door Werner Stauder
De auteur is afkomstig uit Duitsland en getrouwd met een vrouw van Indonesische afkomst. Hij was 34 jaar werkzaam bij de Telegraaf en werkt aan een boek over de internering van mensen met een Duitse achtergrond in Nederlands-Indië.
Van de redactie: dit artikel is een eerder uitgebrachte publicatie. Het verhaal is een schrijnend voorbeeld van onrechtvaardigheid door oorlog veroorzaakt. Het artikel is eerder gepubliceerd in 2020 op Java Post. Op verzoek van de auteur plaatsen we het ook op www.indischhistorisch.nl. Werner Stauder vindt dat de Duitse Indo’s dusdanig onrecht is aangedaan dat aandacht ervoor nog relevant is.
Deze publicatie doen we in drie afleveringen. We zullen ook het gehele artikel als te downloaden PDF-bestand aanbieden.
Op 10 mei 1940, toen Tjarda van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië te Batavia op de hoogte was gebracht van de Duitse inval in Nederland werd door de radio het codewoord ‘Berlijn’ uitgezonden. Dit was het sein voor de bestuursambtenaren in de gehele Indische archipel om alle personen van Duitse afkomst alsmede sympathisanten van Duitsland te arresteren en in interneringskampen op te sluiten. Duitse zeelieden van de koopvaardijschepen die op dat moment in de havens van Indië lagen, werden door mariniers overmeesterd en gevangengenomen. Onder de noemer van ‘staatsgevaarlijke onderdanen’ werden in totaal ruim 2800 mannen en vrouwen opgepakt en geïnterneerd, waaronder volgens betrouwbare gegevens waarover Dr. Lou de Jong beschikte, echter niet meer dan 30 overtuigde Nazi’s bleken te zitten.

De bekende schilder Walter Spies (1895-1942) werd geïnterneerd. Hij was een van de slachtoffers van de Van Imhoff dat op 19 januari tot zinken werd gebracht door een Japans vliegtuig. Meer dan 400 opgesloten Duitse geïnterneerden verloren het leven. Foto:COLLECTIE TROPENMUSEUM Portret van Walter Spies Oeboed TMnr 60032101.jpg
Het merendeel van de mensen die puur vanwege hun Duitse afkomst het slachtoffer van deze maatregel werden, waren fatsoenlijke burgers: arbeiders, architecten, ambtenaren, kooplieden, politieagenten, fabrikanten, hoteleigenaars, boekhouders, juweliers, opticiens, kunstenaars, onderwijzers, wetenschappers, artsen en verpleegsters, die zich aan politiek niets gelegen lieten gaan, maar ook planters en boeren die op afgelegen plantages en boerderijen of in de kampong woonden en zelfs missionarissen en zendelingen diep in de rimboe alsmede bejaarde Duitse oud-Indischgasten die al tientallen jaren in Indië woonden en hun hele leven als militairen trouw bij het KNIL hadden gediend. Sommigen van hen werden zelfs uit de bejaardentehuizen weggevoerd. De stemming onder de Nederlanders in Indië was door de gebeurtenissen in Europa fel anti-Duits op het hysterische af. Vele onschuldige burgers werden het slachtoffer van deze heksenjacht op alles wat maar in de verste verte Duits was. De arrestaties verliepen niet altijd zachtzinnig, want sommigen werden letterlijk hun huis uitgeslagen en liepen daarbij rake klappen en lelijke verwondingen op. Velen kregen niet eens de tijd om zich aan te kleden of om persoonlijke spullen mee te nemen.

