Familieverhalen |
Armeniërs
in Indië (3): het verhaal van Varsenike Knape - Elisha
door Humphrey de la Croix
In
het vorige deel is het levensverhaal
van Varsenike Knape - Elisha (1916) gevolgd tot het begin van de Tweede Wereldoorlog.
Een periode van bijna 10 jaar vol onzekerheden,
angst en verdriet zou aanbreken. Daarna
volgde een vertrek naar Nederland.
De persoonlijke geschiedenis van mevrouw Knape-Elisha
geeft een nadere inkleuring geven van de Armeense gemeenschap in de kolonie
tegen de achtergrond van de "grote" historische feiten. Een
voorbeeld van het wel en wee van een van de vele Indische Nederlanders in de
laatste halve eeuw van Indië.
Begin van de oorlogstijd
De oorlog maakte hardhandig een eind aan de periode
van onbezorgdheid en geluk. Mevrouw Knape zelf spreekt van de "boze herinneringen".
Het was een periode van angst, geweld en dood die ze van nabij zou beleven.
Na de mobilisatie in 1940 werd echtgenoot Frans Hartgers stadswacht in Semarang
en hij zou onder andere als opdracht hebben meegekregen de orde te helpen handhaven.
Mevrouw Knape veronderstelt dat haar echtgenoot als stadswacht hetzij uit eigen
beweging hetzij in opdracht, probeerde om zoveel mogelijk sabotages te verrichten
zodat de Japanners geen profijt konden hebben van de infrastructuur. Het ligt
in de rede dat de Stadswacht door de Japanners werd beschouwd als een onderdeel
van de Nederlandse strijdmacht en dat dit de aanleiding was voor de arrestatie
van Hartgers. Daarnaast maakte hij geen geheim van zijn afkeer van de bezetter.
Mevrouw Knape-Elisha vertelt dat de stadswachten als laatsten binnen de Nederlands-Indische
strijdkrachten hun taak hebben uitgevoerd, nadat de reguliere troepen van het
KNIL als eersten gesneuveld, gevangengenomen of anderszins uitgeschakeld waren.
De Stadswacht draaide zodoende in laatste instantie uiteindelijk op voor de
handhaving van de orde, maar werd ook snel door de Japanners ontmanteld nadat
deze voldoende eigen troepen hadden om zelf orde en veiligheid te handhaven.1)
Frans Hartgers werd later op transport gezet naar Thailand om te werken aan
de Birma-Siamspoorweg. Een bevriende Japanse zakenrelatie heeft mevrouw Knape
nog aangeboden om bij de Kempeitai (Japanse militaire politie) een goed woordje
te doen om haar man vrij te krijgen. Deze relatie bleek toen een spion-officier
te zijn geweest bij de Japanse inlichtingendienst. Mevrouw Knape is niet op
het bod ingegaan omdat ze het een vorm van landverraad vond, ook ervan overtuigd
zijnde dat haar man van dat aanbod geen gebruik zou maken. De Japanse zakenrelatie
woonde vóór de oorlog in Semarang in een villa in een mooie buurt
(Tjandi) en met uitzicht op zee. Achteraf gezien herinnerde mevrouw Knape zich,
toen ze vóór de oorlog met haar man samen een beleefdheidsbezoek
bracht aan deze zakenrelatie, dat er aan een wand in het huis een kaart van
Indonesië hing, waarop aantekeningen stonden en markeringen met vlaggetjes.
Waarschijnlijk waren daarmee al strategische doelen in kaart gebracht. Hartgers
moest voor zaken meermalen naar Japan en was daarom de Japanse taal dusdanig
machtig dat, later tijdens zijn internering, zijn krachttermen voor de Japanse
bewakers van het krijgsgevangenkamp aanleiding was hem flink te mishandelen.
Temeer omdat de bezetters iedere Nederlander in een uniform van sabotage en
verzet verdachten. Naast hun normale minachting voor gevangenen.
Buiten het kamp gebleven
Nu echtgenoot Hartgers in krijgsgevangenschap was afgevoerd, moest
mevrouw Knape in haar eentje hun twee zoons tegen de gevaren van de onzekere
tijd beschermen.
Na de internering van Hartgers volgden de ontwikkelingen elkaar snel op. Toen
mevrouw Knape kort daarna op een middag thuiskwam na een wandelingetje met de
kinderen, deed een volkomen vreemde vrouw de deur open en vroeg wat ze moest.
