Oorlog
en bersiap |
Birma-Siam spoorlijn en de Pakan Baroe spoorlijn
(3)
Felix Bakker: overlevende van de Birma-Siam
spoorlijn
Will de Bruijn
en Humphrey de la Croix
Inleiding
IndischHistorisch.nl
heeft in de twee voorgaande artikelen over de Birma-Siam en de Pakan Baroe
spoorlijn in het kort de belangrijkste feiten bij elkaar gezet. Daarbij is
ook ingegaan op de historiografie over de spoorlijn en het herdenken in Thailand
en Nederland. Na deze twee inleidende publicaties vertelt dit derde deel het
verhaal van Felix Bakker, luitenant ter zee 2e klasse o.c. b.d. der mariniers
en een van die vele werkers destijds aan de Birma Siam spoorlijn. Het verhaal
van een bijzondere man die al op jonge leeftijd gedwongen werd zijn jeugd
achter zich te laten. IndischHistorisch.nl interviewde Felix Bakker en maakte
dankbaar gebruik van de publicaties die hij zelf heeft geschreven.
Jeugd: vader vroeg gestorven, moeder niet in de buurt
Felix Bakker werd op 16 oktober 1925 geboren in Batavia. Zijn vader
was een Nederlander, een totok, die vanuit Amsterdam naar Indië was vertrokken,
aanvankelijk als stuurman op de grote vaart. In de kolonie zou hij meerdere
werkkringen doorlopen, waaronder als loods in de haven van Djakarta, Tandjong
Priok. Hij overleed in 1928 toen Felix 3 jaar oud was. Zijn moeder was een
Chinese uit een familie die al lang in Indië woonachtig was, een zogeheten
peranakan ("kind van het land"). Als niet-Europese weduwe
mocht ze echter haar zoon niet zelf opvoeden. Aangezien vader zijn zoon als
Europees had erkend, moest Felix een Europese opvoeding krijgen. Zo werkte
dat nu eenmaal in het naar etnische groepen gesegregeerde Nederlands-Indië.
De 'volbloed' Europeanen stonden bovenaan de maatschappelijke en politieke
ladder; de Indo-Europeanen daar net onder, ook al was er juridisch slechts
één groep Europeanen die allen voor de wet (in theorie) juridisch
gelijken waren.
Via de Weeskamer, die samenwerkte met zendingsgenootschappen en de missie,
zou voor Felix een goede Hollandse opvoeding geregeld worden. Hij kwam terecht
in een kindertehuis in Soekaboemi, West-Java. In de eerste twee jaar in het
internaat mocht hij zijn moeder tussentijds niet zien. Na die eerste twee
jaar verbleef Felix bij haar tijdens de schoolvakanties in Batavia. Hij vertelt
met plezier dat hij dan met de trein reisde in de klas kambing (geitenklasse),
ofwel de vierde klasse. De wagons die voor de inlanders, de Indonesiërs,
waren bestemd. Daar was altijd van alles te zien en te beleven. Zijn moeder
woonde in de Kartiniwijk, Goenoeng Sari, in een stadskampong. Tijdens die
vakanties was Felix vooral op straat aan het spelen of rondzwerven (bolossen),
op zoek naar avontuur. Hij memoreert daarbij aan de Indo-schrijver bij uitstek
Tjalie Robinson, die in zijn verhalen uitdrukkelijk het leven als Indische
jongen buiten op straat vertelt. Felix Bakker was wat je noemt streetwise
en stond erg dicht bij de inheems Indonesische levenssfeer. Voor hem waren
alle kinderen hetzelfde, Hollands of Soendanees of Javaans. Hij herinnert
zich een discussie als 14-jarige met een Soendanese jongen, die kennelijk
de vaderlandse geschiedenis (die van moederland Nederland dus) goed kende
en verwees naar de Tachtigjarige Oorlog als Nederlandse vrijheidsstrijd. De
vraag die hij stelde was of Indonesiërs ook niet recht hadden op zelf
mogen beschikken over hun land? Dat leidde bij de Indo-Europeaan
Felix Bakker tot grote verbazing: "hoezo jouw-jullie land?", we
waren toch één bangsa (volk)? Hem in de verbazing achterlatend,
vertrok de jongen en daarbij het 'Indonesia Raya' fluitend. In die jaren rond
1930 was het (latere) Indonesische volkslied zwaar taboe in de kolonie. Het
Gouvernement kortwiekte met succes de opkomende nationalistische beweging.
