Oorlog
en bersiap |
Birma-Siam spoorlijn en de Pakan Baroe spoorlijn
(1)
De Birma-Siam spoorlijn: de Doden Spoorweg
Humphrey de
la Croix
Inleiding
De aanleg door de Japanners van de spoorlijn van Thailand naar Birma behoort
tot de veelbelichte onderwerpen over de Tweede Wereldoorlog. Eigenlijk doet
het meer recht aan de werkelijkheid om te spreken over aanleg door de tienduizenden
krijgsgevangenen en dwangarbeiders, gezien de vele mensenlevens die de lijn
heeft gekost. Dit als gevolg van de zeer onmenselijke behandelding die ze
moesten ondergaan. De Birma-Siam spoorlijn heeft al vroeg veel aandacht gekregen
in geschiedschrijving en is erg legendarisch geworden door de film Bridge
over the River Kwai (1957) met Alec Guinness in de hoofdrol. De film
is geen historisch juiste reconstructie van het verleden, eerder een romantische
interpretatie van wat een harde, "vuile", mensonterende werkelijkheid
was. Tóch heeft de met zeven Oscars bekroonde film de Birma-Siam spoorlijn
een enorme bekendheid gegeven, waardoor ze in ieder geval niet in vergetelheid
geraakte.1)
In één adem dient in het kader van ons speciale thema Birma-Siam
spoorlijn genoemd te worden dat in Noord-Sumatra in de bezettingstijd een
traject is aangelegd in vergelijkbare omstandigheden, de Pakan Baroe spoorlijn.
De meeste aandacht is altijd uitgegaan naar de Birma-Siam spoorlijn omdat
vooral Amerikanen, Engelsen en Australiërs erin betrokken waren. De geschiedenis
van de Pakan Baroe lijn heeft ook de nodige aandacht gehad, maar vooral in
Nederland. Pionier en nestor in dezen is journalist-publicist Henk Hovinga;
hij wes niet zelf werkzaam geweest als krijgsgevangene aan de spoorlijn. IndischHistorisch.nl
geeft aan de Pakan Baroe spoorlijn de verdiende aandacht te schenken. Henk
Hovinga sprak jaren geleden al terecht over "het vergeten drama".2)
Deze eerste publicatie op IndischHistorisch.nl richt zich op de Birma-Siam
spoorlijn. In het kort worden de belangrijkste feiten bij elkaar gezet. Ook
wordt ingegaan op de historiografie over de spoorlijn en het herdenken in
Thailand en Nederland. Na dit eerste deel zal in het tweede op dezelfde wijze
de Pakan Baroe spoorlijn worden behandeld. De daaropvolgende bijdragen plaatsen
we in de periode tot en met augustus, de Indische herdenkingsmaand. Het aantal
publicaties is nu nog niet vastgesteld omdat dat mede afhankelijk is van de
beschikbaarheid van tijdgenoten die kunnen worden geïnterviewd. In ieder
geval is wél bekend dat de Stichting
Herdenking Birma-Siam Spoorweg en Pakan Baroe Spoorweg (SHBSS)
haar jaarlijkse herdenking op het terrein van Militair Tehuis Bronbeek in
Arnhem heeft vastgesteld op 21 augustus 2010.3)
Deze speciale thema's Birma-Siam spoorlijn en Pakan Baroe spoorlijn worden
uitgewerkt op basis van literatuuronderzoek, authentieke bronnen, krantenartikelen,
webpublicaties en interviews met tijdgenoten-getuigen.

De brug over de Khwae Yai nabij Kanchanaburi. Een
aantal van de originele boogbruggen is in 1945 door een geallieerd bombardement
verwoest en na de oorlog vervangen door de hoekige overspanningen. De bogen
waren oorspronkelijk
door de Japanners vanuit Oost-Java naar Thailand overgebracht.
Na de oorlog is de brug hersteld en weer in gebruik genomen.