Op de reactie dat het haar huis was, antwoordde de vreemde vrouw dat het vanaf
dán haar woning was geworden. Die prachtig ingerichte woning met op maat
gemaakte meubels en persoonlijke bezittingen als sieraden, zilverwerk en kleding
behoorde kennelijk ineens aan die vrouw toe. Mevrouw Knape mocht bij de gratie
Gods nog wat foto's meenemen die door de vrouw ruw uit hun zilveren lijsten
werden gescheurd. De vrouw was vermoedelijk een "maintenee" of beschermelinge
en concubine van een hooggeplaatste Japanner en eigende zich zodoende het voorrecht
toe om een woning te confisqueren. Voor mevrouw Knape volgde een verhuizing
naar het huis van een kennis, ook in Semarang.
Op grond van haar Armeense nationaliteit en naam heeft mevrouw Knape de Japanners
enige tijd kunnen misleiden en zich, althans in het begin, aan internering kunnen
onttrekken. Dankzij een Armeens identiteitsbewijs kon ze later aantonen tot
een neutraal land te behoren. Dat ze feitelijk nooit in Armenië was geweest
was voor de Japanners niet te achterhalen. Ook is het wonderlijk genoeg aan
de Japanners ontgaan dat ze gehuwd was met de Nederlander Frans Hartgers en
dat ze automatisch de Nederlandse nationaliteit had verworven. Ook geloofden
later de pemuda’s (die gebrand waren op alles wat Nederlands was), tijdens
een onaangekondigde huiszoeking dat ze een Arabische was. En Islamitisch verwante
geloofsgenoten valt men immers niet lastig! Ook haar niet uitgesproken Europese
uiterlijk versterkte de geloofwaardigheid van haar verklaring. Al met al is
het een combinatie van geluk, bluf en toeval geweest dat mevrouw Knape, dat
is vooral in het belang van haar kinderen geweest, aanvankelijk aan internering
is ontkomen en later aan een slachtpartij door de pemuda’s. Maar uiteindelijk
ontkwam zij later niet aan een verblijf in een Japanse gevangenis.
Huiszoekingen: als bij
een wonder niets ontdekt
Mevrouw Knape heeft een keer een huiszoeking door de Japanners meegemaakt. Dat
was tijdens het verblijf in Semarang, net nadat de Japanners alle mannen hadden
opgeroepen zich te melden. Zij was even tevoren door een loyale Indonesische
politieman, Haribin genaamd, gewaarschuwd voor een te verwachten huiszoeking.
Het geval wilde dat een aantal jonge Nederlandse mannen in het huis van een
naburige vrouwelijke kennis een zak met wapens had achtergelaten voordat ze
werden geïnterneerd door de bezetter. De vrouwelijke kennis was niet van
plan de wapens aan de Japanners af te geven. De heer des huizes had eerder,
tezamen met enkele vrienden hun auto’s gesaboteerd zodat die voor de Japanners
nutteloos waren geworden. Zijn achtergebleven echtgenote kreeg de wapens om
in bewaring te nemen en te voorkomen dat zij in handen van de bezetter zouden
komen. Ze begroef de wapens aanvankelijk in haar tuin. Mevrouw Knape deelde
inmiddels het huishouden met haar zuster Violet, diens twee kinderen en de schoonmoeder
van haar zuster. De vrouwelijke kennis had inmiddels in paniek de begraven wapens
weer opgegraven (een zak met twee pistolen of revolvers) en vervolgens bij mevrouw
Knape gedeponeerd. Juist kort daarop evenwel kwamen de Japanners totaal onverwacht
huiszoeking houden. Alles in de woning werd onderzocht en kasten overhoop gehaald;
tassen en dozen minutieus doorzocht. Er lagen voorts nog scherpe patronen in
een lade in een kledingkast in de woonkamer. De vuurwapens bevonden zich in
een tas, achteloos door de vrouwelijke kennis kort daarvoor in haast gedeponeerd
naast de babytafel. Bij binnenkomst van de Japanners dacht mevrouw Knape intuïtief
aan de tas met wapens. Zo onopvallend mogelijk schoof ze met een voet de tas
met wapens onder de babytafel. Een van de dochtertjes van haar zuster was in
allerijl voor de deur van de kledingkast geplaatst, waarvóór ze
met haar handjes op de rug de Japanse soldaat aankeek. De Japanner schoof het
kind echter opzij en trok alle laden open, behalve echter de onderste lade,
waarin zich juist de scherpe patronen bevonden. Op dat moment zag mevrouw Knape
volgens haar huisgenoten letterlijk “groen” van angst. Nadat de
Japanners onverrichter zake vertrokken, prevelde de schoonmoeder van Mevrouw
Knape’s zuster: “Nu weet ik dat er een God bestaat”. Ontdekking
zou namelijk absoluut fatale gevolgen hebben gehad voor alle betrokkenen, de
kinderen inbegrepen. Voorts was het de Japanners ontgaan dat zoontje Frans een
loodzware teddybeer achter zich aansleepte, die vol zat met gouden tientjes.
