Oorlog
en bersiap |
Het
verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetter (3)
Humphrey de
la Croix
Inleiding
In deel
1 en deel
2 van deze vierdelige serie over het Indisch verzet, is samengevat hoe
het verloop is geweest van de verzetsactiviteiten in bezet Nederlands-Indië.
Ik ben ingegaan op het gebrek aan steun van de Indonesische bevolking en haar
coöperatieve houding tegenover de Japanners, het succesvolle opereren
van de Japanse en Indonesische inlichtingendiensten. Ten slotte was er de
afwezigheid van genoeg professionele verzetsdeelnemers; de meeste verzetsdeelnemers
werden vooral gedreven door het idee van een spoedige bevrijding. Ter illustratie
van een grotere verzetsgroep die kenmerkend was voor het Indisch verzet heb
ik de groep-Meelhuysen genoemd, geformeerd in Soerabaja rond kapitein
W.A. Meelhuysen. Deze verzetsorganisatie werd uiteindelijk al vanaf december
1942 onttakeld door de Japanners en definitief uitgeschakeld in het voorjaar
van 1943.
Het tweede deel liet voorbeelden zien van gepleegd verzet op Noord-Sumatra,
De Kei-eilanden en Nieuw-Guinea. Anders dan in deel 1 heb ik naast literatuur
geput uit primaire bronnen: uit de eerste hand verkregen informatie in gesprekken
met voormalige verzetsdeelnemers. Om redenen van privacy zullen deze deelnemers
voorlopig anoniem worden opgevoerd. Mogelijk dat binnen afzienbare termijn
de namen bekend worden gemaakt. In dit derde deel ga ik in op het verzet op
Midden-Celebes (Sulawesi) in de streek Mori, grofweg gelegen tussen Poso en
Kolonedale, waar door een groep van 125 man een guerilla is gevoerd vanaf
april 1942. Ik zal als tweede thema in dit deel ook aandacht geven aan verzetsactiviteiten
in de zuidelijke Molukken op de eilanden Babar en Empalawas.
Verzet op Celebes
De eerste Japanse landingen waren aan de oostkust van het olierrijke Borneo
(Kalimantan) en aan de noordkust van de Minahasa op Noord-Celebes. En het
is snel gegaan: half februari 1942 was een groot deel van Celebes in Japanse
handen gevallen. Het midden van het eiland bleef na de capitulatie korte tijd
nog onder Nederlandse controle doordat een groep Nederlanders er nog wilden
doorvechten. Journalist en schrijver Michel Hegener wijdde er eind jaren tachtig
een aantal artikels aan in NRC Handelsblad en bracht in 1990 een monografie
uit, Guerrilla in Mori. Het verzet tegen de Japanners op Midden-Celebes
in de tweede wereldoorlog. Ik heb voor deze bijdrage rijkelijk geput
uit deze waardevolle en unieke publicatie. Voor zover ik het overzie is het
de meest uitgebreide over gepleegd verzet en met name over een specifieke
verzetsgroep in bezet Nederlands-Indië.
Wat meteen opvalt aan de vorm van het eiland Celebes is de zeer lange kust,
die het gebied extra kwetsbaar en moeilijk verdedigbaar maakte tegen de Japanse
invasie. De vijand had de kusten en landingsplaatsen als het ware voor het
kiezen. Met de dreiging van een nederlaag in het vooruitzicht had de legerleiding
in januari 1942 luitenant-kolonel A.L. Gortmans naar het eiland gezonden om
Nederlandse militairen, maar vooral inheemse soldaten, te helpen voorbereiden
op het voeren van een guerilla-oorlog. Maar het verliep totaal anders omdat
het hem niet lukte een guerilla te organiseren. Nogal wat gerecruteerde Indonesiërs
deserteerden voordat er strijd was geleverd. Gortmans redde het niet en gaf
zich eind maart 1942 over en werd naar Makassar op Zuid-Celebes afgevoerd.
