Repatriëring | Landverhuizers rond de Sloterplas – Levensreizen van Indische ouderen in Amsterdam Nieuw-West. Het verhaal van Elie Neijndorff. Deel 2

door Wendela Gronthoud

De familie van de schrijfster leefde decennialang in Nederlands-Indië; zijzelf werd in Nederland geboren. Wendela Gronthoud is een tweedegeneratie Indische Nederlandse. Voor een levensboekenproject in Amsterdam Nieuw-West legde ze herinneringen vast van oudere buurtbewoners.met wortels in voormalig Nederlands-Indië. Dat vormde het begin van een bredere zoektocht naar de Indische geschiedenis van dit stadsdeel.

Deel 2

“Daar is thuis en hier mijn huis. In Indonesië liggen mijn roots, mijn familie ligt er begraven.”

Na achtentwintig dagen kwam ik aan in Rotterdam: op 10 januari 1955. Die datum vergeet ik nooit. Mijn moeder had me warme kleding meegegeven van flanel, maar nog had ik het koud. Iedereen werd opgehaald en ik – rillend in mijn flanelletjes – dacht: hoe moet dit? Er kwam een man op mij af, in driedelig kostuum, die zich voorstelde als Strikwerda. Hij vroeg: “U bent juffrouw Neijndorff?” Ik met een klein stemmetje: “Ja, meneer”, als net opgevoed meisje had ik geleerd met twee woorden te praten. “U gaat met me mee naar Rotterdam.” Ik zei: “Ik wil niet, ik heb familie in Den Haag.” “U gaat naar Rotterdam, een meisjestehuis.” Ik heel boos: “Ik wíl níét!”

Hij ging overstag en bracht me naar hotel De Seinpost in Scheveningen, waar ik gekookte aardappelen te eten kreeg die ik zó vies vond. Ik was echt wel gewend aan Hollands eten. In Indië aten we brood bij het ontbijt, bij de lunch brood of rijst en ’s avonds vaak gebakken aardappelen met doperwten, wortelen en een biefstukje. Maar de gekookte aardappelen smaakten naar niets.

Bij mijn tante in Den Haag kon ik niet blijven wonen – haar huis was te klein. Bij een hospita vond ik een kamer. Er stond alleen een tafel, een stoel en er hing een gordijn. Ik vroeg waar mijn slaapkamer was. Op een snauwtoon zei ze: “Achter het gordijn natuurlijk.” Daar stond een opklapbed. Van binnen dacht ik: ik wil terug. Maar dat kon natuurlijk niet. Het was koud, zo koud en ik had zo’n heimwee. Ik was van de regen in de drup gekomen.

In Den Haag vond ik snel werk bij de KLM aan de telex. Je begint natuurlijk onderaan, maar dat geeft niet. Gelukkig zouden mijn ouders in de zomer komen. Ik had ze zo gemist. De Dienst Maatschappelijke Zorg (DMZ) vond een contractpension in de Emmastraat in Amsterdam. Ze moesten hun bankrekening blokkeren en al hun geld overdragen aan de DMZ. Heel slim hadden ze het al aan iemand anders overgemaakt. Ze wilden natuurlijk zeggenschap houden over hun eigen geld. Ik verhuisde naar het pension van mijn ouders in Amsterdam en vond een baan bij de KLM-vestiging op Schiphol. Van je salaris moest je 60% afdragen voor kost en inwoning. Voor 15 gulden kocht ik een fiets die ik in termijnen moest afbetalen. Hoe worden de mensen nu opgevangen? Ik weet dat de Nederlanders uit de crisis kwamen, maar het voelde wel alsof de Indo’s werden geschopt. De hospita van het pension deed erg denigrerend: we moesten dankbaar zijn om opgevangen te worden. Hoezo?

In 1956 kregen mijn ouders een huis toegewezen in de Jan van Beersstraat 2 in Slotermeer. Het was een kleine woning en daarom zocht ik in de buurt een kamer. Ik vond werk bij een verzekeringsmaatschappij – ik wilde meer dan stencilen, namen en adressen intikken. De Indischen waren goede werkers. Lijn 13 was een en al Indo’s. Er woonden toen veel Indo’s in Slotermeer. Tjalie Robinson woonde achter mijn ouders. Met hem en de andere Indische gezinnen hadden we geen contact. We zagen hem wel op zijn sloffen langslopen om vuilnis weg te brengen. Pas later hoorden we dat hij een bekende schrijver was, zag ik zijn naam in tijdschriften, maar toen was hij al weg. Iedereen wilde weg. Er was een ware uittocht van Indo’s die naar Amerika gingen, Tjalie ook. Hier waren minder kansen, je moest onder je niveau werken. Mijn ouders zijn gebleven, ze hadden geen zin om nog een keer met hun hele hebben en houden te verhuizen.