Felix Bakker was zich er toen al van bewust dat hijzelf een kind was van meer
culturen; hij besefte een Europeaan te zijn, daarmee behorend tot de bevolkingsgroep
die het voor het zeggen had, maar tegelijkertijd was hij ook 'miskin' (arm)
en meer lijkend op de massa van inheemsen.
Een Indische marinier van 16 jaar
Felix Bakker was in oktober 1941 net 16 jaar oud, toen hij een advertentie
las waarin vrijwilligers voor dienstneming bij het Korps Mariniers werden
gevraagd. Hij was zich bewust van de Japanse dreiging ten opzichte van Indië.
Hij kon zich op 24 november 1941 bij de marinierskazerne Goebeng in Soerabaja
melden. De opleiding startte op 1 december 1942. Felix Bakker: "Het was
toen trouwens erg ongewoon dat Indische jongens zich bij de mariniers meldden;
het Korps was een bij uitstek blank keurkorps".1)
Voordien
kon men zich alleen in Rotterdam aanmelden. Op 8 december brak de oorlog in
de Pacific uit met de aanval op Pearl Harbor. De Nederlandse regering in Londen
verklaarde op dezelfde datum de oorlog aan Japan. De opleidingstijd bij de
mariniers kon door de oorlogsomstandigheden natuurlijk niet ongestoord verlopen.
Velddienst en schietoefeningen vormden de hoofdmoot, voor de rest van de onderdelen
was weinig of geen tijd. De vijand naderde in hoog tempo en bombardeerde Soerabaja
vanaf het vliegveld Kendari op Zuidoost-Celebes. Tussendoor vertelt hij het
verhaal van de 15- en 16-jarige recruten die in januari 1942 waren opgekomen.
Deze nieuwe recruten zouden vanwege de bombardementen op Soerabaja in Malang
hun opleiding krijgen.2)
Ze hadden nog geen
uniformen
en liepen in de kleding waarin ze waren opgekomen.De meesten van hen liepen
nog in hun korte broek.3) Felix
Bakker vertelt dat je in die tijd pas op je zeventiende een lange broek "mocht"
dragen. Als een soort ongeschreven regel vormde het dragen van een lange broek
de scheiding tussen man en jongen. De jongens van 15 jaar die nog niet als
marinier mochten worden ingezet, mochten
wel als tamboers en pijpers worden opgeleid.
Felix Bakker, marinier 3e klasse, januari 1942
Bron foto: privécollectie Felix Bakker
Deze klas werd op 1 maart 1942 naar Australië gestuurd met het schip
Tjisaroea, dat vanaf de stad Tjilatjap vertrok. Ook de opleidingsklas mariniers
van januari 1942 met jongens die nog in burger waren gekleed, moest mee. Het
schip werd echter op 4 maart 1942 door de Japanse destroyer Arashi geënterd
en de opvarenden werden naar een kamp in Zuid-Celebes gebracht om later in
de kolenmijnen in Japan te werken.4)
Naar verluidt had een Japanse officier met verbazing gesproken over 'student
sailors' die ze hadden gevangen genomen.
Strijd in Oost-Java
In diezelfde tijd begin maart 1942 moesten Felix en de andere onervaren mariniers
volop aan de strijd deelnemen op Oost-Java. Kort tevoren was in Soerabaja
een Marinebataljon geformeerd, bestaande uit twee compagnieën mariniers
en twee compagnieën landstorm- en militiepersoneel van de Marine Bewakingsafdeling.
Commandant was luitenant-kolonel W.J. Roelofsen.5)
Op 4 maart werden deze troepen richting Djombang gedirigeerd.
