Familieverhalen | Boekbespreking: ‘Asta’s ogen. De levenskracht van een Indische familie als historische bron’

Eveline Stoel tijdens een lezing in Nijmegen

Eveline Stoel tijdens een lezing in Nijmegen in 2011
Foto: H. de la Croix

Publiciste Eveline Stoel heeft het boek ‘Asta’s ogen’ uitgebracht, een nonfiction verhaal over een Indische familie die eind jaren vijftig van de vorige eeuw vanuit Surabaya neerstreek in het toen nog erg landelijke Oss. Het is volgens de schrijfster een voor Indo’s herkenbaar verhaal van een van die vele Indische families, daarom ook exemplarisch, maar tegelijkertijd toch zéker een bijzonder verhaal.

Astas_ogen_cover_kleinWanneer je altijd op zoek bent naar Indische levensverhalen en geschiedenissen, kan Asta’s ogen je niet ontgaan. De boeken Gelders blauw en Annemarie Cottaar’s Indisch leven in Nederland, én deze website IndischHistorisch.nl nemen Indische familie- en levensgeschiedenissen als hun hoofdbron. Waarom eigenlijk? Een simpele reden is dat Indischen vooral mensen zijn van het directe contact in een bij voorkeur gezellig samenzijn en het liefst vertellen. Juist in die vertelcultuur zit veel informatie over de Indische geschiedenis verpakt. De Indo is bij uitstek geen mens van het lezen en schrijven, nee dat zijn juist te solitaire bezigheden. Door met Indischen samen te zijn kun je hun geschiedenis leren kennen. Het is dan niet gezegd dat ze dan makkelijk loskomen over “moeilijke” zaken als de oorlog en bersiaptijd, de pijn achter de repatriëring en inburgering in Nederland, of de ontwikkeling van hun identiteit als Indo. Veel informatie blijft ook na doorbreken van het Indisch zwijgen verhuld, gecamoefleerd en het kost de nieuwsgierige toehoorder moeite op zijn doorvragen de “echte” antwoorden te krijgen.

Aan deze exercitie is publiciste Eveline Stoel toch begonnen en ze heeft die met succes volbracht! De schrijfster is zelf geen Indische maar in de familie getrouwd (met een van Asta’s kleinzoons). Als buitenstaander kan, mag en durft ze de vragen te stellen die de familieleden niet stelden. Ondanks weigering van nog enkele familieleden, gaan deze ten slotte om en raakte de familie erg betrokken bij het boek. Gaandeweg waren ze allemaal erg benieuwd geworden naar het totale verhaal.
Ik zal op in deze bijdrage niet opnieuw een uitgebreide recensie wijden aan het boek. Elsbeth Etty heeft het uitstekend besproken in NRC Handelsblad van vrijdag 11 juni 2010 en ik sluit me graag aan bij haar conclusies. In deze bespreking wil ik het boek Asta’s ogen vooral bekijken op zijn waarde als historische bron. Feitelijk ligt er nu een kant-en-klaar document dat aan de hand van een familierelaas een halve eeuw Nederlandse en Indisch Nederlandse geschiedenis belicht. Ik wil met deze bijdrage ook een inzicht geven in hoe we als redactie de historische dimensie als het ware toevoegen aan een verhaal op het microniveau, anders gezegd hoe we de “grote geschiedenis” verbinden met de “kleine geschiedenissen” van individuele personen en families.

Het verhaal
Volgend fragment uit Elsbeth Etty’s bespreking is treffend voor het gehele boek:

“De schrijfster gebruikte persoonlijke herinneringen en foto’s van de talrijke telgen van de familie Hoyer om het verhaal sfeer en spanning te geven, maar de Indische couleur locale, de knap verweven historische context en de onversneden ‘suspense’, vormen niet de kern van deze meeslepende geschiedenis. Hoe schitterend en effectief zij de in ijltempo veranderende maatschappelijke verhoudingen in het Indië van de eerste helft van de 20ste eeuw ook schetst, het verhaal draait uiteindelijk om de inburgering van een berooide, uitheemse familie in Nederland.”

Asta Hoyer is de centrale figuur in dit nonfictie verhaal. Via haar persoonlijke geschiedenis komen de laatste zestig jaar van Nederlands-Indische, Indonesische en Nederlandse geschiedenis voorbij. Als alleenstaande moeder van acht kinderen moest ze vanuit een comfortabele maatschappelijke situatie in Indië-Indonesië het redden in een volkomen andere situatie. In het nieuwe en tegelijkertijd “oude” vaderland Nederland én in een heel wat slechtere financiële positie. Het leven dat ze heeft achtergelaten komt mondjesmaat ter sprake in het gezin; Asta Hoyer is geheel op heden en toekomst gericht. De vragen van haar kinderen worden weggewuifd of vaag beantwoord. Iedereen gaat dan ook gewoon met zijn leven, dat op den duur in bijna niets verschilt van dat van de hen “omringende Nederlanders”.