Europeanen (achter), die werden geïnterneerd op het Eiland Onrust in de Baai van Batavia wegens veronderstelde Duitse sympathieën. Foto: KITLV 19071 Universiteit Leiden
Geen onderscheid
De Nederlanders maakten daarbij ook geen onderscheid tussen ‘arische’ Duitsers en Duitse Joden die de vervolging door de nazi’s in Europa juist waren ontvlucht. Ook meer dan 150 onschuldige Indische jongens met een Duitse achternaam (sommige bronnen spreken van circa 200) werden zonder pardon opgepakt en afgevoerd alsof ze zware criminelen waren. Velen van hen spraken geen woord Duits en sommige Indo-Duitsers in de kampongs waren noch de Duitse noch de Nederlandse taal machtig omdat ze in de kampongs van hun inlandse moeders in een geheel Indonesische omgeving waren opgegroeid. Hun vaders of grootvaders waren vaak Duitse militairen in dienst van het KNIL, die met Indonesische vrouwen getrouwd waren en waarvan sommigen zich wel en anderen in verband met de hoge kosten niet hadden laten naturaliseren tot Nederlander.
De latere burgemeester van Amsterdam en minister van justitie Ivo Samkalden was in zijn functie als aspirant-controleur Binnenlands Bestuur nauw betrokken bij de arrestaties van de Duitsers in Indië. In sommige kampongs trof hij Indische jongens aan die weliswaar officieel Duitse staatsburgers waren, maar geen Duits en geen Nederlands spraken en zelfs niet eens Maleis, maar alleen Madoerees of Soendanees. Zij werden samen met hun Duitse vaders gearresteerd, maar later in opdracht van Samkalden toch vrijgelaten. Op de vraag waarom hij dit deed zei hij later: “Ze begrepen absoluut niet wat er aan de hand was. Die lieten we vrij, hun vaders niet.” Deze jongens mogen van geluk spreken, want niet elke bestuursambtenaar was zo schappelijk. De meeste Indo-Duitsers werden namelijk wel opgepakt en kwamen in de interneringskampen achter het prikkeldraad terecht.
Desalniettemin stond in de Sumatra-Post van 16 mei 1940 een artikel over een onderzoek naar de mogelijkheden om bij de internering van Duitsers en NSB’ers een uitzondering te maken voor Duitse en Oostenrijkse Joden en voor Duitse Indo’s. Zij citeren daarin uit de Java-Bode: “Naar wij vernemen, aldus de Javabode, overwegen de autoriteiten, die belast zijn met de interneering van Duitschers en staatsgevaarlijke Nederlanders, een selectie te houden onder de gevangen gezette buitenlanders. Hiertoe zullen binnenkort eenige daartoe aangewezen Parket- en politie-ambtenaren de antecedenten van de geïnterneerden aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Het is zeer wel mogelijk, dat enkele Duitsche en Oostenrijksche Joden, die, indertijd uit hun land verdreven, in deze gewesten een toevlucht hebben gezocht en wier loyaliteit jegens het Nederlandsche gezag vaststaat, uit het interneeringskamp ontslagen zullen worden en zich weer in Batavia mogen vestigen. Zij zullen echter onder politie-toezicht staan en verplicht worden om zich op gezette tijden bij de politie te melden. Het blijft de vraag, of zij hun zaken, welke juridisch vallen onder het begrip ‘vijandelijke bezittingen’ mogen voortzetten. Voorts zal men, naar wij verder hooren, nagaan, of verscheidene geïnterneerde Indische jongens, wier vader of grootvader Duitscher zijn, doch die persoonlijk geen sympathieën voor Duitschland of de N.S.B. getoond hebben, op dezelfde voorwaarden als hierboven genoemd uit het interneeringskamp ontslagen kunnen worden.”
