De
repatriëringen |
Thema 2011: Amerindo's
Amerindo's 1. Een gevolg van de Indische diaspora
Humphrey de la Croix
Diaspora: "Het woord diaspora, in het
Oud-Grieks (verstrooiing, uitzaaiing), geeft de grootschalige verstrooiing of
verspreiding van een volk over verschillende delen van de wereld aan. Vaak wordt
hierbij specifiek aan die van de Joden gedacht, en aanvankelijk, en lange tijd
daarna, is dit ook de enige betekenis van het woord geweest." 1)
Zo kunnen we ook spreken van een Indische diaspora. Het vertrek van Indische
Nederlanders na 1945 uit Indonesië was niet voor iedereen een repatriëring,
naar het vaderland Nederland. Veel Indo's kozen voor een vestiging in met name
de Verenigde Staten of Australië, maar ook in Canada, Nieuw-Zeeland en
Brazilië.
Indische Nederlanders naar Amerika: een tweede emigratie
Uit onderzoek komt naar voren dat emigratie vaak voortkomt
uit onvrede met het land waar men dan woonachtig is. Er zijn
dan nog wel een concrete stimulans en specifieke wensen en doelen nodig voordat
het echt tot verhuizing naar een ander land komt. In het geval
van de (latere) Amerindo's was sprake van eerst een gedwongen vertrek uit een
steeds vijandiger wordend Indonesië naar Nederland en vervolgens een onvrede
met het wonen in Nederland. Opmerkelijk was dat het klimaat
in Nederland vaak werd genoemd als een pushfactor. Indischen noemden
vooral het gebrek aan vertrouwen in de economische omstandigheden een reden
elders een bestaan op te bouwen. Vooral de jaren vijftig kenden langdurige schaarste,
gebrek aan woningen en de stroeve aansluiting op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Veel Indischen moesten een trede lager beginnen dan wat ze in Indië/Indonesië
gewend waren geweest. Nederland was vergeleken met Indonesië
erg klein in de ogen van de nieuwkomers. Het dicht bij elkaar wonen, vervelende
sociale controle en vele bureaucratische regels, maakten dat menig Indo Nederland
een bekrompen samenleving vonden. In de loop van de tijd, vanaf
de jaren zestig, namen kansen toe en steeg de welvaart spectaculair. De mindere
gevoelens voor de Nederlandse leefomgeving namen toen ook navenant af. Dat is
ook te zien in de verminderde emigratie.2)
De Verenigde Staten: moeilijk binnenkomen
Ongeveer 25.000 Indische Nederlanders vertrokken er tussen 1950 en 1965 naar
de VS. Rond 1950 zag het daar totaal niet naar uit. De Amerikaanse eisen voor
personen afkomstig uit Aziatische landen waren nogal strikt. Je moest in staat
zijn minstens 75% Europese voorouders in jouw stamboom te kunnen laten zien.
Het Amerikaanse immigratiebeleid kende een sterke ambivalentie. Enerzijds de
xenofobe onderstroom jegens de Aziatische vreemdeling en aan de andere kant
de ideologie de waarden van het vrije westen met kracht te verdedigen. Deze
laatste won het ten slotte.3)
Aangepaste
of nieuwe wetgeving (Refugee Relief Act uit 1953) was niet zozeer de
uitkomst van Nederlandse diplomatieke en politieke onderhandelingen om meer
personen uit Nederland toe te laten. Nota bene de watersnoodramp van 1953 in
Zuidwest-Nederland had het initiatief tot wetgeving versneld. Rampslachtoffers
werd de kans geboden zich te vestigen in de VS. De wet uit 1960 stelde als belangrijke
voorwaarde dat de betrokken migrant hun woonplaats in Indonesië vanaf 1
januari 1949 verloren hadden en op 1 september 1958 in Nederland woonden.