Felix Bakker was toegevoegd aan het detachement van eerste luitenant J.G.M.
Nass. De in totaal 37 mariniers tellende verkenningsgroep opereerde op 5 maart
1942 vanuit Djombang, in de driehoek Ngandjoek, Kediri en Kertosono. "Toen
we onze stellingen hadden betrokken in de buurt van Ngandjoek en in afwachting
waren van de vijand, kwamen vanuit het Westen gemotoriseerde eenheden van
het KNIL. Felix Bakker was onder de indruk van het rollend materieel, wapentuig
waarop ze als mariniers jaloers waren. Echter, bij nader inzien waren deze
troepen volkomen afgemat en gedemoraliseerd. De troepen bewogen zich sjokkend
voort, zagen er vies en moe uit. Hier was geen sprake meer van een georganiseerd
en strijdbaar leger, eerder een verslagen leger." De KNIL-officieren
gaven aan dat hun manschappen doodop waren en zich terugtrokken tot de rivier
Brantas, bij Djombang. Luitenant Nass en zijn mannen "mochten" de
vijand tegemoet treden en zijn opmars proberen te vertragen. Onbekend was
nog waar de vijand toen was en welke sterkte hij had. Later bleek het om het
47e Infanterieregimente te gaan, voorzien van zware wapens en bestaande uit
ervaren troepen. Het detachement-Nass verweerde zich goed, voerde geen aanvallen
uit. Maar gezien de overmacht raakten Nass en zijn mannen omsingeld. Het lukte
de "bekwame en flegmatieke" Nass uit te breken en uiteindelijk richting
Kediri te gaan. Daar hoopte het detachement nadere orders van hogerhand te
ontvangen. Toen die uitbleven bewoog de groep zich met hun gevechtswagens
naar Kertosono en voerde enige aanvallen uit nabij de plaats. Hierna trokken
de manschappen zich weer terug en kwamen weer in Kediri. Felix Bakker herinnert
zich goed de aanblik van tientallen vrouwen en kinderen, die smeekten om hulp
en met de troepen mee wilden vertrekken, indien mogelijk naar het nog veilige
Malang. Het enige wat de soldaten konden doen is adviseren op eigen gelegenheid
daarheen te gaan. De opdracht van de mariniers was via Pare proberen Djombang
te bereiken en daar zich weer bij het bataljon te voegen. Emotioneel was voor
Felix Bakker het moment dat ze Kediri moesten verlaten en de verdediging van
de stad moesten laten aan de goedwillende en dappere mannen van de Landstorm
en Stadswacht. Een onmogelijke opdracht gezien de oppermachtige vijand. Felix
Bakker schreef eerder: "Met een brok in de keel en met gevoelens van
schaamte en machteloze woede dat wij die vrouwen en kinderen niet konden en
mochten beschermen tegen de oprukkende vijand en tegen mogelijke rampokbenden".
Het marinebataljon kreeg het zwaar te
verduren toen de Japanners oprukten. Chaos en paniek braken uit toen ze bij
de spoorbrug bij Kertosono aankwamen en door Javaanse KNIL-soldaten werden
beschoten. Mortiervuur sloeg de mariniers uiteen, zodat ze steeds kwetsbaarder
werden voor een aanval. De Japanners namen een groep omsingelde mariniers
gevangen.6) Op
de binnenplaats van een afgelegen rijstpellerij nabij Kertosono op Oost-Java
werden de onderofficieren van de groep, een sergeant, een sergeant-adelborst
en een korporaal-adelborst op wrede wijze ondervraagd, maar in leven gelaten.
Zij moesten evenwel aanhoren hoe de negen aan handen en voeten gebonden manschappen
(zes mariniers, twee stokers en een matroos) door de Japanners met bajonetten
ter dood werden gebracht.7)
Ten slotte verhaalt Felix Bakker nog over een bizar feit waarmee zijn eenheid
te maken kreeg. Terwijl de mariniers zich voorbereidden op een confrontatie
met de vijand, zagen ze rond zeven uur 's morgens uit de richting van Soerabaja
een passagierstrein aankomen. Deze trein reed dus in de richting van de Japanners!