De week daarop stond in het Bataviaasch Nieuwsblad van 25 mei 1940 onder de kop “Indische Jongens op Onrust” het volgende bericht: “Naar wij in Onze Stem lezen heeft het hoofdbestuur van het L.E.V. de aandacht gevestigd op het feit dat verscheidene Indische jongens, wier trouw aan het gezag boven twijfel staat, zijn geïnterneerd omdat zij een Duitse vader hebben of hadden. 1) Wij hopen met het hoofdbestuur dat de commissie, die bezig is met de schifting der geïnterneerden, spoedig haar aandacht aan deze gevallen zal kunnen geven. Het L.E.V.-bestuur schrijft er nog het volgende over: Indien de Afdeelingsbesturen van andere, soortgelijke gevallen weten, gelieven zij deze bij ons voor te brengen, onder toezending van zoo volledig mogelijke gegevens betreffende de betrokken personen in den ruimsten zin van het woord. Uiteraard moet het hier enkel en uitsluitend gaan om volstrekt bona fide personen, van wie vast staat, dat hun naam het eenige Duitsche aan hen is en dat elk contact met een partij van landverraders hun vreemd is geweest.” In enkele gevallen is dit gelukkig wel gebeurd en zijn diverse Indo-Duitsers daadwerkelijk uit het interneringskamp ontslagen. Twee mooie voorbeelden voor de vrijlating van Indische jongens vinden wij in de verhalen van Anton Sieberichs en Fighting Mieck.

Fort Van den Bosch in Ngawi (Oost-Java). De Duitse Indo Anton Sieberichs is hier met 150 andere onschuldige mannen met een Duitse afkomst in 1940 geïnterneerd. Foto: www.indischekamparchieven.nl
Anton Sieberichs
Het levensverhaal van Anton Adolf Sieberichs, dat in “De grote zoektocht” uitgebreid staat beschreven, begint met zijn uit Duitsland afkomstige vader Theodor Oscar Sieberichs, die in 1903 naar Indië was gekomen om in het KNIL te dienen. Hij werd te Ambarawa gestationeerd in Fort Willem I. Daar werd hij smoorverliefd op de inlandse schoonheid Kasiem, waarmee hij ging samenwonen. In 1917 werd hun eerste zoon Wilhelm Frederik (Wim) geboren en in 1919 hun tweede zoon Theodor Oscar, maar pas na de geboorte van Anton Adolf in 1921 ging hij uiteindelijk met haar trouwen. Dat betekent, dat Anton hun eerste kind was met de Duitse nationaliteit. Daarna volgden nog Augusta Victoria (Guusje), Karl August en Max. In 1928 stierf hun vader. Theo was dus officieel geen Duitse staatsburger en kon daarom gewoon in militaire dienst. En dan kwam de dag waarop Anton op de radio hoorde dat Nederland door de Duitsers werd aangevallen.
Toen hij de volgende dag in het dagverblijf van de kazerne opnieuw naar de nieuwsberichten luisterde werd er plotseling geroepen: “Is hier een zekere Sieberichs?” Hij stond op en schreeuwde: “Ja, hier ben ik!” Een inspecteur van politie en twee agenten liepen naar hem toe. De inspecteur zei tegen hem: “Houd jouw handen boven het hoofd en kom met mij mee!” Ze gingen vervolgens op weg naar huis om kleding en toiletartikelen op te halen. Voor het huis stonden veel jongens en meisjes, vrienden en bekenden. Kasiem, Guusje, Karl en Max stonden te huilen en wisten niet wat ze moesten doen. Ook Wim was gearresteerd en beiden stapten in de zijspannen van de Harley Davidsons die klaar stonden. Onder escorte van nog twee Harley Davidsons ging men vervolgens op weg naar het politiebureau. Onderweg werden Wim en Anton uitgescholden voor verrader en rotmof. Op het politiebureau aangekomen werden ze naar de aula gebracht. Daar ontmoette Anton zijn oud-schoolgenoten, ook allemaal met Duitse namen: Weber, Müller, Schneider, Löffler en een Afrikaan met de naam Schwarz. Commissaris Vossenaar kwam binnen met een pistool in de hand. Hij richtte vervolgens op een ingelijste foto van Hitler en loste 6 schoten. “Zo die is raak!” zei hij en ging achter