De nacht daarop gooide mevrouw Knape de patronen en wapens alsnog in de riolering
van een van de nabij gelegen verlaten huizen. Daarbij kwam dat er ook nog dat
een radio, een wereldontvanger, in huis stonden. Dat was eigenlijk het derde
wonder, na de tas met wapens en de lade met patronen: de Japanners hadden de
radio niet gezien. In ieder geval was de schrik er wel goed ingekomen. Het in
bezit hebben van een radio werd namelijk vaak gestraft met het doorsteken van
de trommelvliezen. Een uitermate wrede en cynische reactie. Naast de huiszoeking
werd de familie op een nacht nog eens lastig gevallen door, waarschijnlijk dronken,
soldaten die op de luiken voor de ramen bonsden, roepende “Nonnie, Nonnie
“ (Maleis voor: "meisjes, meisjes") . Door de spleten van de
luiken zag mevrouw Knape de bebaarde en onmiskenbare gezichten van Koreaanse
soldaten. Zij riep daarop kordaat door de spleten van de luiken "Awas,
saja pangil Kempeitai" (“Wees gewaarschuwd, ik roep de Kempeitai
erbij !”) . Die dreiging met het erbij halen van de eigen, beruchte Japanse
militaire politie was genoeg om de soldaten hals over kop de benen te laten
nemen. Ook komische voorvallen deden zich voor. Mevrouw Knape had van een naburige
verpleegster gehoord dat Japanners eveneens bij haar huiszoeking deden. Toen
de bevelvoerend officier een portret van de komiek Buziau aan de muur zag hangen
en achterdochtig vroeg of dat een Europees staatshoofd of een belangrijk functionaris
was, maakte de vrouw allerlei gebaren en capriolen om aan te duiden dat het
een komiek was. Maar de capriolen werden door de officier aangezien voor het
belachelijk maken van hem zelf, zodat hij verontwaardigd aan de vrouw klappen
uitdeelde. Een ander geval deed zich voor bij een Armenier die op straat door
een Japanse soldaat naar zijn nationaliteit werd gevraagd, en direct werd opgepakt
en afgerammeld omdat de Japanner zijn antwoord “Armenian” had verstaan
als “American”. Mevrouw Knape herinnert zich ook een tragisch voorval
met een naburig echtpaar, waarvan de man voortvluchtig was en zich verborgen
hield op een afgelegen plek. Toen hij evenwel vernam dat zijn vrouw van een
kind was bevallen, kon hij de verleiding niet weerstaan om haar thuis op te
zoeken, alwaar de Japanners hem stonden op te wachten en wat hem uiteindelijk
na detentie en veroordeling zijn leven heeft gekost.
Mevrouw Knape vertrok toen naar haar moeder in Batavia, die ook buiten het kamp
was gebleven. Desgevraagd vertelt mevrouw dat haar moeder later wél is
geïnterneerd, evenals de andere zussen. Haar jongste zus kwam in een kamp
in Makassar terecht en twee oudere zussen bleven in Batavia. Moeder Blanche
werd geïnterneerd in Batavia. Naar verluidt zou ze in Batavia Alberta Diederika
Maureau ontmoeten, de echtgenote van de latere Luitenant-Gouverneur-Generaal
dr. H.J. van Mook. De twee vrouwen zouden een vriendschappelijke band ontwikkelen.