Die regio was namelijk al in vijandelijke handen gevallen. Gortmans werd op
6 april 1944 gefusilleerd door de Japanners omdat hij in de bres sprong voor
van spionage en verzet beschuldigde Nederlanders en Indonesiërs. 1)
Terug naar januari 1942 zien we dat de commandant van Midden-Celebes, majoor
B.F.A. Schilmöller de geregelde strijd in de Minahassa aan het verliezen
was. Hij riep de resten van zijn eenheden (ongeveer 1500 man) op een guerillastrijd
te voeren. Maar deze troepen versnipperden al gauw en konden geen effectieve
guerilla beginnen. Schilmöller zelf had ook geen succes en arriveerde
rond 21 februari in de streek ten oosten van Gorontalo, ten zuidenwesten van
de Minahassa. Hij wilde verder gaan naar Midden-Celebes, de streek rond Poso.
De situatie in en rond Gorontalo veranderde namelijk in hoog tempo dramatisch
in het nadeel van de Nederlanders. De Nederlands-Indische troepen vielen rap
uit elkaar. Zo had de lokale stadswacht besloten met de Japanners mee te doen
en slaagde erin 33 man van de Menadonese Militie Compagnie gevangen te nemen.
Eerder waren tientallen manschappen gedeserteerd. Een van de personen die
met de vijand meedeed was de ex-foerier van de compagnie Ratambanua. Deze
zou nog een opmerkelijke rol spelen later in de strijd. 2)

Celebes in 1942.
Bron: Michiel Hegener, Guerrilla in Mori. Het verzet tegen de Japanners
op Midden-Celebes in de tweede wereldoorlog, Amsterdam 1990.
Het midden van Celebes was
nog niet aangevallen maar had in januari al een bombardement meegemaakt. Een
deel van de stad Kolonedale stond toen in brand. De verwachting was dat een
aanval van de vijand vanuit zee zou volgen. Maar na de algehele capitulatie
op 8 maart was er in de verste verten nog geen Japanner te bekennen in of
rond Kolonedale. Na het bombardement in januari volgde evacuatie van de burgerbevolking
naar de kampongs in het achterland en bleef een verdediging van ongeveer 60
(!) man achter. Op dat moment had niemand enig idee van de omvang van de Japanse
invasiemacht.
In Kolonadele waren de luitenants J.A. de Jong en W.H.J.E. van Daalen de hoogste
bevelvoerenden. Zij hadden op 6 maart de inheemse militiesoldaten al naar
huis gestuurd en orienteerden zich op een nieuwe strategie. 3)
Majoor Schilmöller was op 24 februari in Poso aangekomen en hoopte de
verdediging te reorganiseren en de Japanse opmars te stuiten of te vertragen.
Echter de realiteit deed hem beseffen dat de strijd in het voordeel van de
Japanners ging uitvallen. Hij was er bang voor dat de Japanners zich zouden
afreageren op de Europese inheemse burgerbevolking. Om dat te voorkomen vertrok
hij rond 23 maart 1942 naar Menado om zich bij de Japanners te melden en hun
instructies af te wachten. Hij seinde naar Poso en Kolonodale dat hij bezig
was de voorwaarden rond de overgave te bespreken en riep De Jong en Van Daalen
op nadere instructies af te wachten. Zij wachtten intussen met hun groep van
ongeveer 125 man. Echter luitenant De Jong besloot in actie te komen nadat
hij had vernomen dat Van Daalen zijn wapens had ingeleverd bij de deserteur
Ratambanua. Deze laatste zou als een soort 'gezant' van de Japanners de taak
hebben de capitulatie op Midden-Celebes af te handelen in afwachting van de
hoofdmacht. Het zenden van een deserteur was niet direct een uiting van Japans
respect voor hun militaire tegenstanders. De Jong slaagde erin de afgegeven
wapens weer in bezit te krijgen en nog enkele Nederlandse soldaten uit internering
te bevrijden. Het markeerde het begin van een guerilla op Midden-Celebes.
4)
Het verzet in de streek Mori
De 22-jarige sergeant J. Klinkhamer had direct na de capitulatie al de drang
door te gaan met de strijd. Het gebied dat ongeveer samenviel met het voormalige
koninkrijk Mori, tussen Poso en Kolonedale, was erg geschikt vanwege zijn
dichte begroeiing. En er was voedsel genoeg en de lokale bevolking was op
Nederlandse hand. De groep van De Jong
en Van Daalen trok zich terug op Tentena in een leeg huis van een zendeling.
Klinkhamer zag de strijd eenvoudig als een afwisseling van korte aanvallen
en zich snel terugtrekken in de heuvels totdat de Geallieerden waren teruggekeerd.