4)
De toelating van Nederlanders van gemengden bloede was echter nog niet echt
geregeld in 1953. De Amerikanen hadden het liefst dat de immigrant minstens
50% Europees bloed had. Maar binnen enkele jaren versoepelde dit en werd het
begrip etnisch van Nederlandse afkomst van toepassing op Indische Nederlanders.
Hoewel de uit Indonesië komende immigranten bij aanmelding een flinke screening
zouden ondergaan, was de weg geopend. Ook moest een immigrant een affidavit
of support hebben, een garantverklaring door natuurlijke personen of daartoe
erkende instellingen (voluntary agencies) zoals de Church world Service
of de International Social service. De meeste Indische immigranten hebben een
daadwerkelijk beroep gedaan op die instellingen.
Vanaf 1957 werd de weg voor Indische immigranten geopend dankzij de inspanningen
van senator Walter. De betreffende wetten waren achtereenvolgens de Pastore-Walter
Act uit 1958 en de Pastore-Walter Act II uit 1960. Het
kwam er eigenlijk op neer dat Indische Nederlanders als vluchtelingen
en displaced persons de VS binnen konden. In 1958 konden daardoor ongeveer
10.000 personen uit Indonesië zich vestigen. Door verlenging van de wettelijke
termijn kon een ongeveer even groot aantal per medio 1960 naar Amerika gaan.
Tot 1965 zouden er tussen 20.000 en 30.000 Indische Nederlanders zijn "door-emigreerd"
naar de Nieuwe Wereld. In 1965 veranderde de wetgeving ingrijpend door loslaten
van het nationaliteitsprincipe. Uit welk land je kwam, deed er niet meer toe.
De stroom van Indische immigranten had toen al 3-4 jaar eerder zijn top al bereikt.5)
Indische immigranten ontvangen hun visa:
resultaat van de Pastore-Walter Act
Bron: foto-archief Nederlandse Emigratiedienst, Den Haag.
Inburgering
De Indische migranten moesten de spreekwoordelijke onbegrensde mogelijkheden
van het land zelf herkennen en aangrijpen. De Amerikaanse samenleving bood die
gelegenheid volop. Natuurlijk had men gewoon ook te maken met de normale problemen
die een immigrant heeft. Het gaat dan over het na binnenkomst vinden van passend
werk, aanleren van het Engels, andere gebruiken, gebrek aan vrienden, kennissen
en een uitgebreid netwerk, de opvattingen over gezagsverhoudingen (burger-overheid,
ouders-kinderen, burgers-instellingen) en de afwezigheid van sociale zekerheid
bij arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Na die gebruikelijke aanpassingsproblemen
slaagden de Indische Nederlanders er in zich te handhaven en mee te gaan in
de dynamiek van de Amerikaanse samenleving. Gemiddeld binnen vijf jaar bereikten
ze dezelfde sociaal-economische status als Amerikanen in vergelijkbare situaties.
Dat hield in een goede werkkring, bezit van een eigen huis, een uitgebreid
netwerk van vrienden, kennissen en zakelijke contacten, deelname in kerkelijk
en verenigingsleven.6)
In
enquêtes gaf meer dan de helft van de Indische migranten meteen aan Amerikaans
staatsburger te willen worden. De mentaliteit van inspanning, zelf je succes
bepalen als selfmade man, minder regeltjes, het gevoel van vrijheid,
de ruimte van het land en het aantrekkelijke klimaat gaven daarbij de doorslag.
De vraag is ten slotte of de Indische Amerikanen hebben stilgestaan bij het
geinstitutionaliseerde racisme in het land. Een aspect wat hen automatisch tot
nadenken had moeten leiden. Maar in het algemeen waren de reacties dat men als
individu of gezin niet te maken heeft gehad met ondervonden racisme.
Een verklaring zou kunnen zijn dat de Indische gemeenschap klein was,
verspreid over een groot gebied, dus niet samenklonterde in aparte wijken en
niet erg georganiseerd was. De Indo's in Californië waardeerden in het
bijzonder de meerkleurigheid van de staat, waarin ze zich erg thuis voelden.
