|
Repatriëren als verstekeling
Deel 1 Henk Huwaë als een van de jongste verstekelingen naar
Nederland in 1958
door Pieke
Hooghoff
Onrust in Indonesië: repatriëren naar Nederland
op goed geluk
Bij de repatriëringstochten
van Indonesie naar Nederland bleken er steeds verstekelingen aan boord
te zijn. Dat waren Indische Nederlanders en Molukkers die al in een
aanvraagprocedure voor de juiste papieren om naar Nederland te kunnen
vertrekken verwikkeld zaten. Het leven in Indonesie werd steeds moeizamer,
banen werden opgeheven. Voor Nederlanders werd het werken in Indonesië
steeds lastiger en onprettiger. De belangrijke banen werden door Indonesiërs
ingenomen, alleen sommige deskundigen mochten wel blijven, dat waren
de Achli's (specialisten). Ook het Nederlands-Indisch onderwijssysteem
verdween. Schoolkinderen moesten overgaan naar het Indonesische onderwijs
en zij hadden al veel vriendjes naar Nederland zien vertrekken.
Sommige repatrianten konden of
wilden de juiste papieren niet afwachten en gingen als verstekeling
aan boord. Ondanks dat zij in afwachting waren van repatriëring
werden zij illegaal, zodra zij zonder ticket en geldige reispapieren
aan boord gingen. Zij wilden naar Nederland, vaak omdat hun situatie
in Indonesië onhoudbaar was geworden.
Verstekeling op de Johan van
Oldenbarnevelt in 1958
Bij deze repatriëringsvaart op het schip de Johan van Oldenbarnevelt
dat op 17 mei 1958 met ongeveer 300 pasagiers naar Nederland voer,
bleek het om 69 personen te gaan. Onder hen waren twee gezinnen. De
rest van de groep waren jonge mannen tussen de achttien en dertig
jaar, velen kwamen net als Henk Huwaë uit Djakarta. Onder hen
waren ook twee heel jonge jongens. Een van hen was de toen veertienjarige
Henk, geboren 1943, die ons zijn verhaal vertelde.
De familie Huwaë was Nederlandsgezind.
Vader Huwaë was van Ambon op Java komen wonen en was bij de KNIL
geweest. Vader Huwaë wilde met zijn hele gezin naar Nederland
en het leek hem een goed idee zoon Henk vast vooruit te sturen. Hij
heeft zijn zoon heel goed voorbereid. Henk had nog geen paspoort,
dat was nog niet afgegeven, maar zijn vader had ervoor gezorgd dat
hij belangrijke documenten bij zich droeg, het geboortebewijs en zijn
doopbewijs [AFB]. Henk wilde zelf ook graag naar Nederland, omdat
steeds meer klasgenoten van hem naar Nederland waren gegaan. Hij was
natuurlijk erg jong, maar hij kon steun zoeken bij de vriend van zijn
zus die ook als verstekeling aan boord zou gaan. Hij was optimistisch,
een beetje avontuurlijk en dacht zich te kunnen verbeteren.
Henk vertelt over die 17e mei
van 1958:
Doopbewijs Henk Huwaë
Foto: privécollectie
H. Huwaë
"Drie tot vier keer per maand
kwam er een boot, je wist nooit precies wanneer. Ik ontving het bericht
van de aankomst van de boot vlak voor de verjaardag van mijn tweelingbroers.
Het avontuur begon. Ik begon met bijna niets aan de reis. Voordat
we aan boord konden gaan, moesten we heel wat obstakels overwinnen
en ons steeds verstoppen. Uiteindelijk zagen we een brancard die we
met z'n tweeën gingen vervoeren. Zo konden we aan boord komen.
Het lukte om ons in een hut te verschuilen. Het schip kwam los van
de kade. Ik keek naar buiten en had een moeilijk moment toen ik daar
op de kade mijn zus zag staan. Mijn nieuwe leven was begonnen. We
moesten eerst de territoriale wateren van Indonesië uit zijn.
De bemanningen wisten wel dat er regelmatig verstekelingen waren en
de groep werd dan ook de eerste avond opgespoord. We werden geregistreerd
en moesten werken voor de bemanning. We kregen te eten en dekens om
aan dek te slapen.
De reis duurde ongeveer drie
weken. In Port Said, Egypte, kwamen speciale ambtenaren uit Nederland
om de verstekelingen te registreren. In Europa kregen we het steeds
kouder in onze dunne kleren. De laatste dag aan boord moesten we met
onze groep het schip schoon schrobben. We werden apart van de passagiers
gehouden en door mensen van de Marechaussee opgevangen. We konden
niet anders dan het over ons heen laten komen.".