De brug is ook een herdenkingsmonument en trekt veel bezoekers, die ook naar
de begraafplaats gaan.
Het begin
De vorming van een Japans imperium in Groot Oost-Azië, de Sfeer
van Gemeenschappelijke Welvaart, betekende in feite dat natuurlijke rijkdommen
van de veroverde gebieden richting Japan moesten stromen of naar belangrijke
regio's binnen het rijk. De ambitie van Japan om het imperium westwaarts,
richting Brits-Indië uit te breiden zou in logistieke zin een aanzienlijke
extra inspanning vereisen en een verhoogd beroep op de bestaande middelen
en werkkrachten. Grotere onveiligheid van de zeeroutes als gevolg van Geallieerde
onderzeeboten en luchtmacht dwongen de Japanners veiliger verkeersverbindingen
over land aan te leggen. Een spoorlijn van Thailand (Siam) naar Birma paste
geheel in deze nieuwe constellatie.
De
spoorlijn zou een verbinding leggen tussen Non Pladuk in Thailand en Thanbuyuzayat
in Birma. De lijn was bedoeld om de aanvoer van Japanse troepen en materialen
naar het westelijk front te vergemakkelijken. De lengte van de aan te leggen
spoorverbinding was 415 km (in Birma 152 km en in Thailand 263 km). Een belangrijk
deel ervan door ontoegankelijk oerwoud en berggebied. De spoorlijn werd aangelegd
in de nabijheid van twee rivieren, de Khwae Yai en Khwae Noi. In de film wordt
onterecht de suggestie gewekt als zou het om één rivier gaan,
de Kwai. Deze bestaat dus niet onder deze naam omdat het om de twee eerder
genoemde rivieren ging. De brug over de rivier "Kwai" overspant
de rivier met de naam Khwae Yai en ligt nabij Kanchanaburi, waar
na de oorlog een groot Brits oorlogskerkhof is aangelegd.4)
Bron kaart: Tony van der Meulen, Dansen op de Kwai. Het leven na de Birma-spoorweg.
Amsterdam/Antwerpen 2003.
De periode: juni 1942-november 1943
Het tracé diende gebouwd te worden in de periode juni 1942 tot november
1943. De werkelijke bouw begint in augustus. De Japanners hadden hiervoor
diverse soorten arbeid nodig. Van hoog-technisch werk tot graaf- en sjouwwerk.
Ze zetten vanuit de eigen militaire organisatie een 12.000 man spoorwegtroepen
in. Het zware grondwerk en houtkap zou moeten worden gedaan door arbeiders
uit geheel Oost- en Zuidoost-Azië. De arbeiders uit Nederlands-Indië
heetten romusha, van wie zo'n 290.000 tewerk zijn gesteld. De meesten
(geschat: 180.000-220.000) in Thailand en aan de Pakan Baroe spoorlijn op
Sumatra, maar ook op Nieuw-Guinea en de Salomonseilanden. De Japanners zetten
ook in totaal een 61.000 krijgsgevangen Amerikanen, Britten, Fransen en Nederlanders
(ruim 17.000) in bij de aanleg. Onder de Nederlanders onder anderen cabaretier
Wim Kan, dominee Catrinus Mak (vader van historicus Geert Mak) en pater Ezechiël
Vergeest. De laatste twee vervulden belangrijke rollen met hun geestelijke,
morele en praktische bijstand.5)
De aanleg van de spoorlijn: handarbeid in zware omstandigheden
Meer dan 4 miljoen kubieke meter grond zou moeten worden verzet en 3 miljoen
kubieke meter rots verwijderd. Die 4 miljoen werden er in werkelijkheid 6
miljoen! Gepland waren honderden bruggen met een lengte van 14 km. Twaalf
houten en twee metalen, waarvan de bekendste (foto hierboven) gehaald was
uit Oost-Java (bij Malang over de Brantas). Het gebied waardoor de lijn liep
bestond grotendeels uit tropisch regenwoud en rotsachtige bodem. Van april
tot september teisterde de moesson de streek. De bodem werd onbegaanbare modder
en de rivieren veranderden in woeste stromen, die buiten hun oevers traden.
