Familieverhalen | Verdrongen verleden. Het levensverhaal van Frederik Disco (2)

Frederik (Frits) Disco

disco_boekomslagIn het eerste deel van deze driedelige  artikelreeks heeft u kennis kunnen maken met Frits Disco. Zijn familie heeft een gemengd Nederlands, Belgische, Oostenrijkse, Schotse en Javaanse afkomst. Het verhaal van zijn leven heeft hij in het boek Verdrongen verleden vorm gegeven. Dat deed hij bij wijze van therapie om, naar eigen zeggen, af te rekenen met zijn herinneringen. Vandaar de titel die hij het boek heeft meegegeven.
Een groot deel van zijn jeugd woonde Frederik Disco op toenmalig Celebes (Sulawesi) in de stad Makassar (ook: Ujung Pandang).Toen de oorlog in december 1941 uitbrak woonde het gezin in die stad.
In dit tweede deel vertelt hij hoe het gezin zonder vader van Makassar naar een fruitplantage in de omgeving van Malino vertrok. Frits Disco laat zien hoe hij en zijn familie overleefden tijdens de Japanse bezetting. Ook beschrijft hij komend vanuit de stad zijn observaties van de inheemse omgeving.

De Japanners naderen: moeder en kinderen verlaten Makassar

Vlak voordat mijn vader zich definitief bij het leger aansloot, had hij ervoor gezorgd dat zijn gezin werd geëvacueerd. Hij vond voor ons een schuilplaats 31 km buiten Makassar op een kleine fruitplantage in de bergen, langs de weg naar Malino. De dichtstbijzijnde kampong was Boedjoeloe.
Omdat iedereen dacht dat de oorlog in een paar weken zou zijn afgelopen en omdat we in grote haast Makassar moesten verlaten, hadden we vrijwel niets bij ons.

malino omgeving_zw

Landschap in de regio Malino, Zuid-Celebes (Sulawesi)
Foto: Humphrey de la Croix

De plantage
De plantage was niet bijzonder groot: de oppervlakte besloeg circa 800 are. Aan de achterzijde stroomde de brede woeste rivier kali Berang. De locatie was geheel omgeven door oerwoud en het landschap was bergachtig. In deze tuin groeiden onder andere ananas, papajabomen, bananen, zuurzak, jambu (guave), mangga en nanka (jackfruit), maïs, ketela (cassave) en oebie (zoete aardappelsoort).
De aangrenzende kampong Boedjoeloe bestond uit een aantal bamboehuisjes op palen. Enkele daarvan hadden een erfje met een kraal waar een paar karbouwen zich in de modder wentelden. Om de kampong heen lagen wat sawah’s, percelen tuinbouwgrond en dichte oerbossen.
Ons huisje was in de Boeginese stijl op palen gebouwd en het was bedoeld voor koelies die in de tuin werkten. Het was geheel uit bamboe opgetrokken en de oppervlakte was ongeveer 4 bij 6 meter. Via een soort ladder kon je het woongedeelte bereiken. Het huisje had een puntdak bedekt met atap, gevlochten palmbladeren. De wanden waren van sesek, gevlochten bamboeschil.

Bamboe Paalwoning

Een typische paalwoning van bamboe in Zuid-Sulawesi.
Tekening en copyright: Frits Disco

Uit angst voor beroving had mijn moeder ‘s nachts 300 gulden in papiergeld in een bamboe koker in de grond onder de trap begraven.Dit geld was bedoeld voor noodgevallen en was in die tijd een flink kapitaaltje. Toen onze voedselvoorraad bestaande uit wat conservenblikken met onder andere vlees, boter en andere voedingswaren, en wat geld (apart van de genoemde 300 gulden) opraakte en de oorlog maar voortduurde, wilde mijn moeder het verborgen geld aanspreken. Maar toen ze ‘s nachts de bamboekoker opgroef, bleek dat vraatzuchtige witte mieren of rajap’s zowel de koker als het geld hadden aangevreten. Deze mierensoort leeft vooral in het donker onder de grond en voedt zich met houtachtig materiaal.