Alsof ze in Soerabaja dachten dat het westelijker veiliger zou zijn. Van een
kennis vernam Felix Bakker later dat de mensen in de trein juist die dag waren
geëvacueerd richting Madioen of Djokjakarta. In Madioen moeten deze mensen
toch erg verbaasd en bang zijn geweest toen ze overal Japanse militairen zagen...Getuigen
hebben later trouwens nog gezien dat Indonesiërs de Japanners juichend
hebben verwelkomd en dat er her en der Japanse vlaggen hingen.
Het relaas van Felix Bakker past geheel in eerder vertelde getuigenissen van
die snelle opmars en veroveringen van de Japanners. Chaos, paniek (friendly
fire) en onwetendheid (de trein van Soerabaja naar het "veilige"
westen van Java) vormen het theatre of war. Een drama dat door dit
soort verhalen iets beter te begrijpen wordt.
In krijgsgevangenschap
Moed en strijdlust bleken niet genoeg om Indië met succes te verdedigen.
Op 9 maart 1942 tekent generaal H. ter Poorten in Kalidjati (Bandoeng) de
capitulatie van het KNIL. Voor Felix Bakker was het een dramatisch moment
toen bataljonscommandant Roelofsen aan luitenant Nass de opdracht gaf de witte
vlag te hijsen.8) Het betekende
het eind van een korte, heftige tijd als marinier. Felix Bakker, zijn dienstmaten
en alle Europeanen traden een ongewisse toekomst tegemoet. Hij kijkt er naar
terug als "meer dan drie bittere jaren van vernederende krijgsgevangenschap,
[gevolgd door] onder meer de slavenarbeid aan de Birma-Siam Spoorweg, waaraan
pas in augustus 1945 in Thailand een einde kwam".
Op de website www.4en5mei.nl
het volgende citaat: "We hadden geen idee wat de toekomst zou brengen.
In het krijgsgevangenenkamp net buiten Malang verbleven 6.500 mannen, een
doorsnee van de Europese en Indo-Europese gemeenschap in de Indische maatschappij.
Je ontmoette mannen met voorheen hoge en lage functies, arm en rijk. Iedereen
was gelijk. Op ontvluchting en belediging van de Japanse keizer stond de doodstraf.
De eerste executie van vijf mannen maakte ons dat snel duidelijk."9)
Felix Bakker gaat desgevraagd nader in op de Indische samenleving in de koloniale
tijd. Zelf beschouwde hij zichzelf als een "gestichtsjongen" en
behorend tot de lagere sociale klasse. Hij vertelt dat zonder enige schroom
of ondertoon. In het kamp vervaagden die sociale verschillen omdat iedereen
in dezelfde situatie zat. Het leven van dag tot dag was de grootste zorg.
Het scherpe onderscheid tussen totoks en blankere Indo's enerzijds en de "echte"
en bruinere Indo's anderzijds vervaagde. Deze tendens zou zich later in Thailand
alleen maar voortzetten. Verder zag hij dat in het kamp nogal wat soldaten
van het KNIL niet meer luisterden naar hun officieren of onderofficieren.
Het marinepersoneel daarentegen was gedisciplineerder en onder hen hield de
hiërarchie stand. Felix Bakker wijt dat aan de samenstelling van het
KNIL: dat bestond na de mobilisatie voornamelijk uit burgers, die in die korte
tijd nog niet de militaire discipline had eigen gemaakt. De marine kende van
oudsher een hoger aandeel beroepsmilitairen en stond bekend om zijn grote
discipline, toewijding en eergevoel als korps.