Ik vond het erg om in Slotermeer te wonen. In Indië woonden we in een groot huis, met een grote badkamer. Ik had een grote kamer en mijn eigen baboe. Ik had geen Indische vriendinnen, heel gek. Ik ging ook nooit naar Indische feestjes. De vriendinnen die ik kende van het werk, echte Hollandsen, woonden in de Jordaan. In Malang woonden we aan de Tennisweg 22, een beetje sjiek-deftig. Al mijn vriendinnen woonden in die buurt. We gingen dansen in de soos met mooie lange jurken.

Er was een verschil tussen de Indische vriendinnen uit Malang en de Indische meisjes in Slotermeer. In Indië waren veel rangen en standen. Daar was mijn vader chef bij de ANIEM. Hier moest hij bij Verkade werken, iets technisch aan de lopende band. Later ben ik me gaan afvragen waarom we in Indië zo stonden op onze positie, ook met de Indonesiërs? Zo dom! Nu schaam ik me daarvoor.

Over de oorlog en het weggaan uit Indië spraken we nog steeds niet. Soms zei mijn moeder dat ze de Nederlanders die zo weinig wisten van Indonesië kortzichtig vond.

Via mijn werk ontmoette ik mijn man, Max Monteiro. Hij was ook een Indo, zestien jaar ouder, maar zijn ouders waren al voor de oorlog naar Holland gegaan. Hij had hier de Duitse bezetting meegemaakt. Het interesseerde me wat er in Holland was gebeurd, maar over wat er in Indonesië was gebeurd, kon ik niet met hem praten. We woonden korte tijd in Grootschermer. Na de scheiding, onze dochter was nog klein, ben ik met haar teruggegaan naar Slotermeer. Maar opeens wilde ik niet meer in Nederland blijven en ben met mijn dochter naar Amerika vertrokken. De bedoeling was voor altijd, maar na een jaar was ik terug. Ik kon het niet. We kwamen aan op Schiphol en ik heb de grond gezoend: ik ben weer terug! We woonden een jaar bij mijn moeder; daarna kregen we een huis in de Nico van Suchtelenhof 27, waar ik zevenentwintig jaar heb gewoond.

Ik heb heel lang gewerkt als directiesecretaresse bij het GAK. Er kwamen vaak hoge pieten langs, zoals minister de Koning van Sociale Zaken. De typiste was ook een Indische en verder werkten er alleen maar Nederlanders op mijn afdeling. Op mijn achtenvijftigste ging ik met de VUT, maar werd doorbetaald tot mijn zestigste. Luxe hoor. Op het werk had ik nooit problemen met de Hollanders, wat ik wel hoorde van andere Indo’s. De Hollanders waren altijd aardig voor me. Ik vond werken leuk en was gewend om zelfstandig te zijn. Zo voedde ik mijn dochter ook op. Ik werkte fulltime en heb nooit een cent alimentatie ontvangen

Indonesië zat nog steeds in mijn hoofd. Begin jaren tachtig wilde ik terug naar de tropen – nog niet eens naar Indonesië. Ik wilde een vriend opzoeken die in Singapore woonde. Toen ik boven de tropen vloog was het huilen, huilen. Terug in Nederland móést ik naar Indonesië. Dick, een vriend die ook uit Malang kwam, ging mee. We boekten bij De Boer & Wendel: sjiek-deftig en heel duur, maar dat maakte me niet uit. Weer was het huilen, huilen – allebei – toen we boven de tropen vlogen. We kwamen aan in Jakarta: huilen – tránen. Ik voel het weer opkomen. Het is de lucht, je ruikt de lucht – dat is míjn lucht. De huizen. Je ziet de vrouwen lopen, en de mannen – zo bekend allemaal. Hier spreek ik geen Indonesisch, daar wilde ik het per se weer praten. En het ging hartstikke vlot.

We gingen naar Malang. Toen we voor ons oude huis stonden, was het weer huilen, huilen. En ik kon alleen maar roepen: “Dick, weet je nog dít, Dick weet je nog dát.” Daarna gingen we naar zijn oude huis, een heel groot huis. Hij pakte de spijlen van het hek vast en riep keihard: “Dit is mijn huis, dit is mijn huis, begrijp het dan stomme mensen.” Ik zei: “Dick, rustig.” Ik was beroerd en hij was beroerd. Vreselijk, maar het moest eruit. We gingen naar Toko Oen, een bekende gelegenheid in Malang. We hebben daar zitten schransen, het leek wel alsof we uit het kamp kwamen. Doorgereisd naar Yogyakarta waar het eten heerlijk was. In de kraton (paleis) heb ik nasi gudeg (gerecht van onrijpe nangka) gegeten, ik zat op een tikar (matje) en at met de hand. En de kratontaal, de taal van mijn oma, ging vanzelf tot mijn eigen verbazing.

Terug in Nederland zei ik tegen mijn dochter: “Suus, we gaan.” Ik liet haar zien waar ik was geboren en woonde. Ze zag de plek waar de stoel van haar opa stond. Huilen, huilen. Mijn dochter voelt zich ‘ja’ en ‘nee’ Indisch. Als ze daar is, voelt ze zich anders dan hier. Ze leest de Moesson, het oudste Indische tijdschrift van Nederland, kookt Indisch, maar niet zoals ik. In totaal ben ik twaalf keer teruggeweest.