Verslechterende omstandigheden
De problemen stapelden zich op omdat we geen bron van inkomsten hadden. We mochten wel als koelies in de tuin werken en kregen als beloning wat fruit mee naar huis. Maar de eigenaar kon dit ook niet lang volhouden omdat hij zijn Nederlandse klandizie kwijt was.
Later kwam ons ter ore dat ons huis in de stad was geplunderd. De Japanners waren intussen onze richting op gekomen. Ze hebben ons onvermijdelijk ontdekt op de plantage en we merkten al gauw dat ze de baas waren. Zij leerden ons hoe we diep moesten buigen voor elke Jap, noteerden onze namen maar lieten ons verder met rust. Ik had de indruk dat zij niet echt begrepen wat we daar deden en waarom we er zaten. Echter, het betekende niet dat hun aanwezigheid aan ons voorbijging. In een latere fase van ons verblijf op de plantage werd een van mijn broers met een zweep afgeranseld en ikzelf kreeg slagen op mijn hoofd met een zware bamboe paal.
Mijn moeder was intussen ernstig ziek geworden. Ze kon de ladder naar ons woonverblijf met steeds meer moeite beklimmen. Er was eigenlijk geen sprake meer van een gezinsverband en ieder van ons deed waar hij zin in had. Dit kwam doordat we voortdurend op zoek waren naar eten. Soms wisten we van elkaar niet waar iedereen uithing of we bleven zelfs een paar dagen zoek.

Overleven
We besloten om op een in bruikleen gekregen stukje land van een Menadonees een eigen tuintje te beginnen. Eerst bouwden een eigen huis van bamboe die we in het bos kapten, de zogenaamde bamboe doeri, die aan de basis van de steel, een kraag van scherpe doorns had waar je jezelf eerst doorheen moest hakken.
Het verbouwen van groenten en mais mislukte omdat sprinkhanen en wilde zwijnen de gewassen opvraten. We leden honger en probeerden op allerlei manieren aan eten te komen en eigenlijk zaten we ook in een Jappenkamp, maar dan aan de “verkeerde” kant van het prikkeldraad. In het kamp moest je werken, maar er was tenminste eten. We bleven zoeken naar oplossingen om te overleven. Door contacten te leggen met de Makassaren in de kampongs leerden we van hen hoe we in het oerwoud eten en drinken konden vinden om te overleven.
‘s Avonds zaten we meestal in het donker, maar een enkele keer gebruikten we een pelita (olielampje). Soms maakten we kleine fakkeltjes van oliehoudende kandjoli-noten, maar dat had twee grote nadelen: het trok nachtdieren aan én het was gevaarlijk in een van bamboe opgebouwd huis. We gebruikten kalebassen om water in op te slaan. Tanden poetsten we met onze wijsvinger, waar we wat fijngestampte baksteen of dakpan op smeerden. Bij gebrek aan bestek aten we met onze vingers van borden die we maakten van klapperdoppen.
In huis hadden we veel last van ongedierte. Er waren ratten die ‘s nachts het eelt van je voeten vraten. Dat was een pijnlijke manier om wakker te worden. Soms durfde je niet meer te gaan slapen. Natuurlijk hadden we ook kakkerlakken maar deze dieren waren alleen vies en niet gevaarlijk. Dan had je ook nog hoofdluis en de beste manier om daar vanaf te komen was door je hoofd kaal te scheren, wat we deden met een glasscherf bij gebrek aan normaal scheergerei. Wandluizen vormden ook een plaag. Soms zat je hele lichaam vol met jeukbultjes. Een bamboehuis heeft veel kieren en naden waar ze zich in konden verbergen. Ze zijn niet uit te roeien. Mieren had je ook nog en dan tientallen soorten. De meest voorkomende was de gewone zwarte mier. Maar je had bijvoorbeeld ook de bassi-bassi, een agressieve mier van zeker wel een centimeter groot met een venijnige beet die te vergelijken is met de steek van een wesp.
Waarvoor je erg moest oppassen waren rajap’s of witte mieren. En verder had je natuurlijk ook de “gewone” insecten zoals muskieten, larong’s, boktorren, kevers, motvlinders, duizendpoten, spinnen en de hagedissen als de tjitjak’s  (kleine salamanders ) en de wat grotere tokeh’s (ook wel gekko’s genoemd naar het geluid dat ze maken). 