Werken aan de Birma-Siam
spoorlijn
Toen Felix Bakker in januari 1943 met een grote groep krijgsgevangenen
naar Singapore werd verscheept, had hij er totaal geen idee van wat hem te
wachten stond. Van daaruit werden de werkers geplaatst in Birma of Thailand,
of soms na verloop van tijd in beide landen. Voor Felix Bakker ging de reis
per trein verder naar Thailand, waar hij tot in 1946 zou blijven. De reis
naar Thailand duurde vijf dagen en nachten. Het kamp Chungkai waar hij terechtkwam
lag vijf km van Kanchanaburi. Er is nu een grote begraafplaats die veel bezoekers
trekt. Binnen anderhalve maand stierven er van de groep van rond 650 al 17
man.
De eerste opdracht was het uithakken
van een grote rotswand. In vier weken werd in ploegendienst deze klus geklaard.
Alles ging met handbeitels en hamers; de rots werd als het ware door doorboord
waarna de Japanners door plaatsing van dynamiet alles opbliezen. De werkers
moesten daarna met de hand alles opruimen en verplaatsen. Het verwijderen
van de rotswand maakte het mogelijk het viaduct te bouwen bij Wang-Po, dat
langs de rivier de Khwae Noi liep.10)
Zonder ondertoon van verbittering of verwijt, merkt Felix Bakker op dat Engelsen
in literatuur of documentatie de aanleg van het viaduct als een Engelse aangelegenheid
en inspanning naar voren brengen. Zij noemen niet dat het vooral Nederlanders
waren die de "Wang-Po cutting" voor hun rekening hebben genomen.


Birma-Siam spoorlijn: Wampo (Wang-po)-viaduct in 1945 en in 2008
De mannen waren schamel gekleed en vaak blootsvoets;
ze hadden te weinig water en werden zwakker en zwakker, terwijl de Japanners
hen bleven opjagen. Het dagelijks werk van 's morgens vroeg tot vlak vóór
het donker worden rond zeven uur bestond uit het voorbereiden van de grond
voor de railbedding, houtkap, groen weghalen, afgraven en egaliseren van de
bodem en natuurlijk het afvoeren van grond en hout. Het was zwaar werk en
de ondervoede, gewonde en zieke mannen stierven in grote getale. Felix Bakker
bleef zelf zéker niet gespaard van ziekte en lichamelijke terugval.
Zijn eerste aanval van dysenterie gaf hem het gevoel dood te gaan. Een Indische
jongen, Bert Barkmeijer, stond hem bij en gaf een van zijn twee pakjes djamoe
(kruidenmengsel, meestal poedervormig). Felix Bakker twijfelde er aan of het
zou helpen. Hij nam het toch maar aan en herinnert zich nog de vieze, bittere
smaak van het in kokend water opgeloste kruidenmengsel. Wonder boven wonder
viel hij vervolgens in slaap, voor het eerst na vele nachten wakker liggen,
en de volgende morgen had hij geen pijn meer en ook geen bloed in zijn ontlasting.
"Ik ben niet dood", besefte hij. Bert Barkmeijer werd een week later
getroffen door dysenterie. Het overgebleven pakje djamoe was echter niet voldoende;
hij had de moed verloren en was ervan overtuigd "Java nooit meer terug
te zien". Felix Bakker's opbeurende woorden schoten tekort. Bert Barkmeijer
stierf op zijn negentiende. Zijn naam is gegraveerd in de plaquette dat deel
uitmaakt van het herdenkingsmonument op Bronbeek. Felix Bakker: hadden we
maar op Java nog geweten wat djamoe kon doen, dan zouden we vóór
verscheping nog flink hebben ingeslagen. Maar als jongemannen die ze toen
nog waren, hadden ze toen te weinig levenservaring en kennis van zulke zaken.
Niet dat ze niets wisten: de Indo-jongens herkenden bijvoorbeeld wilde
bajem (Indische spinazie) en wilde kleine bananen als eetbare en vitaminerijke
planten. Van wilde vijgen werd met kokend water gist gemaakt, die aangevuld
met suiker in een fles een week moest afkoelen. Dit middeltje leverde vitamine
B en werkte opwekkend.