Naar de gevangenis
Ondanks het buiten het kamp kunnen blijven en
het onontdekt zijn van de munitie en radio, kwam mevrouw Knape samen met haar
beide zoons, toch in de gevangenis terecht. Ze heeft nooit geweten waarom, ze
waren gewoonweg opgepakt. Op dat moment was moeder Blanche nog op vrije voeten
en vastbesloten haar dochter uit de gevangenis te halen. Blanche Elisha vertelde
later dat ze tijdens een bezoek aan haar dochter en kleinzoons, gevangenen zag
die waren opgehangen aan hun polsen en hevig pijn leden. Dat heeft haar ontzettend
woedend gemaakt en ze beet de bewakers toe: "Denken jullie op deze manier
de oorlog te winnen?". En daarna wendde zij zich tot haar dochter en zei
“ik zal zorgen dat je vrij komt” of woorden van die strekking ,
waarna ze vertrok, leunend op haar wandelstok. Het was dan ook onverwacht dat
op een dag een bewaker, een Indonesische politieman, bij mevrouw Hartgers kwam
om te vertellen dat zij en haar kinderen naar huis mochten gaan. Haar vrijlating
had zij te danken aan een identiteitskaart die haar moeder uiteindelijk kon
bemachtigen van de Secretaris van de Armeense gemeenschap in Soerabaja, dr A.
N. Arratoon. De tekst van de pas luidde: “ I, Secretary of the Armenian
community in Soerabaja hereby certify that the bearer of this, Varsenik Josephine
Hartgers nee Elisha, is of Armenian nationality “. Signed. Dr. A.Arratoon,
Secretary. Deze tekst stond eveneens in de marge vermeld in Japans schrift.
Mevrouw Knape herinnerde zich de ontberingen en levensomstandigheden gedurende
het verblijf in de gevangenis. Zij herinnerde zich ook dat ze de gevangeniscellen
deelde met een aantal Joden waarvan zij vooral met de Sefardische joden een
goed contact had. Het oppakken van Joden vindt zijn oorzaak in de druk die Nazi-Duitsland
uitgeoefende op Japan om ook Joden te gaan vervolgen. Vervolgens riepen ook
de succesvolle Chinezen en Armeniers de achterdocht en haat op van de Japanners.
Tegen het einde van de oorlog verbleven mevrouw Knape en de kinderen in Batavia
en Soerabaja. De pijnlijke ironie wil echter dat Blanche Elisha zelf enige tijd
later met haar twee oudste dochters werd geïnterneerd in Batavia en er
zou blijven tot aan de Japanse capitulatie.

Identiteitsbewijs verstrekt door de
Secretaris van de Armeense gemeenschap in Soerabaja, dr A. N. Arratoon
Hiermee wist Varsenike Hartgers-Elisha buiten het kamp te blijven
en later uit de gevangenis
Verdere herinneringen over de bezettingstijd
Het was in Soerabaja, waar ze
met de kinderen tot vóór de Japanse overgave zou blijven. Van
Soerabaja kan ze zich herinneren een Japans bordeel te hebben gezien. Het stond
namelijk tegenover het huis waar ze toen woonden. Er werkten een paar vrouwen,
die nota bene nog bij een van haar zusters op school had gezeten en waarvan
ze later er een zou hebben gezien, op de terugreis naar Nederland aan boord
van een van de passagiersschepen. De bewuste vrouw wist zich ook dáár
weer prima te vermaken. Ook herinnerde zij zich in een katholiek ziekenhuis,
waar zij haar zuster Violet bezocht die net van een tweede dochter was bevallen,
de gangen bevolkt te hebben gezien door kwalijke riekende, slapende Koreaanse
stoottroepen, die in Japanse krijgsdienst waren. Bij een van die bezoeken herinnert
zij zich een groep ontredderde en haveloze groep meisjes en vrouwen te zien
binnenbrengen. Toen zij de verpleegster-non vroeg wat voor vrouwen dat waren,
zij de verpleegster dat deze vrouwen uit afgelegen gedeelten van de archipel
afkomstig waren en verkracht en mishandeld waren door Koreaanse soldaten. Een
van de vrouwen vertelde later dat toen twee oudere vrouwen tussenbeide wilden
komen, zij aan hun haren aan bomen werden opgehangen. Algemeen heerste dan ook
een doodsangst voor de Koreaanse stoottroepen, minder voor het reguliere Japanse
leger dat redelijk gedisciplineerd was. Zij vertelde ook dat zij op een nacht
met een Armeense vriendin met haar doodzieke dochtertje op weg waren, op zoek
naar een ziekenhuis. Op de schaars verlichte weg werden zij gepasseerd door
een betjah (fietstaxi) waarin een Japanse officier zat. Deze sommeerde de betjahrijder
te stoppen en vroeg de vrouwen waar zij heengingen. Daarna bood hij hun de betjah
aan om hen naar het ziekenhuis te brengen en droeg de bestuurder op om hem later
op te halen.