De eerste confrontatie was in de eerste helft van april met een groep van
50 Japanse soldaten, die er op uit waren gestuurd om De Jong en Van Daalen
op te pakken. Dat eerste gevecht eindigde in het voordeel van de KNIL' ers
en de vijand trok zich terug, maar kwam daarna met ongeveer 100 man. Weer
lukte het de Japanners niet om de groep te overmeesteren. De Jong en Van Daalen
splitsten zich in twee groepen en waren actief in respectievelijk het gebied
ten oosten van Poso en rond Kolonedale. De twee hoofdgroepen splitsten zich
vervolgens op in weer kleinere groepjes, die zelfstandig opereerden. In de
eerste helft van mei boden de Japanners onderhandelingen aan; daarbij hadden
ze een brief van majoor Schilmöller bij zich die hen opriep zich over
te geven. De Jong wilde echter niet dit bevel van een krijgsgevangene opvolgen.
Het verzet slaagde erin een brug te vernielen op de route van Poso naar Kolonedale
en een paar keer werden Japanse kolonnes beschoten. Gezien de lichte bewapening
in de vorm van pistolen en geweren waren grotere acties dan dit soort speldenprikken
niet mogelijk. 5)
De Jong lukte het om met een radiozender de Geallieerden in Australië
te bereiken. Dat leidde inderdaad tot dropping van goederen op 15 juli, maar
deze zijn waarschijnlijk in vijandige handen gekomen. Eerder was vanuit Australië
eind juni een party (de party Lion) gezonden en geland, maar werd
overmeesterd door de Japanners. Daarbij werd ook de Nederlandse luitenant
R.T. van Hees gevangen; alle leden van de groep zijn terechtgesteld. Later
bleek deze hulp niet passen in een strategie om Celebes te heroveren, maar
was eerder sprake van een humanitair motief en als morele ondersteuning bedoeld.
6)
Intussen voerden de Japanners steeds meer versterkingen aan richting Midden-
en Zuid-Celebes. De groepen van De Jong en Van Daalen werden gestaag gereduceerd
na confrontaties met de vijand. Deserties en overmeestering kwamen daar nog
eens bij. De Jong en Van Daalen werden teruggedreven naar Kolonedale. Toch
heeft de guerilla in Mori veel succes gehad tegen de vijand. Het meest memorabel
hier te vermelden is het gevecht in Salenda op 7 juli 1942. Het was een gebied
met ladang (landbouwvelden) en wat kamponghuisjes. De groep was ongeveer
25 man groot en kon het voordeel van de verrassing hebben. Echter, eerder
op 4 juli had luitenant De Jonge besloot zich koest te houden toen hij vernam
dat een groep (Japanners naar hij dacht) naderde; dit tot ergernis van sergeant
Klinkhamer die een directe aanval succesvol achtte. Het blijft volgens Michiel
Hegener speculeren waarom de officier niet tot actie overging. Kort daarna
op 7 juli volgde een confrontatie met de vijand in Salenda. De bevolking was
inmiddels geneigd de Japanners te helpen en briefden de aanwezigheid van de
Nederlanders door. De vijand besloot drie voertuigen te sturen met 35 man
voorzien van geweren, automatische wapens en mortieren. Het gevecht brak los
tussen de groep van 45 Nederlanders en de al aanwezige Japanners. Het konvooi
van drie voertuigen was al bijna in de buurt, maar deze groep aarzelde het
bos in te trekken uit angst voor verrassingsaanvallen. De Japanners leden
met tientallen doden flinke verliezen; volgens getuigen waren de drie voertuigen
geheel gevuld met lijken. Deze werden vervolgens verbrand met benzine. Het
gevecht had de eerste dag geduurd tot negen uur 's avonds en de volgende ochtend
van zes tot negen uur. De KNIL' ers hadden het zelf ook moeilijk gehad; ze
hadden tegen een overmacht gevochten en moesten zich snel terugtrekken omdat
ze nu omsingeld raakten. Niet alle leden van de groep lukte het te ontsnappen;
sommigen gaven zich over. Eén man had zichzelf door het hoofd geschoten.
7)
Maar de Japanse opmars en overmacht waren onvermijdelijk, zodat begin augustus
het einde van de guerilla zich begon af te tekenen. De vijand had ook nog
eens honderden bewoners ingezet in hun zoekacties naar de rebellen. Moegestreden
vielen De Jong en Van Daalen op 9 augustus 1942 in handen van de Japanners.
