door Wendela Gronthoud
De familie van de schrijfster leefde decennialang in Nederlands-Indië; zijzelf werd in Nederland geboren. Wendela Gronthoud is een tweedegeneratie Indische Nederlandse. Voor een levensboekenproject in Amsterdam Nieuw-West legde ze herinneringen vast van oudere buurtbewoners.met wortels in voormalig Nederlands-Indië. Dat vormde het begin van een bredere zoektocht naar de Indische geschiedenis van dit stadsdeel.
Deel 1
“Dankbaar dat mijn ouders me op de boot hebben gezet”.
In het hele huis staan oude klokken die het jammer genoeg niet allemaal meer doen, Balinees houtsnijwerk, crucifixen en een oude piano met dichtgeslagen partituur. Pianospelen wil niet meer lukken: de vingers zijn te stijf. Elie (Elisabeth) Neijndorff (Salatiga, 1936 – Amsterdam, 2025) woont in een moderne seniorenwoning in Slotervaart met uitzicht op een mooie binnentuin waarin de wilgen al beginnen uit te lopen. “Mooi hè”, roept een buurman.
De familie van mijn moeder kwam uit Salatiga. De familie Steevensz was daar dé familie: voornaam en heel rijk. Ik ben de oudste van vijf kinderen. De Indo’s noemen me Elie, maar hier ben ik Ellie.
Mijn oma, een Javaanse, van moederskant kwam uit de kraton (paleis) van Yogyakarta. Ze was de dochter van huppeldepup en de zoveelste vrouw. De moeder van mijn vader had ook familie in de kraton, maar dan in Medan op Sumatra: ik heb dus een beetje blauw bloed. Mijn beide opa’s waren Indo. Thuis spraken we Nederlands: dat hoorde toen zo. Ook mijn Javaanse oma, die bij ons inwoonde, sprak Nederlands met ons. We gingen ook niet om met Indonesische meisjes. Mijn moeder en haar zussen mochten niet trouwen met Indonesiërs, alleen met Indo’s van een bepaalde stand. Maar toen ik later in Den Haag bij mijn tante woonde, mocht ik niet met de zoon van de groenteman naar de bioscoop. Dus ja, overal zijn rangen en standen.
Mijn Javaanse oma droeg altijd een mooie sarong en kebaya, een wikkelrok met een soort blousejasje, gouden sieraden en het haar opgestoken in een kondeh (haarwrong). Op zo’n moment dacht ik wel: dat is nu míjn oma. Het Indonesische zit ook in mij: ik spreek het ook.
Na de inval van de Jap werd mijn vader meegenomen naar Japan. Vanwege mijn Javaanse oma bleven we tijdens de Japanse tijd buiten het kamp. Nederlands onderwijs mocht niet meer, maar via kennissen van mijn moeder kreeg ik stiekem Nederlandse les, piano- en balletles. Ik ging naar een Indonesische school – dat was verplicht –waar ik ook Japans leerde. Het Japanse alfabet moesten we uit ons hoofd kunnen opzeggen. Het papier waarop dat stond heb ik nog. Op straat was het verboden om Nederlands te praten. Elke schooldag begon met gymnastiekoefeningen in het veld op mijn muziek – ik moest voor de hele school pianospelen. Ik háátte dat, echt, ik háátte dat.
De Jap wilde de drie ongetrouwde zusjes van mijn moeder, hele knappe meisjes, in het bordeel sleuren. Iedereen wist hoe bang de Japanners waren om TBC op te lopen. Op een avond werd er geklopt: “Njonja, njonja.” Mijn moeder deed rood crêpepapier in haar mond en maakte hoestend de deur open. Weg waren de Jappen, nooit meer gezien. Wel moesten we nog witte sokjes voor ze breien. Op straat zagen we dat mensen werden geslagen als ze niet diep genoeg bogen. Nou, dat is niet leuk om te zien. Mijn moeder en oma wisten van alles te regelen waardoor we gelukkig geen honger leden. Geen idee hoe ze dat deden. Ik ben wel heel ziek geweest, difterie, en bijna dood, maar dankzij de kruiden van mijn oma en gebeden van mijn moeder ben ik beter geworden.