In een bepaalde situatie heeft mevrouw Knape in het belang van anderen gedurfde
acties ondernomen, die niet zonder persoonlijk risico waren. Maar zij wil dat
niet gepubliceerd hebben, omdat zij zichzelf niet wil ophemelen en in de belangstelling
wil komen te staan. Ook pogingen om haar na de oorlog hiervoor te huldigen,
heeft zij resoluut van de hand gewezen.
Japanse capitulatie, Bersaptijd
en dekolonisatietijd: nog steeds oorlog
In 1945 ging het gezin weer terug naar Batavia samen met haar zus, diens Indische
schoonmoeder en de kinderen. Een hutkoffer met persoonlijke bezittingen werd
in bewaring gegeven aan een van hun Indische buren. Deze en de andere Indische
buren hadden het zelf ontzettend moeilijk door gebrek aan middelen en voldoende
voedsel. Na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 hadden de Indonesische
nationalisten vrij spel gekregen. In een woning, grenzend aan die van mevrouw
Knape woonde een drietal Japanse economen. Op een dag verschenen jonge extremistische
Indonesiërs (pemuda’s) in een legervoertuig en reden op het huis
van de economen aan. Twee van de economen pleegden na een vuurgevecht zelfmoord,
een derde probeerde te vluchten en kwam in de naburige groententuin terecht
via de achtertuin van het huis van mevrouw Knape. Hij werd achternagezeten door
de pemuda’s die het erf opliepen van mevrouw Knape. Zij maakten aanstalten
om het huis onder vuur te nemen. Mevrouw Knape snelde het huis uit en het erf
op, de pemuda’s tegemoet en smeekte hen met de woorden ”Toean, djangan
tembak, aku bangsaan Arab” ("Mijnheer, niet schieten wij zijn Arabieren”)
en voorts “Er zijn alleen maar vrouwen en kinderen in huis!”. De
pemuda’s duwden toen mevrouw Knape voor zich uit de woning in en doorzochten
alle vertrekken. Een van de pemuda’s zag bloedsporen op de tussenmuur
en sprong er overheen. Kennelijk had hij direct daarop de Japanner toch te pakken
gekregen want even later verscheen hij weer in de woning, geheel met bloed besmeurd
en zei tegen mevrouw Knape: "Ik heb mij gebaad in zijn bloed". Vervolgens
deed hij een greep in de tas van mevrouw Knape die op tafel stond en haalde
haar huishoudgeld eruit. Toen mevrouw Knape opmerkte “Maar dat is mijn
geld “, antwoordde de pemuda “Maar nu is het van mij, en als je
iets nodig hebt, dan kom je maar vragen“. Het voorval maakte diepe indruk
en het gevoel was er direct dat het geweld iedereen zomaar kon treffen. Japanners
en Europeanen voelden zich in het nauw gedreven na de proclamatie op 17 augustus
1945 van de Republik Indonesia door Mohammed Hatta en Soekarno. Mevrouw was
er ook ooggetuige van hoe in haar straat een konvooi vrachtauto’s met
Nederlandse vrouwen en kinderen, afkomstig uit interneringskampen, door pemuda’s
werd aangevallen. De vrouwen en kinderen werden uit de wagens getrokken en vermoord.
Uit omliggende winkeltjes en huizen probeerden toeschietende Chinese kooplieden
nog hulp te bieden tijdens dit inferno, maar vaak vergeefs.
Het geweld richtte zich later ook tegen de al eeuwen gewantrouwde Chinezen,
die feitelijk ook gewoon peranakan of kinderen van het land waren.
Mevrouw vertelt over een incident, dat zich later, begin vijftiger jaren, voordeed,
tussen een Chinese man en Indonesische militairen. Een jonge Chinees werd in
zijn mooie wagen van achteren aangereden door een legervoertuig van de Tentara
Indonesia, waar een stel Indonesische militairen in zat. De Chinees stapte uit
en trok tegen hen van leer. De volgende dag vond hij zijn showroom met nieuwe
wagens (hij was autohandelaar) totaal vernield, de nieuwe auto's waren ook nog
eens met mitrailleurs kapotgeschoten. Vervolgens moest hij ook nog de vlucht
nemen, want er werd naar hem gezocht. Naar verluidt was de Chinees naar Singapore
gevlucht.