Ten slotte waren er de klamme en drukkende hitte, en de muskieten. Al met
al waren de fysische omstandigheden erg zwaar bij de aanleg van de lijn. En...alles
moest met de hand gebeuren.6)
De inzet van krijgsgevangenen en gedwongen arbeid
Omdat zware machines voor het graaf- en kapwerk ontbraken, zou de spoorlijn
met de hand moeten worden aangelegd. Bij de start in juni 1942 zetten de Japanners
vrijwillig aangemelde Birmezen en Thai in. Maar velen van lieten het werk
in de steek omdat ze slecht werden behandeld door de Japanse en Koreaanse
soldaten. In hun plaats kwamen "vrijwilligers" uit de bezette andere
gebieden zoals Maleisië, Indo-China en Nederlands-Indië, de romusha's.
Niet weinig van hen kwamen uit overtuiging de gemeenschappelijke Aziatische
zaak te dienen. Dat gold in ieder geval voor de romusha's uit Indië,
die gedreven door Soekarno's opzwepende toespraken dachten dat ze vooral als
mede-Aziaten zouden worden behandeld. De werkelijkheid was geheel anders...
De romusha's hebben van alle ingeschakelde arbeidskrachten uiteindelijk de
zwaarste tol betaald en naar schatting overleefden acht op de tien het niet.
In totaal hebben we het over ongeveer 200.000 romusha's. De harde arbeid,
slecht en onvoldoende voedsel, en gebrek aan medische zorg putten hen uit
en velen bezweken direct of overleden als gevolg van ziekten als dysenterie
en cholera.
De bezetter dwong ruim 61.000 krijgsgevangenen tot de aanleg van de lijn.
Onder hen 17.000 Nederlanders en Indische Nederlanders. Voorafgaand aan de
werkzaamheden aan de spoorlijn zélf, hadden de krijgsgevangenen al
veel te lijden gehad tijdens het transport vanuit bezet Indië, Maleisië,
Indo-China en China. In de scheepsruimen zaten ze met te veel medegevangenen,
er waren geen of amper sanitaire en medische voorzieningen, een chronisch
tekort aan voedsel en het was geweldig heet. Ideale omstandigheden voor het
uitbreken van dysenterie en cholera. Het waren eindeloze weken in smerigheid
en tussen zieken en af en toe lichamen van bezweken lotgenoten. Daarbij kwamen
ook nog de aanvallen van Geallieerde vliegtuigen en onderzeeboten. Deze situatie
zette zich gewoon voort en verergerde tijdens de bouw van de spoorweg.7)
Het dagelijks leven
De krijgsgevangenen mochten alleen een ransel meebrengen en hooguit
twee stel uniformen (als ze al kleren hadden buiten wat ze droegen). Door
de snelle slijtage moesten velen echter slechts gekleed in schaamlappen die
de Japanners hun gaven. Door hun (enige) paar schoenen waren ze ook spoedig
heen. Soms gaven de Japanners rubberen schoenen die maar kort meegingen. Al
gauw liepen de meesten op zelfgemaakte houten kleppertjes of zelfs blootvoets.