De gevangenen werden in Kolonedale gevangen gezet in de kazerne. Verhoren
en mishandelingen volgden. Sergeant Klinkhamer wist als enige uit handen van
de vijand te blijven. De luitenants De Jong en Van Daalen zijn naar Menado
overgebracht en geëxecuteerd op 25 augustus 1942. De leden van de party-Lion
werden op 14 en 15 september 1942 onthoofd. 8)

Sergeant J. Klinkhamer met verloofde in mei 1941.
Bron foto: Michiel Hegener, Guerrilla in Mori. Het verzet tegen de Japanners
op
Midden-Celebes in de tweede wereldoorlog, Amsterdam 1990
Sergeant Klinkhamer hield zich
verborgen in het bos gelegen rond en op de berg Goenoeng Madjelentje; daar
waren veel grotten en begroeiing ideaal om zich te verbergen. De onderofficier
heeft zich daar bijna drie jaar kunnen handhaven. Voedsel kreeg hij soms van
de lokale bevolking, maar het merendeel moest hij zelf in de bossen vinden.
Van zijn wapens had hij alleen een klewang (sabel) overgehouden; zijn uniform
had hij ingewisseld voor normale kleren. De Japanners bleven moeite doen hem
te vinden en hun wantrouwen tegenover de bevolking nam alleen maar toe. De
kampongbewoners werden gedwongen mee te zoeken en ook werden ze gestraft op
verdenking van het verbergen van Klinkhamer. Het nieuws van de Japanse capitulatie
bereikte de omgeving van Goenoeng Madjelentje vrij snel, maar Klinkhamer besloot
veiligheidshalve zich nog niet te laten zien. Pas na eind oktober besloot
hij tevoorschijn te komen en liep op 1 november 1945 Kolonedale binnen. En
die dag vierde hij de vrijheid met de radja (koning) van Mori en ontmoette
er Japanse officieren, kort tevoren zijn vijanden die hem koste wat kost wilden
vinden. De rust was betrekkelijk en van korte duur omdat al gauw de Indonesisch
vrijheidsstrijd zich ontketend; een nieuwe oorlog was begonnen. 9)
Michiel Hegener concludeert dat het verzet van
de luitenants De Jong en Van Daalen tot een van de meest effectiefste en grootschalige
is geweest. De natuurlijke omgeving was zeer geschikt en de Japanners waren
erg bevreesd voor het aangaan van een guerillastrijd. De verzetsgroep had
aanvankelijk veel succes met hit and run acties, maar moest het uiteindelijk
afleggen tegen de sterker wordende Japanners en de groeiende steun van de
lokale bevolking aan de nieuwe machtshebbers.
Verzet op de Molukken
Molukse militairen behoorden tot de meest loyale
leden van de koloniale strijdkrachten. De capitulatie van het KNIL was daarom
een zeer grote klap. Na de overgave werden ze door de Japanners als mede-Aziaten
gezien en spoedig vrijgelaten in het voorjaar van 1942. Een relatief groot
aantal van hen begaf zich vervolgens in de illegaliteit, variërend van
lijdzaam verzet tot riskante aanvallen op de bezetter. De ligging van de Molukse
archipel was voor de Japanners van groot strategisch belang. Het gebied dat
ruim gezien gelegen is tussen Australië (de zuidwest Pacific) en Japan,
fungeerde als een knooppunt in de militaire logistiek en de mogelijke verdere
sprong richting de Stille Oceaan. Concreet betekende het de aanleg van maritieme
en vliegbases. De bezetter schakelde op de Molukken vooral de lokale bevolking
in om bossen te kappen, grond te egaliseren, vliegvelden aan te leggen en
versterkingen op te bouwen. Ook verhoging van de voedselproductie was voor
de Japanners een belangrijk doel. Het vergde het uiterste van de bevolking
die vooral op versnipperde, kleine stukken grond haar voedsel verbouwde. Nu
ineens door de aanwezigheid van tienduizenden Japanners werd de druk op de
aanwezige menskracht ingrijpend verhoogd. Naast de lokale bevolking en daar
aanwezige voormalige Molukse KNIL' ers, haalden de Japanners heiho's (hulpsoldaten)
en vrijgelaten Molukse KNIL-militairen van Java om de voedselproductie en
het tempo van aanleg van infrastructuur op te schroeven. 10)
Op de Molukken bevonden zich weinig objecten die vatbaar waren voor sabotage:
geen spoorlijnen, geen kazernes, geen industrieën. 11)
