periodiek van de Kapucijnen Kap en Koord (2008) staat een artikel met daarin opgenomen een tekening op noodpapier van Vergeest en Mak onderweg.

mak_en_vergeest

Pater Vergeest en dominee Mak dragen gezamenlijk de mobiele altaarkist. Tekening in het Kapucijner periodiek Kap en Koord

Kameraad dominee Mak
Vergeest is ook tot leven gebracht in het boek De eeuw van mijn vader (1999), geschreven door zijn zoon de publicist van met name geschiedenisboeken Geert Mak, waar de belevenissen van Dominee Catrinus Mak in de gruwelijke omstandigheden van het werk aan de Birma-Siam-spoorweg (aan de Thaise kant) naar voren komen.  Fragmenten uit dit boek zijn verwerkt in een essay op de website geertmak.nl getiteld: De Indische kampen: een paar losse gedachten van een nakomertje : intro ductie bij de openingsbijeenkomst van de tentoonstelling ‘Sporen van het verleden. De Birma-Siam spoorweg 65 jaar later’ in Herinneringscentrum Westerbork, 13 augustus 2010.
(Bron: www.geertmak.nl/nl/Leven/Essays/491.html)   

De zoon van dominee Mak, de bekende publicist Geert Mak schrijft op zijn website:

“Het kamp had van hem (dominee Mak), zelf vroeger ook een brave gereformeerde, redelijk dogmatische, koloniale dominee, een ander mens gemaakt. En dat gold, en geldt, denk ik ook voor veel van zijn kameraden. Het brave, tevreden leventje van Tempo Doeloe was voor hen allemaal voorgoed voorbij. Zijn beste vriend was nu een katholieke priester, pastoor Ezechiël Vergeest, waarmee hij al die jaren lief en leed deelde. Nederlandse hokjes telden sindsdien niet meer voor hem. In Medan had hij volop meegedaan aan het blanke koloniale leven, in het kamp had hij de ongekende kwaliteiten – zeker op overlevingsgebied – van zijn Indische kameraden volop leren kennen en waarderen. Rare koloniale praatjes zou je sindsdien nooit meer in ons gezin horen, en mede op basis daarvan ontstond er na de oorlog al snel, misschien geen steun, maar wel volop begrip voor het Indonesische onafhankelijkheidsstreven. Het kamp, met al zijn prikkeldraad, had zijn geestelijke horizon enorm verruimd. En dat gold trouwens ook voor mijn moeder “(…)
(Bron: www.geertmak.nl/nl/Leven/Essays/491.html)

Notitieboekje
9.B Notitieboek Voorkant -Met zijn opgeruimd humeur was Vergeest de gereformeerde Mak ook vaak tot steun. De details van de gegevens van de krijgsgevangenen uit zijn notitieboek worden door een nabestaande van de Birma-Siam-spoorweg in samenwerking met de Stichting Herdenking Birma-Siam Spoorweg en Pakan Baroe Spoorweg, SHBSS, geanalyseerd. In het geheim had hij een overzicht bijgehouden van de overledenen in een klein notitieboek, terwijl het in bezit hebben van papier en schrijfmateriaal absoluut verboden was. Daar stonden plattegronden van de begraafplaatsen, de namen van de gestorvenen in met de data van hun overlijden en tevens de doodsoorzaak. Het boekje is op allelei plaatsen verstopt geweest, onder de grond, in een stuk holle bamboe en in de plooien van de pij van de pater. 

8.B Achterkant bord

De onderkant van het etensbord met de namen van kampen erin gekrast

Bij ontbreken van papier krasten krijgsgevangenen tekeningen op aluminium etensborden of op pannetjes. Zo zijn de stripachtige illustraties ontstaan op zijn bord. Het is niet bekend wie de tekeningen heeft gemaakt en wat ze precies voorstelden. Op de bodem staan de namen van de kampen gekrast: Kmapnaman, Lawe-Segala, Gloegoer, Belawsn, Thambyurzayat, Tavoy, Wagale, Kandow, Retpu, Payathonzi, Canchanbury en Bangkok.

8. Kampbord voorkant

In 2013 is het 70 jaar geleden dat de spoorlijn Birma-Siam gereedkwam en er zijn nog enkele ooggetuigen in leven die hun verhaal kunnen vertellen. Er komen steeds nieuwe documenten tevoorschijn waardoor gegevens over ziektegeschiedenissen of leefomstandigheden van overleden familieleden kunnen worden achterhaald.
Het notitieboek van Ezechiël Vergeest is een belangrijk historisch document dat zich jaren bij de familie bevond. Nu het herontdekt is, zal het aan nauwkeurig onderzoek worden onderworpen. Medewerkers van de (SHBSS) zijn in contact gekomen met ondermeer de heer W. van de Corput die namen van personen uit het notitieboek nagaat en met het Indisch Herinnerings Centrum voor een expositie.