De mythe van de sabotage
Felix Bakker reageert lachend wanneer het onderwerp 'sabotage' ter
sprak komt. In zijn rapportage had kapitein Van Warmenhoven verhalen daarover
al geoordeeld als sterke verhalen van buitenstaanders aan de borreltafel.
Volgens Felix Bakker bood de dagelijkse werkelijkheid geheel geen kans tot
sabotage; ook andere ex-werkers hebben dit gezegd. Zo is het verhaal dat bananenbomen
zouden zijn gebruikt in plaats van sterk ander hout totaal uit de lucht gegrepen.
Felix Bakker: waren er maar bananenbomen, dan zouden we extra eten hebben
gehad en...die zéker niet hebben gebruikt voor de spoorlijn. Maar vooral
het strikte toezicht van de bewakers is er de hoofdoorzaak van dat sabotage
aan de lijn onmogelijk was. Zo moest iedere werker minstens één
kubieke meter grond per dag verzetten én afvoeren. Hoe hadden we dan
in hemelsnaam stiekem met vier of vijf man een boomstam moeten halen, optillen
en op het tracé gooien of slechte boomstammen moeten verwerken in de
bruggen? Bovendien hadden de Japanse technici al ver tevoren de bomen uitgezocht
die geschikt waren. Deze bomen werden in stukken van zeven meter gezaagd en
naar de rivier gesleept. Na de bouw van de brug(delen) inspecteerden de Japanners
altijd nauwgezet de constructie. Een niet geringe factor was de militaire
politie Kempeitai die door haar hardvochtige optreden en reputatie succesvol
was in het preventief in de kiem smoren van plannen tot sabotage. Niet alleen
bij de werkers boezemden ze angst in, maar ook de Japanse troepen zélf
wilden de Kempeitai te vriend houden en hielden de werkers er daarom stevig
onder. Ten slotte stelt Felix Bakker dat sabotage eenvoudigweg contraproductief
was voor de werkers zélf omdat schade weer meer werk, dus meer zieken,
gewonden en doden zou veroorzaken.
Felix Bakker merkt nog op dat de Japanse commandanten dichterbij de gevangenen
stonden dan bij de eigen landgenoten van de Kempeitai. Ze waren er meestal
geen vriendjes mee. Zo is bekend dat Japanse officieren of onderofficieren
de krijgsgevangen officieren inlichtten wanneer de Kempeitai er aan kwam om
verdachten op te halen.
Het
kamp als micro-samenleving
Al in het krijgsgevangenkamp op Java vervaagden stands- en hiërarchische
verschillen van de vooroorlogse koloniale samenleving. In hoog tempo werden
blank, bruin en alle tinten daartussenin teruggeworpen tot de basisvragen
in het bestaan. Niemand wist wat de nabije toekomst zou brengen. Hoe ging
het met familie en vrienden. Zouden ze ooit weer vrij zijn. Was er genoeg
eten en drinken? Nieuwe onderlinge verhoudingen ontstonden omdat de gewijzigde
omstandigheden andere eisen stelden en de bestaande posities, status, kennis
en vaardigheden niet meer de antwoorden konden geven op de actuele vragen
en behoeften. Felix Bakker viel het op hoe snel binnen de groep KNIL' ers
de hiërarchische verhoudingen vervaagden of zelfs verdwenen. Zijn verklaring
is dat het kwam omdat de meesten dienstplichtigen waren en van huis uit geen
militair; er was bovendien door de korte periode dat ze actief in dienst waren
geweest te weinig "duurzame" militaire houding en vaardigheden opgebouwd.
Ze waren meer burger in uniform geweest dan militair. Het kamp, de transporten
naar eerst Singapore en Thailand of Birma waren als het ware een snelle transformatie
van vele individuele gevangenen in één grote groep werkslaven.
Wél was het zo dat officieren er beter van afkwamen dan de manschappen
en onderofficieren.