Onder bescherming van de Engelsen
In de eerste twee maanden na de Japanse capitulatie
verslechterde de veiligheidssituatie dramatisch. Moord, rampokken (plundering)
en intimidaties waren schering en inslag geworden. Veel Europeanen van wie de
meesten Indo's werden slachtoffer van al dat geweld. De anti-Westerse stemming
radicaliseerde erg snel als gevolg van het machtsvacuüm dat de Japanners
hadden achtergelaten. De Engelsen die orde en veiligheid in de archipel moesten
herstellen waren nog niet gearriveerd in augustus 1945. Voor velen was het te
laat toen ze er waren vanaf 29 september 1945, wanneer de eerste Britse troepen
(de 23e Brits-Indische divisie) ontschepen in Soerabaja.
Op een nacht slopen van huis tot huis (waarvan vele al onbewoond waren) twee
Engelse militairen met getrokken pistolen. Ze klopten aan de geblindeerde deuren
en vroegen of er nog vrouwen en kinderen in huis waren. Zo ook bij het huis
waar mevrouw Knape met de kinderen verbleef. De militair raadde mevrouw Knape
aan zich zo snel mogelijk te melden bij het door Engelse militairen beschermde
opvangkamp aan de Ardjoenoboulevard. Na de ervaring met de op Japanse buren
jagende extremisten, besloten mevr. Knape met haar twee zoons, zuster, diens
twee kinderen en schoonmoeder, de baboe (kindermeisje) de volgende nacht in
alle stilte het huis te verlaten en naar het beschermde kamp te gaan. De hond
had zij eerder zeer tot haar verdriet ondergebracht bij een dierenasiel dat
door een Indonesier werd beheerd. De twee zoons werden samen in één
kinderwagen gestopt omdat het te ver lopen zou worden voor hen. Het werd een
bange, nachtelijke stille tocht door verlaten straten; de huizen waren onbewoond
en de sfeer was beklemmend. Het zou pas in de ochtend zijn dat het groepje aankwamen
in het kamp. Daar zouden ze vanwege de vermoeidheid en doorstane emoties vrijwel
meteen in slaap vallen.
De militairen sloten het met prikkeldraad omheinde kamp hermetisch af uit vrees
voor een aanval van de Indonesische extremisten, de zogenaamde pemuda's: jonge
radicale vrijheidsstrijders die zeer anti-Westers waren. Eind september-begin
oktober hadden zij de wapens van de Japanse arsenalen kunnen bemachtigen en
namen daarmee feitelijk de macht over. Het Engelse kamp werd bevoorraad vanuit
de lucht; blikken dozen met maaltijden en biscuits werden door laagvliegende
vliegtuigen zonder parachute gedropt op een groot grasveld.
Na een verblijf van een aantal weken in het beschermde Engelse kamp, werd mevrouw
Knape met nog een aantal vrouwen en kinderen in een colonne Engelse open legervrachtwagens
(bestuurd door vooral Ghurka’s), omringd door grote mensenmenigten van
waaruit regelmatig op de vrachtwagens werd geschoten, naar het strand gereden.
Daar vandaan lagen op een afstand van 50 tot 100 meter zeewaardige landingsboten
te wachten op de vrouwen en kinderen, die daarvoor door het water moesten waden.
Vervolgens vertrokken de landingsboten richting het veilige Singapore.2)
Buiten het kamp was het ook na
de komst van de Engelsen nog erg gevaarlijk. Later zijn vermoedens uitgesproken
dat de voornamelijk Brits-Indische troepen de Indonesiërs hun gang lieten
gaan; ze waren mede-Aziaten en onderdanen van een koloniale mogendheid. In ieder
geval slaagden de Britten er wekenlang niet in om de situatie onder controle
te krijgen en het gevolg was een ware slag om Soerabaja die in november 1945
meer dan 400 Britse en 16000 Indonesische levens kostte. Naar verluidt lieten
de Engelsen de nog achtergebleven, gecapituleerde Japanners hun wapens behouden,
met de opdracht te helpen bij het handhaven van de openbare orde. Pas vanaf
dán is er meer stabiliteit, maar die is in de twee maanden daarvóór
ten koste gegaan van honderden Europese levens. Tot hen behoorde de Armeniër
Albert (achternaam niet achterhaald), eigenaar van een dokarbedrijfje. Op een
dag zat hij te kaarten met andere Armeniërs toen ze plotseling werden overvallen
door pemuda's die hen allen met bamboe roentjing (bamboe-speren) doorstaken.