Het zal geen verbazing wekken dat kapotgelopen voeten leidden tot zweren,
die niet genazen. Dat werd van kwaad tot erger door gebrek aan voedsel en
medicijnen. Naast ziekten is menig gevangene aan infecties bezweken. 8)
De voedselrantsoenen waren in hoeveelheid en kwaliteit ver ondermaats. De
militaire leiding in Tokio had gereglementeerd dat per dag per man 550-750
gram rijst en 50-100 gram vlees moesten worden uitgedeeld. De werkelijke rantsoenen
haalden dit minimum niet eens en het kwam regelmatig voor dat er een of meer
dagen helemaal niets werd uitgedeeld. Volgens getuigen en schattingen kwamen
de rantsoenen niet verder dan tussem 1100 en 1700 calorieën per dag,
waar 3500 voor het soort zware arbeid vereist waren. Het tekort aan vet, eiwitten
en vitaminen ondermijnde de conditie van de Westerse gevangenen enorm. Getuigen
stelden dat de Indische gevangenen er in slaagden beter te overleven door
gebruik te maken van de natuurlijke omgeving. Ze wisten welke planten en knollen
eetbaar waren; ook vingen ze vis en andere eetbare dieren uit de rivier.9)
Over de huisvesting: de werkers moesten eerst hun eigen kampen opzetten nadat
bomen waren gekapt, steen was verwijderd en de grond geëgaliseerd. In
het gehele tracé zouden 48 wisselplaatsen komen waar de treinen elkaar
konden passeren (de hele lijn was enkelspoor). In de nabijheid van een wisselplaats
werd een groter, basiskamp, opgebouwd van waaruit de werkers voortbouwden
aan het traject tot de volgende wisselplaats. Iedere dag moest er heen en
weer worden gelopen van en naar het basiskamp, of er werden kleinere kampplaatsen
ter plekke gebouwd wanneer de afstand te groot was geworden om dagelijks af
te leggen. Veel van de kleinere kampen waren slechts al dan niet overdekte
slaapplaatsen. Beter onderdak was er in de vorm van bamboe "barakken",
soms houten gebouwtjes.10) Bedenk
wel dat het aanleggen en afbreken werk was dat naast de aanleg van de lijn
moest gebeuren. Tijdens de regentijd wanneer grond in modder veranderde en
de nachten kouder, werden de mannen extra beproefd. De nodige (nacht)rust
ontbrak zo ook nog eens, wat weer leidde tot afnemende lichamelijke weerstand
en bevattelijkheid voor ziekte.
Overlevingsmechanismen: de kongsi
Hoe moeilijk de omstandigheden ook waren, wellicht zelfs als gevolg daarvan,
de werkers aan de spoorlijn beseften dat onderling samenwerken noodzakelijk
was om te overleven. Evenals in de interneringskampen in Indië deed men
dat via het systeem van kongsi's. Het begrip kongsi komt uit het Chinees en
betekent zoiets als 'algemeen beheer', een clubje dat voordeel verwerft door
samen te werken. De mannen aan in Birma en Siam vormden kleinere en grotere
groepen die afspraken maakten over taken, de verdeling van de werklast en
het beheer van de schaarse voedsel-, kleding en medicijnenvoorraad. De kongsi
was bovenal een manier om emotioneel de last te kunnen dragen door een gemeenschappelijk
gevoel, een lotsverbondenheid te versterken.11)
Ondanks
de soms uitzichtloze situatie slaagden werkers er in nog andere dingen te
doen dan werken. Bijzonder om te vermelden is de typisch Nederlandse vorm
van vermaak: het cabaret. Natuurlijk speelde Wim Kan hierin een prominente
rol. Daarnaast zijn vooral te noemen Dolf Winkler, Joop Postma als de leider
van "Het Hollands Cabaret" in Chunkai, daarbij muzikaal ondersteund
door Han Samathini op zijn accordeon. Samenwerking en gezamenlijk optreden
was er met de Engelsen en Australiërs. En een heus bestuur bestaande
uit officieren uit deze landen zorgde voor een goede organisatie. De optredens
en voorbereidingen daarop hebben het moreel van de mannen substantieel ondersteund.12)
Affiche van The Dutch Cabaret
Bron foto: D. Winkler
Ziekte en dood
De spoorlijn is tegen een hoge prijs aan mensenlevens gebouwd. De zware klimatologische
en geografische omstandigheden eisten hun tol van de ondervoede, afgebeulde
en zieke werkers. Van de geschatte 239.711 werkers overleefden 98.044 het
niet. De meesten van hen waren afkomstig uit Maleisië en Birma: 165.000
van wie er 82.000 overleden tijdens de aanleg. Het aantal Nederlandse slachtoffers
bedroeg 3272. Van de 7500 Javanen overleefden er 2900 het niet, 39%. De gemiddelde
sterfte van alle werkers was 41%.