Confronterend was het contact met de Engelse medegevangenen die een naar ras
en sterk standsbesef gesegregeerde samenleving kwamen. Voor de Engelsen waren
officieren blank en manschappen bruin, zwart of gemengd. In de Nederlands-Indische
samenleving waren de Indo's wél als Europeaan gelijkgesteld, al was
het aantal Indische officieren klein. Voor Engelsen waren Indo's 'Eurasians'
en gewoon Aziaten, niet hun gelijken. Felix Bakker haalt het voorbeeld aan
van Engelse vrouwen in de koloniën die niet te land maar op Engelse schepen
van hun kind bevielen; dan waren ze tenminste op volledig Engels "grondgebied".
De Indische militairen kregen dus te maken met het Engelse superioriteitsgevoel
tegenover hen als niet-blanken. Dat terwijl ze allen in precies dezelfde dramatische
omstandigheden verkeerden met net zo veel ellende en een aan de Japanners
onderhorige positie.
Na de Japanse overgave
Toen de capitulatie van Japan bekend was geworden, wilde Felix Bakker totaal
niets meer met de spoorlijn te maken hebben; er niets meer van weten, horen
of erover praten. Alleen het probleem was dat de werkers gedwongen werden
er nog meer dan een half jaar te blijven wegens gebrek aan transport. De Amerikanen,
Engelsen en Australiërs zorgden er voor dat hun troepen zo snel mogelijk
werden gerepatrieerd. De Nederlanders waren afhankelijk van de scheepscapaciteit
van hun bondgenoten, die min of meer Nederland niet echt als een overwinnaar
van de strijd beschouwden.
Na het einde van de oorlog was Felix Bakker een door de strijd en gevangenschap
ervaren militair geworden, ook al was het een relatief korte tijd, maar als
ervaring intensief. Een nieuwe periode van oorlog drong zich op en Felix Bakker
bleef marinier en werd ingezet tijdens de bersiaptijd en de politionele acties.
Hij maakte deel uit van de nieuwe marinierseenheid het Marine Vendel, dat
op 19 oktober 1945 in Thailand was opgericht.11)
In Phetchaburi hoorden Nederlandse krijgsgevangenen voor het eerst over de
gruwelen die zich op Java afspeelden en waarvan Indo's en Hollanders slachtoffer
waren. Het militair gezag riep fitte ex-krijgsgevangenen op zich te melden
voor dienst. In Chonburi was een opleidingskamp opgericht, waar Felix Bakker
een aantal oude dienstmaten terugzag. Met Britse uitrusting en zeer gemotiveerd
werden twee compagnieën en een staf georganiseerd. Deze lichte infanterie-eenheid
bestaande uit Marinemensen werd het Marine Vendel, dat later deel zou uitmaken
van de Gadjah Merah Brigade die op februari 1946 in het zuiden van Bali zou
landen.12)
Felix Bakker zou tot in 1950 bij het Korps Mariniers blijven en heeft daarna
bij een ander onderdeel van de Koninklijke Marine gediend. Hij is als Luitenant
ter zee 2e klasse o.c. met functioneel leeftijdsontslag gegaan. Zowaar niet
onverdienstelijk voor een vroeger arme en "ex-gestichtsjongen".
Niet vergeten en herdenken
Jarenlang wist Felix Bakker zijn periode in Thailand als een voltooid
verleden tijd te behandelen. Hij was blije ervan verlost te zijn. Verwerking
door praten was niet zijn benadering; hij richtte zich geheel op het leven
van alledag en doorliep een fraaie loopbaan bij de Koninklijke Marine.
Toen
hij echter moest constateren dat een jonge historicus erkende niets te weten
van een Birma-Siam spoorlijn, besloot Felix Bakker dat dat niet acceptabel
was. Dit was voor hem de reden hernieuwde aandacht te vragen voor deze dramatische
episode. Na zijn pensionering werkte hij ook als reisleider voor tours naar
Zuidoost-Azië. Daarbij is hij meerder malen in Thailand geweest, wat
een confrontatie betekende met het eigen, dramatische verleden. Het maakte
veel bij hem los en er volgde een effect wat in zekere zin ook een verwerking
was, maar misschien meer nog een aandacht vragen voor een onderbelichte episode
in de koloniale en vaderlandse geschiedenis.