De verzetsactiviteiten waren aanvankelijk gericht op het voorbereiden van
de terugkeer van de Geallieerden, die zoals overal in de archipel op niet
al te lange termijn werd verwacht. Later ging het verzet zich meer richten
op de nieuwe infrastructuren in wording, zoals vliegvelden, bijbehorende gebouwen
en in de voedselproductie. Het meest aannemelijk is dat passief verzet is
gepleegd in de vorm van luisteren naar de radio en verspreiden van informatie,
het stiekem geven van eten, kleren en brieven aan geïnterneerden, het
helpen van onderduikers, weigeren een loyaliteitsverklaring aan de Japanners
tekenen of weigeren te werken voor de bezetter. 12)
De term Moluks verzet moet ruim worden gezien
omdat het gepleegd is door iedereen van Molukse afkomst. Dus het verzet beperkte
zich niet tot de Molukken zèlf, maar ook dat op andere eilanden. Eerder
zagen we in deel 1 van deze serie de groep Sapoe Tangan Merah, de
Rode Zakdoek. Degenen die verzet pleegden handhaafden de hiërarchische
verhoudingen zoals ze vóór de capitulatie kenden; dus de voormalige
hoogste in rang werd de leider van een verzetsgroep. Een voorbeeld van een
verzetsgroep was die van Jacob Litamahaputty op Saparoea. Deze groep bereidde
de terugkomst van de Geallieerden voor; informatie verzamelen over de Japanners
op het eiland en het blijvend in de gaten houden van de vijand. Ook verzamelde
de groep wapens en munitie, afkomstig uit het KNIL en politieposten. Zelfs
uit Japanse barakken werden wapens gestolen. Vanwege de geringe omvang van
Saparoe was het moeilijk in het geheim te opereren; temeer omdat de bezetter
de bevolking constant bang maakte voor het geval ze verzet zouden steunen
of plegen. In 1943 zag de situatie er voor de groep niet goed uit toen de
Japanners intensiever aan opsporing deden. Ze pakten enige leden op en executeerden
hen. Vervolgens moest de bevolking zich op een dag op een plein melden waarna
verklikkers verdachten aanwezen als rebel. Dat leidde tot executies en gevangenisstraffen.
Restanten van de groep onder leiding van Litamahaputty vluchtten naar het
grotere eiland Ceram. Daar bleken ze ook niet veilig omdat de Japanners wisten
van hun oversteek. Na een aanval trok de groep zich terug, daarbij een schrift
verliezend met namen van de groepsleden en anderen die hen steunden. Dit maakte
het de Japanners makkelijk met succes hun speurtocht uit te voeren. De groep
ging uiteindelijk ten onder aan malaria en het gebrek aan communicatiemiddelen
om het verzet perspectief te bieden (in plaats van in in isolement te opereren).
Besloten werd terug te gaan naar Saparoe en daar de strijd voort te zetten.
Het zou het einde betekenen van de guerilla. De vijand had bijna iedereen
opgespoord en ook Litamahaputty kregen ze te pakken nadat ze zijn familie
hadden gegijzeld onder dreiging hen te doden. Jacob Litamahaputty werd na
zware mishandeling en vernederingen op 21 maart 1944 geëxecuteerd, samen
met 21 andere verzetslieden. 13)
Verzet op Pulau Babar
De Babar-eilanden liggen in de zuidelijke Bandazee ongeveer 200 km
ten oosten van Timor en 500 km ten zuiden van Ambon en Ceram. De hoofdplaats
is de desa Tepa. Middelen van bestaan waren visvangst en kleinschalige landbouw.
Tijdens de bezetting dwongen de Japanners de bevolking voedsel, tabak
en varkens te leveren. Hiertegen rees al gauw verzet en strijdbare
mannen besloten in verzet te gaan tegen de bezetter. Al vanaf het begin in
augustus 1942 waren de Japanners hard opgetreden tegen de bewoners, die er
tot dan toe geïsoleerd maar in vrede hadden gewoond. De ontzetting en
aversie tegen de brute indringers waren daarom enorm groot. De groeiende controverses
hebben geleid tot een van de grootste massamoorden tijdens de bezetting van
Indië. In november 1944 was de Japanse commandant Shihonara in Empalawas
verschenen om de zaken recht te trekken en raakte in conflict met de mensen.