Zelfgebouwd huis

Het zelfgebouwde huis van bamboe
Tekening en copyright: Frits Disco

Aanpassingsvermogen 
Van lieverlee was ik een echt natuurmens geworden. Weliswaar was ik veel te klein voor mijn leeftijd, maar ik was berensterk en zelden ziek. Echter, de gevolgen van roofbouw en gebrek aan voldoende en goed voedsel hadden een zichtbaar ongunstige gevolgen voor mijn lichaam werden wel merkbaar. Door het overbelasten van mijn rug was mijn wervelkolom scheef gegroeid met als gevolg een scheve schouder en een scheef bekken waardoor mijn linker been korter was dan mijn rechter been. Mijn benen zaten vol littekens en soms ook wel met open wonden en zweren. Dat gold ook voor de andere gezinsleden. Soms zag je in open wonden maden rondkruipen en dat was het teken dat het slechte weefsel werd opgevreten door de diertjes. In dat geval moest je de wond dichtsmeren met een bepaalde soort rode klei. Er kwamen dan ook geen vliegen meer op af. Mijn voeten hadden een eeltlaag van enige millimeters dikte en er zaten diepe groeven in. Het leken wel hoeven zo hard. Ik had platvoeten door het lopen op blote voeten maar mijn tenen waren net zo lenig als mijn vingers, waardoor ik met gemak kleine voorwerpen met mijn tenen kon oprapen. Maar ook bij het klimmen in bomen kwam dat van pas. Mijn handen waren bedekt met een dikke laag eelt. Zelfs zó dik dat ik met gemak roodgloeiende kooltjes gewoon met mijn handen uit een vuurpot kon scheppen om er op een andere plaats een nieuw vuurtje mee aan te maken. Ik was inmiddels 13 jaar oud maar feitelijk was mijn jeugd geëindigd toen ik 11 jaar was, toen de oorlog uitbrak. Vanaf toen zorgden de omstandigheden ervoor dat ik me ging gedragen alsof ik al volwassen was.

Kookplaats

De kookplaats
Tekening en copyright: Frits Disco

Bedreigde gezondheid 
Er brak malaria tropica uit, een gevaarlijke, zeer besmettelijke en soms dodelijke variant. In de kampongs stierven mensen met wie ik als koelie op de plantage had gewerkt. Door de slechte conditie van de meesten van ons trof de malaria ons ook. Als eerste werd mijn moeder ziek en snel daarna mijn broers. Zelf kreeg ik het ook te pakken, maar door mijn sterke lichaam bleef ik op de been.
De ziekte gaat gepaard met hoofdpijn, diarree en heel hoge koorts die een paar keer per dag en op vaste tijden de kop opsteekt. De koorts loopt zó hoog op, dat je gaat ijlen en je hebt het dan intens koud, zo koud dat je ervan gaat klappertanden. De aanvallen komen in golven en zijn slopend. Medicijnen waren er niet zodat we aangewezen waren op wat de natuur om ons heen bood. Ik haalde uit de jungle de bast van de kinaboom. Uit deze bast wordt het anti-malariamiddel kinine gemaakt. Ik kookte de bast uit en het vocht, dat heel bitter is, gaf ik de zieken te drinken. De koorts begon daarna te zakken. Dit herhaalde ik enige malen per dag gedurende een paar weken. De koortsaanvallen werden minder en op het laatst konden de patiënten zelfs weer eten.