In Malang logeerde ik altijd bij kennissen die ik kende van tempo doeloe (vroeger), of bij een tante. Liep ik ’s ochtends over straat en dan hoorde je iemand Chopin spelen, net zoals vroeger. Aan de alun-alun (grote plein) stonden vroeger een katholieke kerk, een moskee en een protestantse kerk. Je merkte niets van de Islam, mijn oma was moslima. Als meneer pastoor bij mijn opa op bezoek kwam, liet ze hen alleen. Niets aan de hand. Ze sliepen op één kussen en kregen twaalf kinderen. Nu dragen alle vrouwen doeken; in mijn tijd was dat niet zo. Malang is niet meer mijn Malang. Ik heb daar niets meer te zoeken. Iedereen is ook dood. De koek is op. Toch is Indonesië mijn alles, daar ligt mijn hart.

In 2010 ben ik naar dit huis, een seniorenwoning, verhuisd. Toen ik bij mijn ouders in Slotermeer woonde, was dit er nog niet: hier was bos en er stond een watertoren. In het vorige huis was het niet meer leuk, er woonden nauwelijks meer Nederlanders en ik was de enige Indo. In de buurt waren coffeeshops en er werd gedeald. Hier ben ik ook de enige Indo, maar er zijn meer alleenstaande vrouwen. Om de zoveel tijd gaan we met elkaar buiten eten. Met kerst wordt alles versierd.

Eigenlijk kan ik aan niemand meer mijn verhaal kwijt. Bij de Malang-reünies kwam ik weer de vriendinnen tegen van vroeger, maar die zijn nu ook bijna allemaal dood. De Malang-reünie was echt mijn groep. Ik probeer het wel te vertellen aan mijn dochter, maar ook voor haar is het moeilijk om het te voelen. Ze is getrouwd met iemand van de Veluwe. Hij is geen Indo, maar wel zo verweven met ons dat hij Indisch kookt en eet. Ik kook ook Indisch voor hem: belado udang (garnalen in hete saus), heel heet, vindt hij heerlijk. Ik kook altijd Indisch. Hollands eten vind ik niets: aardappelen… God o God.

Ik ben moeilijk met eten: als ik naar Toko Makassar ga, lust ik dít niet en dát niet. Naar Toko Bandung wil ik ook niet, mijn smaak is anders. Ik ging weleens naar de Masoek Sadja in Amstelveen, maar in Nieuw-West ken ik eigenlijk geen kumpulans. Ik heb één Indische vriendin die ook uit Malang komt. We appen elke dag: selamat pagi (goedemorgen) en een fotootje erbij. Vroeger ging ik graag naar Den Haag, naar Chinatown waar allemaal Indische mensen komen. Ik wil het Indische vóélen. Soms luister ik gesprekjes af tussen man en vrouw, hoor hun anekdotes. Ik ga naar Oriëntal in Den Haag, daar is het gezellig of wat eten bij Toko Madjoe. De Pasar Malam Besar[1] vind ik niets. De sfeer van vroeger is weg en ze spreken me aan in het Engels!

Ik ga altijd alleen op stap – iedereen is al dood. Ik was altijd een hele zelfstandige vrouw en heb veel gereisd. Daarom kijk ik ook graag op Arte naar programma’s over andere landen. Maar de coronatijd maakte me echt kapot. Ik kwam de deur niet meer uit, was een gevangene van mezelf. Ik was zo bang om ziek te worden, at niet en werd mager. Er liggen nog honderdvijftig kapjes in de kast. Als mijn dochter kwam, gingen we buiten zitten, ook in de winter. Nu is het oke. Ik eet me helemaal suf. Gisteren heb ik nog heerlijk tapas gegeten bij de Spanjaard.

Ik heb wel pijntjes hier en pijntjes daar. Ik loop met een stok vanwege een rugaandoening en ga elke week naar fysiotherapie. Als ik me een beetje depri voel, smeer ik me in met kajoepoetih (olie afkomstig van de kayu putih boom). Ik drink jamu, een drankje met jahé (gember) en kunjit (geelwortel of kurkuma), dat helpt tegen van alles. Het is bitter en daar hou ik van.

In dit huis wil ik zo lang mogelijk blijven wonen. Daar is thuis en hier mijn huis. In Indonesië liggen mijn roots, mijn familie ligt er begraven. Voor mij bestaan ze nog, ik noem ze de onzichtbare aanwezigen. Ze zijn een troost als ik me alleen voel. Op de Indonesiërs ben ik nooit, nooit boos geweest. Ik ben blij dat Indonesië zelfstandig is. Het oude Indië waar ik ben opgegroeid, bestaat niet meer. Nu is Nederland mijn land, maar ik ben en blijf een Indische tot het eind.

[1] Dit was een groot meerdaags Indisch festival in Den Haag.

Naar het eerste deel van het verhaal van Elie Neijndorf: klik hier.

Download het boek als PDF-bestand
https://tinyurl.com/Landverhuizers