De voornaamste doodsoorzaken waren ondervoeding, uitputting en ziekten malaria,
tyfus, cholera, diarree, dysenterie, beri-beri en tropische zweren. Daarnaast
waren er de vele bedrijfsongelukken en gevallen van mishandeling door de Koreaanse
en Japanse bewakers. Met name half 1943 aan het eind van de droge tijd en
het begin van het regenseizoen, brak de cholera uit. Ook de Japanners en Koreanen
werden hierdoor getroffen. Ze namen maatregelen en deelden medicijnen uit
om erger te voorkomen; helaas was het te weinig en voor velen te laat.13)
Na voltooiing van de spoorlijn
Naast het
massale lijden van de werkers is de grote tragiek van de Birma-Siam spoorlijn
dat deze door het verloop van de oorlog zijn doelstelling van 3000 ton vracht
per dag nooit heeft gehaald. Daar kwam ook nog bij dat de lijn vaker werd
gebombardeerd door de Geallieerde luchtmacht. Voor ruim 15.000 werkers was
de voltooiing van de lijn niet het einde van het verblijf in Thailand en Birma.
Ze moesten hout kappen voor de lokomotieven, de lijn onderhouden, laden en
lossen van wagons, en gebombardeerde stukken herstellen. En naarmate de Japanners
in 1944 en 1945 meer in het nauw kwamen, kregen ze veel minder voedsel waardoor
ziektes en sterfte toenamen.
Ten slotte moet onder de werkers toch het gevoel hebben geheerst dat door
de bombardementen alle geleverde inspanning en getrooste offers voor niets
waren geweest? Het is de moeite van het vermelden waard dat na afloop van
de oorlog onder de ex-werkers de verhalen over gepleegde sabotage aan de lijn
loskwamen. En dusdanig dat te betwijfelen valt of er in die beweerde mate
sabotage is gepleegd.
Een deel van de gevangenen was bestemd voor arbeid in mijnen en fabrieken
in Japan. De Indo's (die donkerder van uiterlijk waren en door de Japanners
als mede-Aziaten werden gezien) waren hiervan vrijgesteld; zij bleven in Thailand
en Birma. De transporten naar Japan vertrokken uit Singapore. Daar was in
het kamp Changi een groep van ongeveer 2000 man bijeengebracht, voornamelijk
KNIL' ers en leden van de voormalige Stadswachten. De Indische gevangenen
verbleven in kampen in onder andere Non-Pladuk, Kanchanaburi en Nakompaton.14)
Het einde van de oorlog en daarna
De periode vlak na het bekend raken van de Japanse capitulatie betekende geenszins
een grote verbetering op zeer korte termijn. Er bleven nog veel onzekerheden
voor de werkers: met name over het vertrek naar huis. Of beter gezegd over
het vertrek uit de posities waarin de werkers zich op medio augustus 1945
bevonden. De eerste dagen en weken vanaf 15 augustus 1945 verliepen in het
algemeen ordelijk, behoudens enkele incidenten. Zo sloegen in het kamp bij
Ban-Pong voormalige krijgsgevangenen samen met Japanners en Koreanen aan het
plunderen in voedselmagazijnen.15)
Het werk aan de spoorlijn werd gestaakt na bekend worden van de Japanse capitulatie.