zijn bureau zitten. De opgepakten moesten toen lachen en één van hun riep toen: “U bent een grote held!” Na een uur moest iedereen de cel in. Cellen voor misdadigers. ’s Avonds werd het gezelschap overgedragen aan de marechaussee om ’s nachts op transport te worden gesteld naar een interneringskamp in Ambarawa. Aan drie kanten van het kamp waren rijstvelden. Op een dag liep Anton langs het prikkeldraad en hoorde hij een heel bekende stem: “Antoon. Antoon, hier is ma!” Anton keek in de richting van de stem en zag een vrouw lopen met een sluier op haar hoofd, zwaaiend met haar armen. Met moeite kon hij haar herkennen want zij was goed vermomd. De bewaker stond zo’n 50 meter van hun vandaan, dus moest hij wel heel voorzichtig zijn wilde hij haar niet verraden. Het was zijn lieve en dappere moeder. Ze liepen heen en weer, zij in de rijstvelden, hij in het kamp, gescheiden door twee omheiningen van prikkeldraad. De afstand was te groot om echt met elkaar te praten of om eten aan te reiken. Drie dagen lang konden ze dit stiekem doen, maar toen werd Anton opnieuw op transport gesteld naar Fort Ngawi. [Red.: Fort Van den Bosch in Ngawi]
Tezamen met zo’n 350 andere mannen werd hij in de trein gezet, alle ramen waren geblindeerd en zwaar bewaakt door de Ambonese marechaussee. Onder hen zes Duitse priesters en een aantal Duitse doktoren. Uiteraard liep de temperatuur in de wagons behoorlijk op. Via Ambarawa en Jogjakarta kwam men in Soerakarta aan. Daar moest men overstappen in bussen die hun naar Ngawi zouden brengen. Militairen hadden een haag gevormd van zo’n vijftig meter van station naar de bussen. Het grote gezelschap werd in groepen verdeeld en iedere groep werd door twee man bewaakt. Anton liep achteraan zijn groep en had geen aandacht voor de twee Europese soldaten die achter hem liepen. Plotseling hoorde hij een bekende stem: “Doorlopen, rotmof!” … Het Fort Generaal van den Bosch in Ngawi was gebouwd in de negentiende eeuw en werd nu gebruikt als interneringskamp voor mannen met de Duitse nationaliteit in Nederlands-Indië. De KNIL-militairen waren met de bewaking ontfermd. … Wim en Anton kregen, met zes anderen, een voorkamer in de linkervleugel van het fort. De ontspanning bestond uit het 2 uren lang wandelen of zonnebaden op het dak van het fort of wat handballen op het kleine sportveldje.
Na drieëneenhalve maand werden Anton en Wim door toedoen van de invloedrijke evangelist Johannes van der Steur uit de internering vrijgelaten. Ze moesten zich de volgende dag bij de assistent-resident van Magelang melden en kregen daar te horen: “Elke dag om twaalf uur moeten jullie je melden bij het hoofdbureau van de politie, jullie mogen de stad niet uit en de gezinnen van de andere geïnterneerden niet opzoeken. Mond dicht houden en niets vertellen over het kamp.”
© Werner Stauder
Wordt vervolgd:
Deel 2: nog in bewerking
Deel 3: nog in bewerking
Noot
L.E.V.: hiermee is mogelijk het Indo-Europees Verbond (I.E.V.) bedoeld. De belangenorganisatie van en voor Indo-Europeanen.
Meer over het I.E.V.: https://www.onsland.nl/gebeurtenissen/oprichting%20indo-europeesch%20verbond
Literatuur
Ellen Klinkers, Linda Terpstra, Maaike van der Kloet, De ramp met de Van Imhoff en het lot van Duitse burgers in Nederlands-Indië, 1940-1945, Uitgeverij Boom 2025.
Noa van der Valk MA, Internering Duitse burgers in de Nederlandse koloniën in WOII.
Online artikel in de Militaire Spectator 18 april 2024.
In het artikel is er de mogelijkheid het als PDF-bestand te downloaden.
Interneringen van Duitsers in Nederlands-Indië (1940-1942)
Kees Takkenberg, Duitsers in Nederlands-Indië. 27 september 2024
Artikel op de website van de Indische Genealogische Vereniging, IGV.