Ron Tempel heeft Indisch bloed via zijn zijn oma Gesina Witmond. Als kleine
jongen van zes jaar was hij al geboeid door de foto van opa Theo Tempel in KNIL-uniform.
Hij hoorde dat zijn vader Jan
op
de jonge leeftijd van vijf jaar zijn eigen vader had verloren. Grootvader is
maar 36 jaar geworden, hij leefde van 1907 tot 1943.
Archieven
en brieven
Deze gebeurtenissen vormden de aanleiding om diepgaand familie-onderzoek te
doen. Tijdens zijn studententijd ging hij de archieven bezoeken van het Nijmeegs
Gemeentearchief, het Gelders Archief, die van het Nationaal Archief (toen nog
Algemeen Rijksarchief), het NIOD en in Duitse Archieven. En hij correspondeerde
met allerlei instanties of bezocht hen. Hij heeft uitgebreid onderzoek gedaan
tot in Thailand en Indonesië. Het werd zijn hobby. Hij wilde voor zijn
vader de gangen van zijn grootvader nagaan. Ron legde zijn speurtocht naar het
Indische verleden van Theo Tempel vast in plakboeken. Ook verzamelde hij zoveel
mogelijk documenten.
Het
graf van grootvader Tempel is nooit gevonden
Grootvader Tempel kwam in 1928 naar Nederlands-Indië. Hij was brigadier
en woonde hij in de kazerne in Cimahi. Na zijn huwelijk met Gesina Witmond woonde
het paar in een
eenvoudige
klasse G-woning. Ze kregen twee zoons, Chris in 1936, Jan, de vader van Ron
in 1937 en in 1938 zijn tante. Grootvader verdiende toen nog niet veel en ze
hadden het niet zo gemakkelijk.
Grootvader werd in 1942 krijgsgevangen genomen door ”de Jap” en
aan de Birma-spoorlijn te werk gesteld. Hij overleed in juli 1943. Daar heeft
hij veel onderzoek naar gedaan en veel documenten over verzameld. Ron: "Ik
weet er het fijne nog niet van, want zijn graf is nooit teruggevonden. Mijn
oma kreeg het te horen door een Rode Kruiskaartje, ergens rond september 1945,
terwijl ze zelf met de kinderen in een jappenkamp zat. Mijn oma heeft het kamp
overleefd door de zorg om haar kinderen en vanwege haar christelijk geloof.
Mijn oma ontving in het kamp steun van een evangeliste en zij nam haar geloof
aan, de kerk van de Zevende-Dags Adventisten.".
Van
de SAIP (Stichting Administratie Indische Pensioenen) heeft Ron overzichten
van het loon van zijn opa gekregen. Op de pensioen-kaart is elk jaar zijn rang
en het loon bijgehouden. Zijn hele staat van dienst is te zien. Later werd opa
sergeant-majoor. In de rang van instructeur ving hij nieuwe lichtingen KNIL-lers
op die uit Holland arriveerden. Hij leidde jongens van negentien en twintig
jaar van de Koloniale Reserve op die fris van de Prins Hendrik-kazerne uit Nijmegen
kwamen. Ze kregen een opleiding van enkele maanden.
Ron heeft brieven ontvangen van mensen die zijn opa hebben gekend als instructeur
of collega. Ze hebben wat karakteristieken van mijn grootvader opgeschreven.
Via Bronbeek in Arnhem leerde hij een collega van zijn opa kennen. Helaas is
hij overleden. "Anderen met wie ik heb geschreven, zijn ook al overleden,
onder andere een in Australië en een man in Vught. De meeste van die mannen
gaan nou allemaal dood.".
Hij was net op tijd: "Ik ben in 1975 geboren, dus ik moest er echt rap
bij zijn. Ik heb advertenties gezet en oproepen gedaan in veteranenbladen als
Madjoe en Stabelan. Die blaadjes gaan ook ter ziele omdat die veteranen die
erin schreven, nu ook zijn overleden.".