Het verslag voor de Hoofdaalmoezenier
Bij de krijgsmacht was men verplicht voor de legerleiding verslagen te maken van oorlogshandelingen en krijgsgevangenschappen. Ook aalmoezeniers (geestelijken die de strijdkrachten begeleiden) maakten verslagen over de pastorale of praktische problemen bij de zorg voor de militairen.
Ezechiël Vergeest rondde zijn verslag ‘van de legeraalmoezenier A. H. W. Vergeest op het einde van zijn taak in Siam, samengesteld op verzoek van den Hoofdlegeraalmoezenier (15 augustus 1946)’ (lit 2) af in de periode na de capitulatie van Japan toen hij nog in Bangkok verbleef. Vergeest geeft een groot aantal zogenoemde ervaringsconclusies en doet aanbevelingen voor het pastoraat over een betere voorbereiding en organisatie.

Xtr.Tek Spoorwerk( Muse 01_3864_W)

Vergeest_notitieboek_graven

Tekening met ligging van de begraaflocaties van de tijdens het werk gestorven krijgsgevangenen. Deze locatie is op 100 km vanaf het begin van de spoorlijn

Het verslag van Vergeest beschrijft de omstandigheden van het pastoraat onder krijgsgevangenschap, de geestelijke verzorging, de pastorale problematiek na de capulatie van Japan (het morele verval, de snelle huwelijken van de ex-gevangenen met Thaise meisjes en de ontrouw) en de evaluaties. Het is een helder, informatief  en zeer uitgebreid verhaal van ongeveer dertig pagina, een belangrijke bron voor de gebeurtenissen in de kampen. Later noemde men de geestelijk verzorgers ook wel de archivarissen van de kampwerkers; dit gaat zeker voor pater Vergeest op. Hij gaat uitvoerig in op de situatie van de kampen waar hij zich bevond; de organisatie en de rolverdeling van de opzichters (meestal Japanners) en de bewakers (Koreanen) en het zeer gebrekkige arbeids- en betalingssysteem. Ook schetst hij de medische situatie: de moeite die artsen hadden om zo gezond mogelijke werkers aan het werk te sturen. De verplegers van de eigen mensen moesten het doen zonder medicijnen of deugdelijke verbandmiddelen, maar ze waren zeer geliefd.  

De teksten van pater Vergeest bleven een een belangrijke bron van studie. Hoofdaalmoezenier Van Iersel publiceerde in 2001 een uitgebreide analyse over het Verslag van Vergeest uit 1946 (samen met Jan Jacobs en Louis Donckers) waarbij hij pleitte voor een praktisch-theologisch instrument voor pastoraten. Dit model paste hij toe op de tekst van Vergeest, die werd aangeduid als een leider met zelfwaardering die een juiste taakanalyse en taakperceptie bezat. [Fred van Iersel: Geestelijke verzorging in een Jappenkamp. Religieus leiderschap in context. Budel, 2001]De analyse van het verslag van Ezechiël Vergeest maakte in 2004 deel uit van het lijvige proefschrift van A. J. Donckers. God bij het leger in de kolonie. Een geschiedenis van het pastoraat als geestelijke verzorging in Nederlands-Indië, 1807-1950. Budel, Tilburg, 2004.

Informatie op het internet
www.geertmak.nl/nl/Leven/Essays/491.html
Brabants Historisch Informatie Centrum
Fred van Iersel: Geestelijke verzorging in een Jappenkamp. Religieus leiderschap in context. Budel, 2001. Download PDF

Literatuur
A. J. Donckers, God bij het leger in de kolonie. Een geschiedenis van het pastoraat als geestelijke verzorging in Nederlands-Indië, 1807-1950,  Budel, 2004.
Fred van Iersel: Geestelijke verzorging in een Jappenkamp. Religieus leiderschap in context. Budel, 2001
Geert Mak, De eeuw van mijn vader, Amsterdam 1999.

7 reacties op “Oorlog en Bersiap | Birma -Siam spoorweg. Deel 10. Zielzorg en troost voor de krijgsgevangenen aan de Dodenspoorwegen: legeraalmoezenier Ezechiël Vergeest

  1. Wat een boeiend relaas over een stuk geschiedenis dat alleen van naam (‘Birma spoorlijn’ ) bekend is. Zo’n persoonlijk verhaal kleurt dit stuk geschiedenis is en doet recht aan de gestorvenen en nabestaanden . Mooi dat een klein document zoveel kan onthullen, verklaren , toelichten en wat bijzonder dat het nu opduikt.