Ik kan van alles van vroeger nog terughalen – de rugzak zit boordevol. Maar van binnen zit iets waar ik niet overheen kom. Toch kan ik er wel over praten. Maar al geef je me een miljard, ik ga níét naar Japan. Al lust ik wel sushi. Het was een opluchting toen ik later werd erkend als oorlogsslachtoffer voor de Wubo, na eerst een paar keer afgewezen te zijn. Alsof je liegt over wat daar is gebeurd. Ik was lááiend, echt lááiend.
Na de Japanse tijd begon de Bersiap. Het was erg gevaarlijk met de pemoeda’s die aan het rampokken (plunderen) sloegen. Van Salatiga werden we naar Banjoebiroe gebracht, een kamp vlak bij Semarang waar de pemoeda’s ons zes maanden gevangenhielden. Het was er vies, maar we hadden wel een beetje te eten. En onze oude baboe bracht stiekem weleens wat. Tijdens de oorlog en de Bersiap ben ik eigenlijk nooit bang geweest, ik vond het vooral een avontuur.
De Gurkha’s en de Engelsen hebben ons bevrijd. We werden naar Solo gebracht, ontluisd in Semarang en door naar Jakarta. Mijn vader was nog steeds weg. Mijn moeder deed navraag bij het Rode Kruis. Ze hoorde dat de Amerikanen hem vanuit Japan naar Balikpapan op Borneo hadden gebracht. Wij ernaartoe en het was een geweldig weerzien! We werden ondergebracht in een tentenkamp. Ik ging weer naar school waar Nederlands onderwijs werd gegeven. Omdat ik in de oorlog steeds was onderwezen, hoefde ik niet naar de herstelschool: ik werd direct in de vijfde klas gezet.
We zaten een jaar in dat kamp totdat mijn vader zijn baan terugkreeg bij de Algemeene Nederlandsch-Indische Electriciteits-Maatschappij (ANIEM) waar hij voor de oorlog ook werkte. We hadden verschillende standplaatsen, zoals Probolinggo waar het heel gevaarlijk was. De pemoeda’s waren erg anti-Nederland, maar ons beschermden ze. Mijn vader was electricien en hielp in de kampung waar de Indonesiërs woonden om alles weer aan te sluiten. Hij was aardig voor de Indonesiërs. Een pemoeda zei: “Meneer Neijndorff, jullie mogen gewoon naar buiten, er gebeurt helemaal niks.” Daarna werd hij chef van de Technische Dienst in Malang. Daar ben ik niet meer naar school gegaan, omdat het Nederlandse onderwijs was afgeschaft. Wel heb er mijn diploma’s typen, steno en handelscorrespondentie behaald. Ik heb ook alle diploma’s van de modevakschool.
Op een keer zou president Soekarno naar Malang komen. Ik reed op de fiets naar school en moest van de politie afstappen omdat Soekarno eraan kwam. “Nou en”, zei ik.
Na de oorlog werden nog twee kinderen geboren. Ondanks het leeftijdsverschil was de band goed. Over de oorlog werd verder niet gesproken, Mijn vader was er wel daas vandaan gekomen. Ik wist dat hij zijn eigen urine moest drinken, maar verder sprak hij er niet over.
Als zestienjarige kreeg ik voor het eerst verkering met een Duitse jongen, geboren in Indië. De pemoeda’s vonden een Europese jongen niets. Ze bedreigden mijn moeder: “Als jullie geen geld geven, gaat je dochter eraan.” Ik wist van niets. Achter mijn rug om kocht mijn moeder een ticket voor me, om naar Holland te gaan. Zonder overleg zei ze: ‘Eel, je gaat naar Holland. Daar ben je veiliger dan hier.’ Mijn ouders wilden geen warga negara worden – dat speelde voor de pemoeda’s misschien ook een rol.
Mijn moeder zette me in Surabaya op de Sibajak. Mijn vader was niet mee, hij kon het afscheid van mij niet aan. Ik zie mijn moeder nog staan aan de kade toen het schip wegvoer. Ik kon alleen maar huilen, huilen, huilen: “Ik zie haar nooit meer terug.”
© Wendela Gronthoud 2026
Wordt vervolgd als Deel 2. Klik hier.