Niet toevallig dat meer dan tweederde van de Indische immigranten en hun nazaten
daar woont. Het merendeel van de Amerindo's
geeft aan niet ooit gediscrimineerd te zijn.7)
Transnationaliteit
De eerste generatie hield de contacten met Indonesië of Nederland nog goed
bij. Dit verschijnsel waarbij de inburgering in het land van aankomst nog intensief
bezig is en er tegelijkertijd sterke banden blijven met het land van herkomst,
heet transnationalisme.8) Je hebt
als het ware twee "thuis-en". Vooral briefwisselingen, spaarzamer
destijds telefoongesprekken of nog minder: telegrammen, hielden het contact
in stand. Per generatie nam dit snel af; de jongste generatie heeft niet eens
meer een directe band met het land van hun ouders of dat van opa en oma. Mooi
voorbeeld van transnationalisme vinden we terug in het verhaal van Tjalie Robinson
toen hij zich in 1962 in de VS vestigde. Zijn vrouw Lilian Ducelle was al in
het voorjaar met de kinderen aangekomen. Tjalie had tal van ideeën en ging
als ondernemer aan de slag. Hij wilde Indischen in de VS warm maken voor zijn
Indo Enterprises Inc. Ook wierp hij zich op als een, zoals Wim Willems
het noemt, cultuurmakelaar van het Indische door een Indo Community
Center (de 'Soos') in Pasadena op te richten. De uitgave van The American
Tong Tong was vanzelfsprekend.9)
Al die activiteiten weerhielden Tjalie er niet van te blijven in Nederland te
blijven fungeren als de godfather van het eigen Indische Nederlandse
gedachtegoed in Nederland. Hij was nog hoofdredacteur van het tijdschrift Tong
Tong. Wim Willems zegt met nadruk dat Tjalie ook als ingezetene van de VS zich
niet tot dat land alléén bekende. Hij bleef kind van Oost en West;
was Nederlander, Indo en Amerikaan (in wording) tegelijk. Hij verbleef letterlijk
en figuurlijk in meerdere landen en culturen. Zo opende hij jaarlijks de Pasar
Malam in Den Haag. Intensieve correspondentie met vrienden en kennissen was
er in de vorm van zijn reisbrieven. In 1965 bracht hij een bezoek aan Indonesië;
de reis had deels het karakter van een sentimental journey. Maar misschien
méér nog zocht hij uit wat Indonesië voor hem, als Indo in
diaspora, betekende of ging betekenen.10)
Uiteindelijk verliet Tjalie Robinson Amerika om zich weer in Nederland te vestigen.
In de VS heeft hij geprobeerd te slagen als ondernemer, maar bleek daarvoor
niet geschikt. Projecten als een handelsonderneming, de lancering van satesaus
op de inheemse markt en de oprichting van een Indisch Huis slaagden niet.11)
Tjalie was niet de enige migrant die het niet lukte door te gaan als ondernemer;
in loondienst gaan bood meer zekerheid. In het algemeen slaagden de Indische
immigranten erin een bestaan op te bouwen. Slechts een minderheid van de geëmigreerde
Indische Nederlanders keerde terug. Hoeveel precies is niet bekend: bedenk dat
het moeten terugkeren als genant werd ervaren, zodat de betrokkenen er niet
gauw mee naar buiten kwamen.12)
Amerindo's en hun identiteit: de laatste der Mohikanen?
Na de startproblemen waarmee iedere immigrant
wel te maken heeft gehad, werden de Indischen langzaaam maar zeker American
citizen. Nuancering hierin is echter nodig. Uit onderzoeken blijkt de eerste
generatie zich niet te beschouwen als Amerikaan. Zij hebben nog het sterke besef
van hun achtergrond en geschiedenis die in voormalig Nederlands-Indië en
Nederland lag. De notie van Indische Nederlander te zijn was overheersend, ook
al waren ze burger geworden van een nieuw, vreemd en door henzelf gekozen land.