  2. Mijn vader was de heer Leonardus C.L van Veldhuizen. Hij was bij het KNIL als sergeant werkzaam. Gevangen genomen als velen was hij op transport met een schip naar Birma. Op hetzelfde schip waren dominee Mak en pater Vergeest mee.

    Mijn vader zat of lag(?) tussen beiden in aan boord tijdens het vervoer. ,zo vertelde hij vaak
    .Zijn kameraden zeiden volgens hem er het volgende over:
    “Of “de Blauwe “(zijn bijnaam) wordt bekeerd…of de 2 anderen worden heiden!”
    Mijn vader heeft altijd met het grootste respekt en vriendschap over pater Vergeest en dominee Mak geproken, zo lang hij leefde.

    Met veel interesse heb ik het boek van Geert Mak later gelezen en veel herkend in de feiten en omstandigheden die er beschreven werden.

    Door toeval vond ik het verhaal van pater Vergeest ; fijn meer over hem gelezen te hebben. Noor Wenisch

  3. Een indrukwekkend verhaal welke ons ook zo bekend daar wij va. 2006 intensief bezig zijn geweest de verhaallijn van mijn (schoon) vader Sijtje Jeekel in kaart te brengen, overleden in kamp km100, het heeft ons zeer veel informatie opgeleverd. Toch maakt het zien van het notitieboekje en de plattegrond uit kamp km 100 ons enigszins nerveus. “Zou pater Vergeer ook de naam van mijn (schoon) vader hebben genoteerd..”

    In 2007 en 2008 zijn wij samen met OGS in Birma geweest en hebben we een bezoek gebracht aan het graf op het het ereveld te Thanbyuzayat, het was zeer emotioneel. Daar hebben wij in 2008, Jan Pieter Bal en Hugouw Bal mogen ontmoetten, de kleinzonen van de heer P.A.Streefland ( Brastagi,Sumatra) welke in kamp km55 op 3 dec 1943 is overleden. Pater Ezechiel Vergeest heeft ook in kamp km 55 van de graven in zijn notitieboekje een plattegrond getekend weten wij, en een namenlijst opgesteld waaronder de naam van Pieter Arie Streefland. In samenwerking met de heer Jac.Z.Brijl is het alsnog gelukt om voor hun beide Opa’s op 8 mei jl (na 70jaar) de versierselen toegekend te krijgen en zijn deze door burgemeester de Bruin van Papendrecht aan de kinderen van Pieter A.Streefland en de kleinkinderen van J.M Bal, Jan Pieter, Hugouw en Marga overhandigd. Voor beide families was dit een zeer indrukwekkende en emotionele gebeurtenis. Want ook de heer J.J.J.M Bal uit Medan werd verscheept op 15-5-1942 vanuit Belawan naar Birma met het Hell-ship de Kyokusei Maru.

    Wij hebben voor de familie de gebeurtenissen geplaatst op site van OGS, “Het verhaal bewaard” en zijn dankbaar hen hierbij behulpzaam te zijn geweest.
    lees verder op: http://srs.ogs.nl/slachtoffer/149847/pieter-arie-streefland/
    http://srs.ogs.nl/slachtoffer/5921/jan-jacob-johannes-marinus-bal/

  4. Would you be able to forward any links or information regarding Father Vergeest and his army friends regarding their time in Thailand as prisoners of war, particularly at Kindaiyok and Rintin.
    I am aware of Padre Hamel, as my father knew him at Kinsaiyok, Non Pladuck and at Fukuoka camp 17 Omuta.
    Regards,
    Bryan

  5. Zie voor nadere informatie dit artikel over pater Ezechiël Vergeest:

    Piet van Asseldonk, Gestorven in een jappenkamp, Met Kap en Koord, jaargang 54, nummer 3, augustus 2014, blz. 18 en 19,

  6. Mijn vader en ooms hebben ook in de kampen met past. Vergeest gezeten.Ik zelf ben in een Jappenkamp in Kuta Radja geboren. Na de oorlog zijn mijn ouders in Medan gebleven en ik heb tot mijn vertrek uit Medan in 1963, pastoor Vergeest heel goed gekend, omdat hij vaak bij ons op bezoek kwam. Er werd dan eigenlijk altijd over de Jappentijd gepraat. Hij was een hele lieve man. Mijn oudste en mijn jongste broer zijn later ook Kapucijn geworden. In 2010 ben ik nog in Pematang Siantar geweest en heb zijn graf bezocht op het kerkhof van de Kapucijnen daar,(waar ook mijn jongste broer ligt).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.