Dezen doodden de Japanner en enkele van zijn landgenoten die zich in een andere
kampong, Masboear, bevonden. Daarop kwamen Japanse versterkingen die enkele
dorpsbewoners executeerden bij wijze van vergelding. Om de bevolking met zich
te laten verzoenen, nodigden de Japanners iedereen uit Empalawas uit voor
een feest. Aangekomen bij de ruimte moesten de mensen zich in twee rijen opstellen,
waarna ze door mitrailleurvuur omkwamen. De getuigen L.M. en A.E. moesten
als dwangarbeider de lijken opruimen en in door hen gegraven putten gooien.
In hun beleving waren er wel duizend mensen doodgeschoten; in werkelijkheid
waren het er ongeveer vierhonderd. Bijna iedereen liet het leven, op tien
meisjes na die gedwongen waren tot prostitutie. Maar volgens getuigen L.M.
en A.E. zou een vijftigtal oudere mensen erin geslaagd zijn te vluchten in
de bossen. Het dorp werd in brand gestoken. 14)
Een
van de ingezetenen van Babar was ook O.L. die destijds woonachtig was in de
kampong Ahanari. Hij was betrokken bij de aanval op Japanners in Empalawas
in november 1944. Getuigen L.M. en A.E. waren afkomstig uit
hetzelfde dorp, waren opgegroeid in hetzelfde huis en hebben samen met O.L.
gedwongen moeten werken; ze waren toen gehuisvest in een soort kamp omringd
door prikkeldraad. Getuigen vertellen dat ze iedere ochtend vroeg begonnen
met werken op het land, het transporteren te voet van voorraden naar Japanse
posten in Empalawas en Wakpapi die op respectievelijk 12 km en 4 km afstand
van Ahanari waren gelegen. Soms moest er 30 km per dag worden gelopen met
zware lasten op hun rug. O.L. had destijds ook familie wonen in Empalawas.
L.M. en A.E. vertellen dat zijzelf tot een groepje jonge mannen behoorden
die de strijd wilde aangaan met de vijand. Ze hadden zich bewapend met messen,
bamboesperen en pijl en boog. Ze hadden gewoonweg genoeg van de Japanse aanwezigheid
en uitbuiting. Een zekere Imsula, 20 jaar oud, uit Empalawas was hun leider.
Het plan was zoveel mogelijk Japanners uit de weg ruimen. De
groep bestond uit ongeveer dertig jonge mannen die kwamen uit de dorpen Ahanari,
Empalawas en Wakpapi. De getuigen vertellen ook dat er een verklikker rondliep,
Hetharia. O.L. zou twee vijanden gedood hebben: een marine-arts-officier en
een soldaat. Zij waren achtergebleven nadat de andere Japanse militairen mensen
uit het dorp hadden geronseld voor werk. De verzetsgroep vernielde toen ook
met stukken steen en hout de verrekijker van de vijandelijke uitkijkpost die
ongeveer 200 meter op een heuvel stond. De twee Japanners werden met pijlen
neergeschoten door O.L. toen zij poolshoogte kwamen nemen op de uitkijkpost.
De leider Imsula slaagde er in een soldaat om te brengen. O.L. werd later
vanuit het werkkamp meegenomen naar de gevangenis in Wakpapi op verdenking
van betrokkenheid bij de aanslagen. De getuigen zeggen ten slotte dat een
vrouw, Laisiwi, de massamoord had overleefd; zij ging later naar Nederland
maar was eind jaren tachtig al overleden. De verzetsgroep heeft na de aanslag
en de massamoord geen activiteiten meer ontplooid. Waarschijnlijk afgeschrikt
door de Japanse reactie en hun beperkte mogelijkheden door gebrek aan vuurwapens,
afwezigheid van communicatiemiddelen en de aanwezigheid van verklikkers en
collaborateurs. O.L. onderging zware mishandelingen maar heeft niet doorgeslagen;
hij werd vrijgelaten en kwam uitgemergeld terug. Hij ging na de oorlog naar
Nederland, maar zou rond 1970 terugkeren naar Indonesië.