Thema’s in en uit het boek
Asta’s ogen is het verhaal van drie (de vierde is er inmiddels ook) generaties Indo’s na Indië-Indonesië. Voor een Indische migratiegeschiedenis zijn moeiteloos thema’s te halen uit het boek:
Sociale geschiedenis: maatschappelijke positie familie Hoyer in Surabaya vóór de oorlog. De carrière van echtgenoot George Hoyer, onderwijs en opvoeding van de kinderen, de rol van de vrouw in casu die van Asta Hoyer, de relatie blank en bruin, de status en het standsbewustzijn van Indo’s als Europeanen, als “bruine” Europeaan in Nederland, sociale mobiliteit en stratificatie.
Politieke geschiedenis: bezettingstijd, bersiaptijd en dekolonisatie en ten slotte het einde van Indië.
Economische geschiedenis: Indo’s in bedrijfsleven, overheidsdienst of als zelfstandig ondernemer.
Repatriëring: geen warga negaraschap (Indonesisch staatsburgerschap), armoede en afhankelijkheid, transnationalisme, assimilatie, de Indische identiteit.
Cultuurgeschiedenis: de bijdrage van een Indische (sub)cultuur aan de Nederlandse cultuur, Indo’s en de multiculturele samenleving.

Een echt Indisch onderwerp uit het thema sociale geschiedenis wordt door Eveline Stoel naar voren gehaald door de hoofdpersoon Asta Hoyer herhaald te belichten als een Indische die zich erg bewust is van haar Europese status en die constant wil aansluiten bij de Europeaan en zijn waarden en normen. Dit uit zich in het niet willen praten over de inheems Indonesische afkomst en het in verzwijgen en negeren van alles wat met het Indonesische te maken had. De kinderen en kleinkinderen moeten op hun vragen genoegen nemen met Asta’s ontwijkende reacties. Voor Asta leek haar Indonesische kant geen rol te spelen, maar daarbij ging ze voorbij aan de behoefte van de generaties na haar, die erg benieuwd zijn naar het exotische deel van hun afkomst is. De identiteit van de jongere generaties Indo’s, en van elke andere etnische groep migranten, is een belangrijk referentiepunt voor hun persoonlijke beleving. Het volgende citaat uit het boek speelt in de eind jaren zestig, wanneer voor het eerst geweldsexcessen begaan door Nederlandse troepen tijdens de politionele acties ter sprake komen:

“Hun band met de archipel was nooit iets om mee te koop te lopen en nu al helemaal niet meer. De enkele keer dat een Hoyer-kind het had gewaagd om het verleden toch ter sprake te brengen, was de pijn in Asta’s ogen te lezen geweest, en werd het onderwerp zo snel mogelijk weer van tafel geveegd. Vragen stellen over vroeger deden de kinderen al lang niet meer en ze doorliepen zonder morren de maatschappelijke stadia die Asta van hen verwachtte. Toen ook Buddy na zijn diensttijd trouwde met een Hollands meisje, wist hij dat hij zijn moeder een groot plezier deed.”.

Het proces van integratie, inburgering of zelfs assimilatie ging de verschillen in opvatting tonen per generatie. Als gevolg van de dwang van hun ouders (de eerste generatie dus) om niet op te vallen en zo Hollands mogelijk te worden, begon deze tweede generatie alsmaar kritischer te worden over de richting waarin ze werden geduwd. Nederlandser dan hun ouders die hun het Maleis spreken ontzegden, erop hamerden zich onopvallend te gedragen en “typisch Indische” gedragingen afkeurden, reageerden de Indische jongeren van de jaren zestig en zeventig minder meegaand. Ze waren als mede-vormgevers van een jeugdcultuur zich bewuster van hun eigenwaarde en namen niet meer zomaar de heersende moraal voor lief:

“Met name Indische jongens dachten hier vaak anders over. De vooroordelen over hun vermeende domheid en passieve instelling maakten sommigen opstandig. Tegelijkertijd waren veel Indo’s juist geliefd bij Hollandse meisjes omdát ze er anders uitzagen, zich anders gedroegen en anders dansten-of liever: überhaupt dansten.(…) Onzichtbaar plaatsnemen tussen de volbloed Hollanders was voor een grote groep geen optie-als hun huidskleur dat al toeliet.”.

