Oorlog
en bersiap |
Alex Sikken, Indo-jongen als dwangarbeider in Dampit
door Humphrey de la Croix
De gebeurtenissen die zich afspeelden in de periode
juni 1944 tot en met juni 1945 in de buurt van het Oost-Javaanse Dampit, vormen
een specifieke geschiedenis van Indo's buiten de kampen. Dieptepunt in deze
tragische geschiedenis is dat begin juni 1945 dertien onschuldige Indische jongens
door de Japanners zijn geëxecuteerd wegens vermeende ondermijnende activiteiten.
IndischHistorisch.nl heeft het verhaal van tijdgenoot/ex-Dampitter
Alex Sikken (81) mogen optekenen. Hij is een van de nog weinig overgebleven
overlevenden. In september 2008 vindt twee jaar na de vorige, de eerstvolgende
reünie plaats van ex-Dampitters. Plaats is het militair tehuis Bronbeek
te Arnhem, waar het gedenkteken staat ter ere van de slachtoffers van voormalig
strafkamp Dampit.

Geboren en getogen in Malang
Alexander Johan (Alex) Sikken is in 1927
geboren in Malang. Hij is een "echte Malanger". Zijn vader Jan Alfred
was een Indo en moeder was een Javaanse uit de buurt van Sempol, Oost-Java.
Alex Sikken heeft een jongere hafbroer, Ferry Sikken die in Nederland woont.
Vader was na diverse beroepen te hebben uitgeoefend een ondernemer, administrateur
van een koffieplantage. Moeder was een koffieplukster. Alex doorliep de lagere
school in Malang in de wijk Oro Oro Dowo en volgde daarna de MULO St. Franciscus
Xavieriusschool. Hij moest deze in de
tweede klas noodgedwongen afbreken vanwege de bezetting. Het Nederlands onderwijs
was binnen enige weken na de val van Indië op 9 maart 1942 verboden.
Alex Sikken woonde gedurende zijn jeugd in de wijk Lowokwaroe aan de noordrand
van Malang. Hij woonde met zijn halfbroer in bij een tante van vader's kant,
een mevrouw Haholy. Vader werkte in de cultures bij de kampong Ngemboel en het
was onpraktisch dat de kinderen ook dáár woonden; ze moesten immers
naar school in Malang. Wèl gingen de broers in de schoolvakanties
Alex
Sikken in augustus 2008 thuis in Almelo
Foto: H. de la Croix
naar het huis van vader in Kalipare, een van
de vier huizen die hij bezat. Moeder woonde gescheiden van haar kinderen. Alex
vertelt dat zoiets toen niet vreemd was. Maar het effect was een vervreemding
van zijn moeder.
Een ommekeer kwam er op zijn zestiende toen hij na een conflict door zijn vader
de toegang tot het huis werd ontzegd. Hij wilde er net zijn lagere schooldiploma
gaan ophalen. Zijn vader had hem altijd onderworpen aan een typisch "Indische"
= Spartaanse opvoeding gegeven en daarvan was de toen 16-jarige Alex voortaan
bevrijd. Maar een echte bevrijding? Het was 1943, het Japanse juk begon zich
zwaarder te laten voelen en de algehele situatie op Java werd er niet beter
op.
De oorlogsjaren in Malang en omstreken
Alex Sikken vertelt onder het voorbehoud dat hij veel is vergeten over
de periode in Dampit en daarna. Zijn verklaring is dat hij
die herinneringen heeft willen verdringen, wegstoppen om er geen last van te
krijgen. Toch weet hij met opmerkelijke nauwkeurigheid namen uit die tijd te
spellen of andere ogenschijnlijk heel gewone details te reproduceren.
Na de deur te zijn gewezen door zijn vader kwam Alex terecht bij de
familie Heheman die een fietsenzaak had, Matrasvan(?) genaamd. Intussen waren
daar twee zussen komen wonen, Mientje en Liesje, die in een bar in de stad werkzaam
waren. Alex en zijn halfbroer haalden hen 's avonds op van hun werk. Kort nadat
Alex en broer Ferry bij de familie waren ingetrokken, moest hij zich van het
kamponghoofd met persoonlijke spullen melden bij het residentiekantoor aan de
Wilhelminastraat. Hij wist niet wat ervan te denken, maar nam wat kleding mee
in een plunjezak en een rantang met eten. Bij het kantoor aangekomen bevonden
zich meer Indische jongens. Geen van allen wist wat er ging gebeuren. Het werd
snel duidelijk toen ze vanaf station Djagalang (lokatie dicht bij het huis van
zijn tante) op een treintje werden gezet op het traject Toempang - Singosari.