Begrijpelijk, maar ook een valkuil omdat de werkers voor hun repatriëring
afhankelijk waren van die "vervloekte" spoorlijn. Omdat het nog
regentijd was, verzakten op veel plaatsen de beddingen en daarop liggende
rails. Herstel zou wederom grote inspanningen vereisen en door het ontstane
machtsvacuüm zouden de werkers niet gedwongen kunnen worden de werkzaamheden
weer op te nemen. Een van hen behield de tegenwoordigheid van geest en nam
snel op eigen houtje het initiatief om het onderhoud en daarmee het railvervoer
instand te houden. De voormalige KNIL-officier en spoorwegdeskundige ir. Karel
Warmenhoven verliet het kamp in Kanchanaburi en neemt de leiding over het
spoorwegbeheer. Hij vindt daarin de onmisbare steun van de talloze romusha's,
van wie hij het lot zich erg aantrekt. Zijn bevindingen heeft Van Warmenhoven
in 1947 opgetekend in een rapport aan het Geallieerde Militaire Gezag in Singapore.16)
Warmenhoven's inspanningen vormden een wezenlijke schakel in een voortvarende
repatriëring. Echter, de opstelling van de Engelsen en in mindere mate
de VS tegenover de Nederlanders, speelden hem daarin parten. De val van Japan
leidde in de omringende Franse koloniën in Indo-China tot onrust omdat
nationalisten het moment zagen aanbreken dat ze onafhankelijk konden worden.
De Amerikanen als grootste overwinnaar waren anti-koloniaal, ook al hadden
ze zich op dat moment nog niet uitgelaten over concrete gevolgen daarvan voor
de koloniale gebieden die tot hun grootste bondgenoten behoorden. De Geallieerden
beschouwden Nederland niet als een van de overwinnaars. De Engelsen onder
wiens gezag Indië viel, maakten geen haast met het regelen van logistieke
maatregelen zodat de Nederlanders snel weer het gezag konden uitoefenen. Het
betekende dat er geen schepen waren om krijgsgevangenen te repatriëren
en nieuwe militairen naar het gebied van de jonge Republik Indonesia aan te
voeren. De antikoloniale onrust in Indo-China en vooral in Nederlands-Indië
zou de repatriëring van Engelse en Amerikaanse krijgsgevangenen kunnen
belemmeren. Daarom gaven de VS en Groot-Brittannië hun eigen mensen de
hoogste prioriteit en inderdaad waren hun krijgsgevangenen al medio september
1945 succesvol op transport naar huis gezet. De ruim 11.000 Nederlandse werkers
bleven in onzekerheid achter in Thailand en Birma. Ze moeten ook nog eens
in de kampen blijven; bij velen bekruipt het gevoel de oorlog opnieuw te verliezen,
althans niet tot de winnaars te behoren. Deze eerste weken na de bevrijding
waarnaar hevig werd verlangd, zorgde op zijn minst voor gemengde gevoelens.
De eerste groep ex-krijgsgevangenen konden in december 1945 inschepen en de
laatsten pas tien maanden later, in oktober 1946.17

Kanchanaburi War Cemetery: er liggen 6982 geallieerde
krijgsgevangenen begraven die hebben gewerkt aan de Birma-Siam spoorlijn.
Het merendeel is van Britse afkomst, maar er liggen ook Nederlanders begraven
'Lest we forget'
De herdenking
van de slachtoffers van de oorlog in het Verre Oosten kwam op nationaal niveau
moeizaam tot stand. Hieraan lag ten grondslag de kramp die het einde van Indië
veroorzaakte bij Nederlandse politici. Het verlies van de kolonie leek een
hoofdstuk te zijn dat niet graag werd gelezen. Pas eind jaren zestig kwam
door TV-uitzendingen een einde aan het voorbijgaan aan verdrongen nationale
en individuele trauma's en aan het trachten te vergeten van de oorlog in Azië.
Het duurde echter nog wel tot 1988 voordat het Indisch Monument in Den Haag
er kwam. Pas vanaf dán wordt jaarlijks herdacht dat het echte einde
van de Tweede Wereldoorlog niet op 5 mei 1945 was, maar op 15 augustus 1945.