Aankomst in Amsterdam, direct
naar De Kruisberg in Doetinchem
"Ik had een kaart gestuurd naar mijn tante, de zus van mijn moeder
die in Amsterdam woonde. Zij stond met haar man op me te wachten,
maar bij aankomst konden we elkaar niet spreken. We werden naar het
opvangcentrum de Kruisberg in Doetinchem gebracht bij de overige verstekelingen
van andere boten. We werden daar aan het werk gezet. Ik voelde me
best op mijn gemak, omdat er zoveel Djakartanen waren en vanwege de
gezellige zondagen waarop met gitaarmuziek werd gezongen. Bij onze
groep hoorde ook George de Fretes. Hij kon goed Hawaiian gitaarmuziek
spelen en was bandleider van The Royal Hawaiian Minstrels en Suara
Istana.".
Naar het internaat in Nijmegen
"Men vond dat ik te jong was om te werken en niet thuis hoorde
bij de oudere mannen. Ik moest mijn school afmaken. Zo kwam ik in
september 1958 in Nijmegen terecht, bij een internaat in Neerbosch.
Ik bezocht de Dominee Creutzberg-mulo. Later kwam ik in een pleeggezin.
Het was er o.k., maar ik heb in die tijd heel erg veel heimwee gehad.
In de schoolvakanties ging ik naar mijn tante.
Hoewel mijn bijzondere tocht naar Nederland toen ik jong was een grote
rol heeft gespeeld, heb ik er nooit spijt van gehad. De overgang is
best soepel gegaan en ik kon me goed aanpassen. Gelukkig kwam ik in
contact met andere jongeren uit de Molukse gemeenschap en via de Hervormde
kerk was ik lid geworden van de PJC, de protestantse Jongeren Club.
In Gennep leerde ik veel mensen kennen.
Na de Mulo probeerde ik de HTS in Amsterdam, maar de overgang van
de Mulo naar de HTS was te groot. Ik was in huis bij mijn oom en tante.
In 1963 kon ik aan het werk bij de Gemeentegiro in Amsterdam. Nadat
ik zeven jaar in Nederland verbleef kreeg ik in 1965 het Nederlanderschap.
Meteen daarna werd ik opgeroepen voor de militaire dienstplicht die
ik in Haarlem vervulde bij de A.A.T., de aan- en afvoer troepen.
Door de PJC leerde ik in datzelfde jaar mijn vrouw kennen en gingen
na ons trouwen in 1968 eerst in Amsterdam wonen en daarna in West-Friesland
in Bovenkarspel. Wij kregen twee kinderen. Ik ben altijd actief geweest
met het coachen van kinderen op de volleybalvereniging. Het
duurde nog tot 1967 eer mijn ouders naar Nederland konden komen. Ook
zij waren blij dat zij uiteindelijk in Nederland waren aangekomen.
Mijn zus was niet meegekomen, maar zij kwam in 1970 naar Nederland.".
Van alle verstekelingen in de Kruisberg
mochten er 37 niet in Nederland blijven. Zij werden teruggezonden
naar Indonesië met de Johan van Oldenbarnevelt. Door protesten
van o.a. Stichting Door de Eeuwen Trouw en de Molukse gemeenschap
(Ir. Manusama) werd de bestemming Hollandia in Nieuw Guinea. Bij de
overdracht van Nieuw Guinea aan Indonesië, vier jaar later, kwamen
de meesten weer terug in Nederland als legale repatrianten. Velen
werden ondergebracht in Hotel Kok aan de Koninginneweg in Amsterdam.
© Pieke Hooghoff 2008
Literatuur
Tonny van der Mee en Domingo Tomasouw,
Andere verhalen. Molukkers in Nederland met een andere aankomstgeschiedenis
of beroepsachtergrond dan de KNIL-groep van 1951, Utrecht 2005.
Uitgave Moluks Historisch Museum. ISBN 9074352154.
Lees ook het verslag
over de reünie na 50 jaar van de groep verstekelingen die
in mei 1958 met de Johan van Oldenbarnevelt in Nederland aankwam en
naar opvangkamp de Kruisberg in Doetinchem moest. De reünie vond
plaats op 11 mei 2008 in Poortugaal.
Ga
naar: Repatriëren als verstekeling Deel 2. Oscar de la Croix
|