Ze moesten uitstappen in Dampit met meenemen van plunjezakken, rantangs en andere
"handbagage". Ze moesten toen te voet naar de onderneming Soember
Gesing, een tocht van ongeveer drie uur. Bij naderen van het complex zag Alex
jongens in het veld dat blak daarvóór nog bos was geweest, boomstammen
hakken. De jongens schreeuwden wat hij in zijn rantang had. Wanneer dat eten
was mocht het niet mee naar binnen. Alex gaf toen zijn eten maar aan de jongens,
beter dan het door de Japanners laten afnemen.
Dampit, tewerkstelling op het complex van de onderneming Soember Gesing
Alex Sikken legt uit dat ze met vier lichtingen of groepen waren gearriveerd.
Naar de Japanse telling hadden ze opeenvolgende namen Dai-It, Dai-Ni, Dai-San
en Dai-Jong (ofwel 1, 2, 3, 4). De eerste drie moesten in een loods en voor
de vierde groep was daar geen plaats. Ze werden naar een andere schuur overgebracht,
een zogenaamde gorengan voor koffie. Hij legt uit dat er twee bewerkingswijzen
voor koffiebonen bestonden. De Oost-Indische bereiding waarbij de bonen door
kiemen van hun vliesjes worden ontdaan en daarna te drogen worden gelegd op
een metalen plaat met gaten in de gorengan. Pas daarna vindt het branden of
roosteren plaats. De andere methode is de West-Indische bereiding waarbij de
bonen direct in de buitenlucht te drogen worden gelegd en al snel hun vliesjes
verliezen.
In de gorengan sliep de groep op een hoogte van tien meter op zo'n metalen plaat
waarop tikar of matjes lagen. De groep bestond uit een 25 jongens,
min of meer van zijn leeftijd. Het regime was hard in het kamp. Een collaborateur
was voorman, een zekere Raes of Raas. Hij had een rechterhand Wim Laureijs.
Beiden traden hard op, scholden, vernederden en sloegen hen. Natuurlijk moesten
de jongens keihard werken. Des te zwaarder omdat de bijlen die ze gebruikten
bot waren. Op een dag beschuldigde Raes/Raas enkele jongens van snoepen tijdens
het werk. Voor straf moest iedereen tengomain sasek (push-ups, opdrukken)
doen. Iedere ochtend moesten de jongens met het gezicht in de felle
zon het Japanse volkslied Kimigayo. Het eten stelde weinig voor en bestond uit
wat rijst met maiskorrels en soms groenten. Al gauw hadden de meeste jongens
diarree. Alex Sikken weet zich nog enkele namen van jongens te herinneren uit
zijn groep: Jopie Oudraad, Tonny Jahn, Lodewijk Kelterborn, Willy Hodselmans,
Alex Westhof en een Freek, die vaak een pak slaag kreeg en flauwviel. Wanneer
iemand hem wilde helpen, kreeg diegene op zijn beurt een pak slaag. Alex Sikken
kreeg zelf ook klappen van een ballenjongen (collaborateur met verwijzing naar
de rode bol die de zon voorstelt in de vlag van Japan), genaamd George Pfaff.
Deze kreeg de bijnaam Pauline vanwege zijn verwijfde lichaamsbewegingen. Een
andere herinnering aan de slechte situatie in het kamp was de keer dat Jopie
Oudraad door een Indonesische bewaker werd 'betrapt' op bezit van een rijstkoekje.
Jopie werd opgepakt, de wacht maakte een koekje vast aan een touwtje dat vlak
boven zijn hoofd aan een tak was opgehangen en het andere koekje werd in zijn
mond gestopt, maar hij mocht het niet inslikken op straffe van een pak slaag.
Volgens Alex Sikken had Jopie het koekje geruild met kleren van hemzelf met
een bewoner van de nabijgelegen kampong. Aan het eind van de goot waardoor uitwerpselen,
urine en koffieschillen dreven, was het 'toilet' en daarachter de kampong. Door
een gat in het hek konden ze contact maken met de bevolking.