Die achtergrond was duidelijk zichtbaar in de woninginrichting, de eetcultuur
niet te vergeten, de behouden contacten in Nederland en Indonesië en in
de wens er eigen Indische waarden en normen op na te houden.13)
Over de toekomst van de Indische identiteit wordt door Amerindo's en onderzoekers
verschillend gedacht. De eerste generatie ziet zich als de 'laatste der Mohikanen'
en ziet dat bevestigd in de ontwikkeling van hun kinderen, kleinkinderen en
alweer achterkleinkinderen. B.R. Rijkschroeff wijst hier op de geslaagde assimilatie
(samensmelting) van de Indische bevolkingsgroep in de Amerikaanse. Carol Annink
vindt echter dat nieuwe generaties altijd op enig moment gaan uitzoeken of herontdekken
wat hun afkomst en culturele achtergrond (ook al weer) is.14)
Dat ermee bezig blijven in opeenvolgende generaties is op zich al aan te merken
als een continuiteit van een Indische (sub)cultuur of identiteit. Daarmee zouden
ze overeenkomst vertonen met al lang in de VS gevestigde "nationaliteiten"
als Ieren, Italianen, Russen en andere.
Tekenend is in ieder geval dat Amerindo's zelf al dergelijke initiatieven hebben
genomen en omgezet hebben in georganiseerde activiteiten. Naast gebruik van
oude en nieuwe media, zijn er Indische bijeenkomsten en bezoeken aan Nederland
en Indonesië. Deze initiatieven om het Indisch erfgoed levend te houden
in het Engelstalig gebied, hebben de naam The
Indo Project gekregen. Veelzeggend en hoe serieus er in de VS met het onderwerp
wordt omgegaan blijkt uit het onderwijs en onderzoek van de vermaarde University
of California Berkeley over de Amerindo's. Onder leiding van prof. dr. Jeroen
Dewulf van het Department of Dutch Studies verdiepen studenten en onderzoekers
zich in de geschiedenis van Indische Nederlanders. In het bijzonder gaat de
aandacht uit naar de ontwikkeling van de Indische identiteit vanaf de vestiging
in de VS.
Slot
Dit artikel is de start van een reeks publicaties op IndischHistorisch.nl in
het kader van het speciale thema in 2011, de Amerindo's.
Naast op literatuur gebaseerde bijdragen zal zéker een aantal verschijnen
met als bron de verhalen van die Amerindo's zélf. Indien ter beschikking
zullen we ook filmpjes en geluidsfragmenten plaatsen.
Literatuur
Carol Annink, Orang Indo en
Indonesian-Dutch: Indische Nederlanders in Indonesië en de Verenigde Staten
van Amerika. In: Wim Willems en Leo Lucassen (red.), Het onbekende
vaderland. De repatriëring van Indische Nederlanders (1946-1964),
's Gravenhage 1994, pp. 147-159.
Annemarie Cottaar, Indisch leven in Nederland, Amsterdam 2006.
Humphrey de la Croix, Inge Dumpel, Ton van Naerssen, Karen Portier, Gelders
blauw. Indisch leven in de provincie, Nijmegen 2007.
Jeroen Dewulf, Amerindo Country. De stem van de Nederlands-Indische gemeenschap
in de Verenigde Staten; in: Biografie Bulletin (najaar 2010),
pp. 21-28.
J.E. Ellemers en R.E.F. Vaillant, Indische Nederlanders en gerepatrieerden,
Muiderberg 1985.
B.R. Rijkschroeff, Een ervaring rijker. De Indische immigranten in de Verenigde
Staten van Amerika, Delft 1989.
Marleen de Vries, Indisch is een gevoel.De tweede en derde generatie Indische
Nederlanders. Amsterdam 2009.
Wim Willems, De
uittocht uit Indië 1945-1995, Amsterdam 2001.
Idem, Tjalie Robinson. Biografie van een Indo-schrijver,
Amsterdam 2008.