Sinds die eind jaren tachtig is het sneller gegaan en vinden overal in het
land herdenkingen van de oorlog in het Verre Oosten plaats. Ook de Birma-Siam
spoorlijn en Pakan Baroe spoorlijn krijgen een volwaardige plaats. Grote inspanningen
zijn van oudsher verricht door veteranenorganisaties, de Nederlandse Oorlogsgravenstichting
en het Comité Herdenking Birma-Siam Spoorlijn en Pakan Baroe Spoorlijn
(nu: Stichting Herdenking
Birma-Siam Spoorweg en Pakan Baroe Spoorweg(SHBSS)).18)
Alle 3272 namen van Nederlanders die omgekomen zijn bij de aanleg van de spoorlijnen,
zijn te lezen op 12 zwarte stenen plaquettes. Deze zijn ingemetseld in een
bakstenen muur die een onderdeel is van het Birma-Siam Monument in de tuin
van het militair tehuis Bronbeek in Arnhem. Het monument was op 24 juni 1989
onthuld door Prins Bernhard. Drie pagodes die mede onderdeel zijn van het
monument, vormen een verwijzing naar de Drie Pagodenpas op de grens van Birma
en Thailand. In 2001 is een herdenkingsplaat toegevoegd met daarop de tekst
'BIRMA- SIAM (THAILAND) OPDAT ZIJ NIET WORDEN VERGETEN.' Op 7 oktober 1943
werden daar de verbindingen uit Birma en Thailand op elkaar aangesloten. De
laatste hand werd gelegd door een groep van 300 Nederlanders.19)
Een recente ontwikkeling in het vastleggen en doorgeven van het erfgoed van
de oorlog is er in de vorm van nieuwe websites van het Nederlands Instituut
voor Oorlogsdocumentatie. Het aanhaken bij de nieuwe media is een eigentijdse
en doelmatige manier om het hoofddoel van herdenken en gedenken te realiseren:
vastleggen, doorgeven en versterken van kennis aan volgende generaties. Deze
nieuwe sites worden op 17 mei 2010 officieel vrijgegeven.20)
Ten slotte lijkt de totstandkoming van een Indisch herinneringscentrum werkelijk
gestalte te krijgen met de aanstelling van een nieuw bestuur, directie en
lokatie op Bronbeek.
Monument voor de gevallenen van de Birma-Siam en Pakan Baroe
spoorweg op het terrein van Militair Tehuis Bronbeek
te Arnhem.
Vóór de herdenkingswand de drie pagodes als verwijzing naar
de gelijknamige bergpas op de grens van Birma en Thailand
Bron foto: website
Stichting Herdenking Birma-Siam Spoorweg en Pakan Baroe Spoorweg(SHBSS)
Henk Hovinga, Eindstation
Pakan Baroe 1943-1945. Dodenspoorweg door het oerwoud.
1976.
Idem, Op dood spoor. Het drama van de Pakan Baroe spoorweg, 1943-1945.
Franeker 2007.
C. van Heekeren, Het pannetje van Oliemans.
Franeker 1966.
Idem, Het Koninkrijk der Nederlanden
in de Tweede Wereldoorlog. 11b. Nederlands-Indië II. Tweede helft.
's Gravenhage 1985.
Idem, Het Koninkrijk der Nederlanden
in de Tweede Wereldoorlog. 11c. Nederlands-Indië III.
's Gravenhage 1986.
H.L Leffelaar en E. van Witsen, Werkers aan de Burmaspoorweg. Iedere
twee dwarsliggers een mensenleven, 414 kilometer en 200.000 doden.
Franeker 1982.
Tony van der Meulen, Dansen op de Kwai. Het leven na de Birma-spoorweg.
Amsterdam/Antwerpen 2003.
W. Rinzema-Admiraal, Romusha van Java. Het laatste front 1942-1945.
Redactie: dr. H.J. van Elburg.
Bedum 2009.
G.J.M. Wentholt O.F.M. Cap., Priesters in krijgstenue. De aalmoezeniers
in de Nederlandse krijgsmacht.
Amsterdam 1993.
E. van Witsen, Krijgsgevangenen in de Pacific-oorlog 1941-1945.
Franeker 1971.