Einde van de tewerkstelling
Over de duur van de tewerkstelling weet Alex Sikken
zich niets meer te herinneren. Hij meent zelfs dat die periode in 1943 gestart
is, maar weet dat niet zeker. Nu weten we dat hij tot de groep behoorde die
op 17 oktober 1944 is opgeroepen. Hij weet dat de vier groepen ongeveer 75 jongens
geteld hebben. Toen ze het kamp mochten verlaten om naar huis te gaan, waren
er slechts zeventien die nog konden lopen, waaronder hijzelf. De rest had diarree
en tropische zweren, en vaak geheel uitgeput. Wie niet kon lopen mocht op een
ossenkar meerijden. Achteraf heeft hij vernomen dat er van de tewerkgestelden
een dertiental is geëxecuteerd. Alex' gewezen klasgenoot Hans van Leeuwen
zou zelfs zijn geëxecuteerd vlak na de Japanse capitulatie. In die periode
zèlf is voor deze tragische feiten geen enkele aanwijzing geweest. Achteraf
gezien zouden de Japanners een groepje Indo-jongens, waaronder Hans van Leeuwen
en Piet Jekel in de gaten hebben gehouden. Hoe wantrouwig de Japanners waren
illustreert de aanleiding om Hans van Leeuwen te wantrouwen: deze jongen tekende
vaak en graag vliegtuigen. De bezetter heeft dat verdacht gevonden en betiteld
als uiting van vijfde kolonne-activiteiten. Aan de vooravond van de terugkeer
naar huis in Malang overleed nog Wim Schoonderwal (uit Lawang?). In de ruimte
die als ziekenboeg diende, maar die naam niet kon dragen, was eerder Johnny
de overleden. Toen Alex Sikken naar huis ging, had hij geen kleren omdat die
met de kampongbewoners waren geruild tegen voedsel.
De periode rond de Japanse capitulatie 15 augustus 1945 en de Bersiaptijd
In Malang ging Alex Sikken vanaf station Djagelang naar de familie Hehema en
heeft daar vernomen dat Japan had gecapituleerd. Al gauw zag hij op voertuigen
de kreet Merdeka! staan en juichende Indonesiërs. Wel zag hij
nog kans een bezoek van een week af te leggen bij zijn moeder. Daarna vertrok
hij naar zijn tante (zus van zijn moeder) die erg verbaasd was haar neef te
zien. Met name omdat hij nog buiten rondliep terwijl overal alle sporen van
Europeanen leken te zijn uitgewist. Alex Sikken vroeg zich af hoe thuis te komen
vier kilometer verderop. Er kwam een Indonesische man uit de wijk die hem begeleidde.
Voordat hij naar het huis van de familie Heheman ging, meldde hij zich eerst
bij het wijkhoofd. Deze sommeerde hem niet weg te gaan omdat hij de volgende
ochtend zou worden opgehaald. Het bleken pemoeda's (jonge vrijheidsstrijders)
te zijn en die Alex Sikken op een vrachtauto zetten, naar de Lowokwaroegevangenis
zou snel blijken. Het liep toen tegen de avond, het was al gaan schemeren. In
de gevangenis zaten meer jongens en volwassen mannen. Hun namen: ir. Von Freiburg,
dr. van der Linden, mr. Harjari, Thomas die stationschef was in Probolinggo,
Boy Beijer, Maurits, een oudere heer Classen en zijn schoolgenoten John en Leo
Han. Ze moesten slapen op betonnen kribben, het eten was slecht en er was één
ton die als WC diende. Deze ton was veel te klein zodat de inhoud over de rand
liep en de cel in hevige stank onderdompelde.
Op 12 december 1945 werden ze overgeplaatst naar cel 12. Deze was op een hoek
en nu zaten er 30 personen in. Namen die Alex Sikken noemt: Han, Rijker, Bäck,
Roger, Wenneker. Heel goed herinnerde hij zich de luizen die in hun kleren zaten.
Het was er nog viezer dan in de vorige cel en eten was amper zo te noemen. De
heer Classen sliep naast de wc-ton en lag half in de viezigheid. Op een dag
riepen de bewakers om dat er bezoek was voor Alex Sikken. Het bleek zijn vader
te zijn, die onverwacht zijn zoon hem om vergiffenis omdat hij hem zo'n slechte
jeugd en opvoeding had bezorgd.
Uiteindelijk werd Alex Sikken vrijgelaten maar hem werd niet toegestaan terug
te keren naar de familie Heheman. Hij moest naar de Wijk, een gegoed deel van
de stad in de bergenbuurt, in de Djalan Baloeran. Hier sloegen de pemoeda aan
het plunderen in winkels en huizen. Alex Sikken moest zich gereedmaken voor
een treinreis. Dat bleek geen trip naar de vrijheid: hij ging naar Ngawi en
werd op station Barat afgezet. Met een groep andere Indo's en Nederlanders moest
hij met een suikertreintje naar Magetang en vanaf Halurie moesten ze afstappen
om gereedstaande lorries verder te duwen. Ze arriveerden ten slotte in Plausan
en werden ondergebracht in een drietal buitenverblijven. Omdat er niet voldoende
plaats was, moest Alex in de administrateurswoning, waar hij enige maanden heeft
gezeten. In die tijd heeft hij meerdere malen hulppakketten van het Rode Kruis
ontvangen. Het was niet helemaal niets doen: 's avonds en 's nachts was er wachtlopen
als corveedienst. De kok die het eten maakte heette Visser. In die tijd is een
van de verblijven ene mevrouw Slingeland overleden.