Felix Bakker, thuis in Zwiggelte (Drenthe) mei 2010
Foto: Humphrey de la Croix
Felix Bakker is een betrokken en ijverig ervaringsdeskundige-tijdgenoot geworden,
die inmiddels veel heeft betekend voor het herdenken en bewaren van het Nederlands-Indisch
erfgoed van de oorlog. Hij is bestuurslid van de Stichting Herdenking Birma-Siam
Spoorweg en Pakan Baroe Spoorweg(SHBSS) die jaarlijks de herdenking op het
terrein van Militair Tehuis Bronbeek organiseert.13
Hij houdt lezingen, schrijft publicaties en geeft interviews en heeft de aandacht
voor de spoorlijn enorm veel nieuw leven ingeblazen. Zijn goede geheugen,
feitenkennis en ervaringen als tijdgenoot, en zijn publicaties vormen een
bijzonder unieke historische bron op zich.
Publicaties van
Felix Bakker
5 maart 1942. Intermezzo in Kediri, in: Moesson, jaargang
46 nummer 9 (maart 2002), pp. 38-40.
Het Marine Vendel oktober 1945-juni 1946, in: Mars et Historia,
jaargang 37 nummer 2 (2003), pp. 44-53.
Het duel. Voortdurende luchtaanvallen, in: Houwe zo. Periodiek
van het Oud Contact Mariniers, jaargang (april 2006), pp. 11-12.
De Indische opleiding-mariniers 1941-1946, in: Trivizier. Blad
van de Vakbond voor Defensiepersoneel VBM|NOV, maart 2006, pp. 26-28.
Webreferenties
Stichting
Herdenking Birma-Siam Spoorweg en Pakan Baroe Spoorweg(SHBSS)
The
Thailand-Burma Railway Centre
http://www.japansekrijgsgevangenkampen.nl/
www.indischherinneringscentrum.nl
www.indischekamparchieven.nl
www.indieinoorlog.nl
Website
Oorlogsmonumenten
Literatuur
Geoffrey Pharaoh Adams, No time for geisha’s.
1973.
Jan Banning, Sporen van oorlog. Overlevenden van de Birma- en Pakanbaroe-spoorweg.
Fotoboek met bijdragen van Esther Captain en Wim Willems.
Utrecht 2003.
Rod Beattie, The death railway. A brief history.
Bangkok 2006.
Klazien van Brandwijk, Zo'n dramatisch commando, in: Checkpoint,
jaargang 8 nummer 2 (maart 2007), pp. 36-38.
Mariska Heijmans-van Bruggen (samensteller), De Japanse bezetting in
dagboeken. De Birma-Siam spoorlijn.
Amsterdam 2001.
J.C. van Hamel, Soldatendominee.
's Gravenhage 1948.
Dagboek.
L. de Jong, Het Koninkrijk
der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 11a. Nederlands-Indië I.
Tweede helft.
's Gravenhage 1985
Idem, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 11b.
Nederlands-Indië II. Tweede helft.
's Gravenhage 1985.
Idem, Het Koninkrijk der Nederlanden
in de Tweede Wereldoorlog. 11c. Nederlands-Indië III.
's Gravenhage 1986.
H.L Leffelaar en E. van Witsen, Werkers aan de Burmaspoorweg. Iedere
twee dwarsliggers een mensenleven, 414 kilometer en 200.000 doden.
Franeker 1982.
Tony van der Meulen, Dansen op de Kwai. Het leven na de Birma-spoorweg.
Amsterdam/Antwerpen 2003.
W. Rinzema-Admiraal, Romusha van Java. Het laatste front 1942-1945.
Redactie: dr. H.J. van Elburg.
Bedum 2009.
G.J.M. Wentholt O.F.M. Cap., Priesters in krijgstenue. De aalmoezeniers
in de Nederlandse krijgsmacht.
Amsterdam 1993.
E. van Witsen, Krijgsgevangenen in de Pacific-oorlog 1941-1945.
Franeker 1971.