Ga naar Het
verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetter (1)
Ga naar Het
verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetter (2)
Noten
1) L.
de Jong, Het Koninkrijk
der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 11b. Nederlands-Indië II.
Eerste helft, pp. 463-464.
B.R. Immerzeel en F. van Esch (red.), Verzet
in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetting 1942-1945. Den
Haag 1993, pp. 215-216.
2) Michiel
Hegener, Guerrilla in Mori. Het verzet tegen de Japanners op Midden-Celebes
in de tweede wereldoorlog, Amsterdam 1990, pp.
53-55, 61-63, 65-67, 71-75. P. van Meel (red.),Tanda Kehormatan KNIL.
Dordrecht 1985, pp. 27-29.
3) Hegener,
75-76.
4) Hegener, pp. 77, 83-86.
Hegener in: Verzet
contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog.
De geuzen van het Indisch verzet, Bussum-Nijmegen
1996, p. 124.
5) Hegener, pp. 73-74 en 99-101.
6) Immerzeel en Van Esch, pp. 212-213. Hegener, pp.
139-144.
7) Idem, pp. 212-213. Hegener, pp. 180-187.
8) Hegener, pp. 231-243.
9) Idem, pp. 242-243.
10) Verzet
contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië, pp.
132-135.
11) Immerzeel
en Van Esch, pp. 135-136.
12) Verzet
contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië, pp.
137-138.
13) Idem, pp. 138-142.
14) Idem, 161-162.
Webreferenties
Verzetsmuseum
Onno Sinke, Strijden
voor erkenning. Vergeten verzet in Nederlands-Indië. Trouw van 12
augustus 2009.
Literatuur Indisch
verzet
Michiel Hegener, Guerrilla in Mori. Het
verzet tegen de Japanners op Midden-Celebes in de tweede wereldoorlog.
Amsterdam 1990.
Uitgeverij Contact.
ISBN 9025468683.
B.R. Immerzeel en F. van Esch (red.), Verzet in Nederlands-Indië
tegen de Japanse bezetting 1942-1945.
Den Haag 1993.
SDU Uitgevers.
ISBN 9012068479.
S.M. Jalhay, Jalhays kleine oorlog.
Den Haag 1981.
L. de Jong, Het Koninkrijk
der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 11a. Nederlands-Indië I. Tweede
helft.
's Gravenhage 1985.
Staatsuitgeverij.
Idem, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 11b. Nederlands-Indië
II. Eerste helft.
's Gravenhage 1985.
Staatsuitgeverij.
Idem, Het Koninkrijk der Nederlanden
in de Tweede Wereldoorlog. 11c. Nederlands-Indië III.
's Gravenhage 1986.
Staatsuitgeverij.
P.P. de Kock, De ongelijke strijd in de Vogelkop.
Franeker 1981.
Uitgeverij Wever.
ISBN 9061353157.
Jacques Leedekerken en Hans
Liesker, Voorman in Verzet en Boei.
ISBN 90-9013361-5.
240 pagina’s, geïllustreerd
Prijs: € 16, - plus porto (€ 2,25; buitenland: € 3,-)
Bestellen: J.J.P. Leedekerken, tel: 0162-437282 of H. Liesker, tel.: 020-6363955.
Zie
ook: de website van het Veteraneninstituut.
Elise Lengkeek, Ik beken.
Amsterdam 2009.
Uitgever: Mistral.
ISBN: 9789049951092.
P. van Meel (red.),Tanda Kehormatan KNIL.
Dordrecht 1985.
Speciale uitgave van het tijdschrift Stabelan van oud-artilleristen.
Moeilijk te krijgen. Gedeeltelijke kopieën
eventueel via info@indischhistorisch.nl aan te vragen.
Ook: gescande pagina's.
Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede
Wereldoorlog. De geuzen van het Indisch verzet.
Bussum-Nijmegen 1996.
Uitgave van: Comité Ancol.
ISBN 909006172.
J. Zwaan, Oorlog en verzet in Nederlands-Indie
1941-1949 en de voorlichting aan de na-oorlogse generaties.
Amsterdam 1989.
Uitgever : De Bataafsche leeuw,
ISBN 9067072168.