Op een dag werd iedereen op vrachtauto's gezet en bleken ze naar Madioen te
gaan en vervolgens naar Djakarta per geblindeerde trein. Onderweg werden ze
begeleid door gewapende Indonesiërs. De aankomst was in Bekasih (West-Java),
waar de groep werd overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten. De groep kwam
terecht in het Minangkabaukamp waar een onderdeel van het leger was gehuisvest,
de Aan- en Afvoertroepen (AAT). Iedereen werd ontluisd, kreeg andere kleren.
Er was weer genoeg voedsel en zelfs ontspanning was verzorgd. ' s Avonds trad
de bekende muzikant George de Fretes op en maakte Hawaï-muziek. Alex Sikken
kreeg ook hier corveetaken.
Repatriëring
Twee weken na aankomst in het Minangkabaukamp vertrok Alex Sikken naar
Soerabaja met de s.s. Plantius van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM).
In die stad ging hij naar de NIAS-school. Hij kon er tijdelijk logeren bij een
kennis. In 1947 solliciteerde hij bij de Marine en heeft daar gewerkt tot 1950,
toen zijn afdeling werd opgeheven. Er volgden jaren waarin Alex Sikken verschillende
beroepen uitoefende zoals automonteur en in een chocoladefabriek Parrot (Soerabaja).
Op een dag adviseerde de Griekse eigenaar, genaamd Tsounas, hem zonder lang
te wachten naar Nederland te vertrekken omdat er geen toekomst meer was in Indonesië.
Zo geschiedde en in 1958 arriveerde Alex Sikken op basis van het Rijksvoorschot
in Nederland. Hij kwam terecht in Eibergen in de Achterhoek. Al gauw liet hij
zich omscholen omdat zijn startkwalificaties vanuit Indië onvoldoende waren.
In Apeldoorn volgde hij lessen op de Rijkswerkplaats en werd na anderhalf jaar
instrumentenmaker. Toen op een dag een medewerker van de afdeling Personeelszaken
van blikfabrikant Thomassen en Drijver hem vroeg in het bedrijf te komen werken,
betekende dat het begin van een 34-jarige loopbaan voordat hij op zijn zestigste
met VUT ging. Al die tijd is Alex Sikken in Almelo woonachtig geweest, eerst
in de Troelstrastraat in de wijk Kerkenlanden. Een echte 'Indische' wijk waar
in de jaren vijftig veel nieuwbouw is neergezet.
Alex Sikken wil ten slotte nog kwijt dat hij lange tijd heeft gevochten voor
erkennin van het ondergane leed. Vanaf 1976 was hij bezig een beroep te doen
op een van de bijzondere regelingen voor oorlogsslachtoffers. Uiteindelijk kreeg
hij pas in 1999 een bijzondere uitkering vanuit de Wet Uitkeringen Burgeroorlogsslachtoffers
(WUBO). Een wet die in 1984 pas van kracht was geworden.
Literatuur
Martin Berghuis, eigen verhaal
opgenomen in de bundel (pagina's 82-86): Malangse Jeugdherinneringen van
voor- tijdens- en na de Japanse bezetting. Verzameld en uitgegeven door
de Stichting Strafkamp Dampit - Een bundel van 200 pagina's.
Willy Croese, Sajoer gendjer eten. Malang, 17 oktober 1944. Indische jongens
in Japanse gevangenschap. Opgeschreve door zijn dochter Tineke, Spijkenisse
2006. Uitgever: Malpertuis Editions. ISBN 9080757748.
B.R. Immerzeel en F. van Esch (red.), Verzet in Nederlands-Indië tegen
de Japanse bezetting, 1942-1945, Den Haag 1993. Uitgever: SDU. ISBN 9012068479.
Julika Vermolen, De Dampit-affaire. Een vergeten drama in Oost-Java tijdens
de Japanse bezetting, Amsterdam 1999. Uitgever: De Bataafsche Leeuw. ISBN
9067075086.
Webreferentie
Literatuurlijst
Indo's buiten de kampen