De eindjes aan elkaar knopen en leven als de inheemse bevolking
Het weinige, dat we bezaten was al gauw stuk of versleten. Op het laatst bestond mijn hele garderobe uit een kort broekje, gemaakt uit het tentdoek dat we bij de vlucht hadden meegenomen, en door mijn moeder was verwerkt tot kleding voor de kinderen. Dit broekje werd opgehouden door een ‘sisal touw’ dat om mijn middel was geslagen. Aan dit touw hing een echt vlijmscherpe inheemse ‘parang’ ( of berang of te wel: kapmes) Ik liep met bloot bovenlijf en op blote voeten. Zo liep ik erbij omdat ik eenvoudig niet meer bezat. Ons gehele bezit zou in een paar bananendozen passen.
We leefden alsof we inlanders waren, met dit verschil dat inlanders tenminste nog een stukje grond konden bezitten om er iets op te verbouwen en er eventueel een karbouw op konden houden, terwijl dat voor Nederlanders onmogelijk was gemaakt. Maar, net als de inlanders, wist ik op den duur precies welke plantenwortels, bessen, bladeren of paddenstoelen en dergelijke eetbaar waren en welk blad, boomschors of soort aarde een geneeskrachtige werking had. Ik wist ook welke dingen je niet moest eten of gebruiken. Ik wist welke dieren gevaarlijk waren en waar je ze kon verwachten in het oerwoud maar ook: hoe je een rivier tijdens een ‘bandjir’ (overstroming) toch kon oversteken.
Ik liet van tijd tot tijd mijn kapsel fatsoeneren in de kampong. Dat werd niet met een schaar gedaan zoals gebruikelijk, want die had men niet. dat gebeurde met een glasscherf. Ik leerde hoe je vuur kon maken door bamboestroken in een bepaalde opstelling, snel over elkaar te schuren en hoe je het vuur dagenlang kon bewaren door een streng plantenvezels te laten smeulen.
Ik leerde hoe je je moest gedragen als je het oerwoud inging en ook om respect te hebben voor de heilige plaatsen van de inlanders. Ik leerde hoe je in de jungle aan drinkwater moest komen en welke aarde je in je wonden en zweren moest smeren om ze te genezen.
Het viel niet altijd mee en vaak werd je pas door schade en schande wijs.
De volgende beschrijving geeft ongeveer de leefomstandigheden weer van de inlanders, door mijn ogen als 13-jarige gezien:

De leefruimte was berglandschap, begroeid met oerwoud. Dwars door dit gebied liep de macadamweg van Makassar naar Malino. Langs deze weg een paar kleine en grotere kampongs met om de dorpen heen wat percelen met tuinbouw en rijstvelden, meestal sawah’s. De inlanders in de kampongs leefden van wat hun landje opbracht en van wat het oerwoud aan eetbaars bood. Verder was er wat visvangst en jacht op wild in het bos. Dat was niet veel, maar ze waren tevreden en gelukkig. De meesten van hen waren nog nooit verder geweest dan hun naburige kampong. Ze waren er geboren, ze groeiden er op en ze gingen er dood. Daardoor kon hun eigen cultuur en taal zolang bewaard blijven.
Ik realiseerde me dat, wilde ik overleven, ik net zo moest leven als de Makassaren in de kampongs. Om je onder de inlanders te kunnen begeven en door hen geaccepteerd te worden was het in de eerste plaats noodzakelijk, dat je de Makassaarse taal machtig werd. Door onze contacten met de kampongbewoners en de koelies leerde ik vrij snel de taal. Maar dat was niet voldoende want ook de cultuur en het mystieke bijgeloof moest je kunnen begrijpen. Ik leerde dan ook alles over de natuur, de jungle en zijn bewoners. Makassaren zijn van nature zeer achterdochtige mensen en zeker als er plotseling een blanda als ik in hun kampong verschijnt. Dan is het van essentieel belang dat je hun taal spreekt. De Makassaren, die je kenden lieten je met rust.
Maar als je in verafgelegen of onbekende kampongs verscheen waren ze allerminst vriendelijk. En het gebeurde nogal eens, dat ik, op zoek naar voedsel door de bossen zwervend, in kampongs terecht kwam waar men mij niet kende. Dan was ik wel eens bang voor Makassaren die je, met een kapmes in de hand, wantrouwend aanstaarden met hun gitzwarte priemende ogen. In een dergelijke situatie is het belangrijk, dat je kunt uitleggen wat je er komt doen. Je moet dan weten hoe je ze moet benaderen en begroeten in hun eigen taal en volgens hun traditie.

Het derde en laatste deel van deze serie zal gaan over het einde van de Japanse bezettingstijd, het begin van de strijd tussen Indonesiërs en Nederlanders, en ten slotte over de repatriëring naar Nederland

Het eerste deel lezen? Klik hier.

 

1 thought on “Familieverhalen | Verdrongen verleden. Het levensverhaal van Frederik Disco (2)

  1. Pingback: Gepubliceerd onder thema Familieverhalen: Verdrongen verleden Deel 2 door Frits Disco |

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.