Hiermee is niet alleen een thema uit de sociale geschiedenis aangeroerd, maar ook cultuurgeschiedenis van de Indische migrant. Ondanks de vergaande en succesvolle aanpassing speelde zich in de Indische huizen vaak een ander leven af. Zo waren de huisfeestjes een bekend verschijnsel, waarbij de combinatie van informeel samenzijn vergezeld van Indische lekkernijen die veel tijd kostten om te bereiden, het makkelijk samengaan tussen jong en oud, en niet te vergeten de voorkeur voor countrymuziek, rock and roll, krontjong en dansen, zorgden voor een echt geheel verschillende sfeer dan buitenshuis in de Nederlandse omgeving. In het toen weinig gastvrij overkomende Nederland met zijn vele kneuterige regeltjes rond bezoek, kleding en gedrag in het openbaar, en zijn schrale keuken tekende de Indische levenswijze en -instelling zich af als een echt te onderscheiden andere subcultuur, van een eigen etnische groep. Misschien zagen veel Indo’s dit niet zo, maar het was Tjalie Robinson die ervoor pleitte te accepteren en uit te dragen dat de Indo een geheel eigen, authentieke cultuur bezat. Ondanks Asta Hoyer’s exclusieve gerichtheid op het Nederlandse, was zij met haar familie toch ook Indischer dan ze zelf dachten. En dat kwam dus door die alledaagse, “gewone” Indische zaken als het eten, de enorme familieband, de details in lichaamstaal, bepaalde rituelen.

Als laatste thema dat ik uit het boek haal en mooi om uit te werken, is die van de lokale, of in geval de familie Hoyer, stadsgeschiedenis. Op dat niveau is het bij uitstek mogelijk om de geschiedenis van de Indische migranten samen te laten vallen met de Nederlandse samenleving. Deze benadering kan natuurlijk ook voor de geschiedenis van migrantengroepen als Turken, Marokkanen, Italianen en wie daarna ook is gekomen. Het boek maakt nieuwsgierig naar wie de andere bewoners van hun wijk in Oss waren, tussen wie de familie Hoyer terechtkwam. Wat deden zij voor werk, ging iedereen gelijkelijk profiteren van de welvaartsstaat, hoe keken zij naar de nieuwkomers, hoe was hun levensstijl?

Samenvattend
Het boek Asta’s ogen is geheel een kolfje naar onze hand, om het maar eens in een goed Nederlands gezegde samen te vatten. Het past in onze visie op de website IndischHistorisch.nl omdat de mensen die de Indische geschiedenis met z’n allen vormen, de primaire bron zijn. Indischen zijn zo bang dat hun geschiedenis niet bekend is of wordt gemaakt. Maar geschiedenis wordt geschreven op basis van bronnen. Asta’s ogen is een mooi voorbeeld van het doorbreken van het geduchte Indisch zwijgen en breekt een lans voor het verder onthullen van die nog vele stille levensgeschiedenissen.
Met dit boek heeft de niet-Indo Eveline Stoel een voor Indischen en niet-Indischen herkenbaar verhaal geschreven. Het is nonfictie maar het heeft een literaire stijl die de soms dramatische feiten invoelbaar maken. Stoel is erin geslaagd informatie van verschillende familieleden tot één verhaal te smeden. De hoofdpersoon is niet bij voorbaat als een soort heldin neergezet, maar wel in eigen waarde gelaten en met nadruk op de dominante rol die de waarden en normen van de toenmalige koloniale samenleving op haar vorming hebben uitgeoefend. Zo voelde ik zelf ergernis bij het lezen van Asta’s afkeurende reactie op de verkering van een van haar dochters met een Indische jongen van een lagere sociale status. Asta Hoyer’s verhaal is het relaas van de typische tragiek van Indische Nederlanders die hun moederland eigenlijk gedwongen hebben verlaten en opnieuw een leven moesten opbouwen. Het enige referentiekader was dat van de waarden en normen in de kolonie; die heeft ze nog steeds als houwvast gebruikt in Nederland. Asta Hoyer staat voor de zorgzame Indische moeder, die er voor heeft gewaakt dat haar kinderen zich op het Nederlandse zouden blijven oriënteren. Ze eiste mijn of meer dat zij en haar kinderen sociaal moesten stijgen, een gegeven die als een rode draad door de Indische geschiedenis loopt.
Ten slotte is Asta’s ogen mooi voorbeeld van een microgeschiedenis waaruit vele relevante historische thema’s kunnen worden uitgesponnen. Er is nog veel om te onderzoeken; bijvoorbeeld de sociale stratificatie en mobiliteit van Indische Nederlanders, de bijdrage aan de multiculturele samenleving, stadsgeschiedenis en de rol van Indischen en Indische wijken etcetera.

___________________________

Eveline Stoel, Asta’s ogen. De levenskracht van en Indische familie.
Amsterdam 2010.
Uitgever: Nijgh en Van Ditmar.
ISBN: 9789038893235.
Prijs: € 19,95.

Webreferenties
In NRC Handelblad 2011, rubriek NRC boeken de recensie van Elsbeth Etty

Literatuur
Annemarie Cottaar, Indisch leven in Nederland.
Amsterdam 2006.
Humphrey de la Croix, Inge Dumpel, Ton van Naerssen, Karen Portier, Gelders blauw. Indisch leven in de provincie.
Nijmegen 2007.
Indische sporen. Bronnen voor lerarenopleiders. Eindredactie Hans van Wessel.
Nijmegen 2008.
Anneloes Timmerije, Indisch zwijgen. Roman.
Amsterdam 2007.
Marleen de Vries, Indisch is een gevoel.De tweede en derde generatie Indische Nederlanders.
Amsterdam 2009.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.