Reden van de aanval was mogelijk een eerder ontstaan arbeidsconflict tussen
Albert en een dokarrijder. Dit illustreert dat naast het politieke geweld afrekeningen
plaatsvonden op persoonlijke titel. De tragiek van deze Albert was dat hij nota
bene vlak ervoor mevrouw Knape , die op de terugweg was van inkopen doen op
de voedselmarkt, tegenkwam en tot voorzichtigheid had gemaand vanwege de onveiligheid
op straat. Via de radio werd de hetze tegen de Nederlanders nog eens opgestookt
door de toespraken van Soekarno die aanspoorde tot doden van de blanken: "Boenoeh
segala koelit poetih" ( letterlijk vertaald: “aak alle withuiden
af”).
Mevrouw was in die tijd, zoals velen, onder de indruk van de Ghurka's. Brits-Indische
troepen van Nepalese afkomst die een afzonderlijke eenheid vormden die werd
ingezet voor extra gevaarlijke en moeilijke militaire operaties. Hun meedogenloos,
maar uiterst moedig en onverschrokken, optreden schrikte veel Indonesiërs
af. Zo bewaakte slechts een handvol Ghurka’s het grote Darmoziekenhuis,
waarin een aantal vrouwen en kinderen verbleven, tegenover een overmacht van
moordlustige pemuda’s.3)
Bijkomen in Singapore en bericht over Frans Hartgers
De Britse troepen hadden mede als opdracht de Europeanen uit de stad
te begeleiden richting de haven. De vluchtelingen werden verscheept naar veiliger
zones in de archipel. Zo vertrok mevrouw Knape ergens eind 1945 naar Singapore
om weer op krachten te komen. Ze verklaart: "Van de hel naar de hemel.
Eindelijk rust en veiligheid!".
Eerder had ze via een Schotse
verpleger een brief doorgespeeld gekregen van echtgenoot Frans Hartgers, maar
toen was hij al overleden. Als gevolg van mentale en lichamelijke ontberingen
(onder andere dysenterie) was Hartgers op 33-jarige leeftijd in 1943 overlijden
in Kanchanaburi. Een plek waar zovelen zijn bezweken en begraven. Er staat nu
een groot monument en een museum ter nagedachtenis van hen die vielen. Zijn
voetbalvriend Knape die met hem in hetzelfde Jappenkamp in Birma geïnterneerd
was, overleefde het en zou na de oorlog trouwen met de jonge weduwe Varsenike
Hartgers-Elisha. Piet deed later aan zijn zoon Frans het volgende relaas over
het verblijf in Birma . Piet moest eerst ook zwaar werk doen. Op een dag riep
een Japanner hem: “Kula ("Kom hier"),” You no workie-workie,
You wottoka ! “. Wottoka betekende “watercar”; een vrachtauto
waarvan de laadruimte waterdicht was gemaakt en waarin dagelijks vers water
werd gehaald. Piet moest die auto rijden, wat veel minder zwaar werk betekende.
Hij meende daardoor te hebben overleefd! Gebaad werd door de gevangenen in de
olifantenkuil: men baadde samen met de olifanten, waarbij je je kon afvragen
of je er schoner uitkwam dan je er was ingegaan. De grootste vernedering voor
Frans Hartgers, was te moeten baden met die dieren, daar hij een sterk ontwikkeld
gevoel voor zindelijkheid had.
Piet Knape had, vóór zijn tewerkstelling in Birma, al zijn nodige
portie aan oorlogservaringen gehad. Na een treffen tussen de Nederlandse en
Japanse marine werd Knape met een aantal anderen als drenkeling opgevist door
een Japans schip en op transport gesteld naar Birma. In het te beperkte ruim
alwaar een grote hoeveelheid gevangen was samengepakt, werd Knape onwel. Hem
werd toen toegestaan om samen met een Limburger, Passenier geheten, even aan
het dek bij te komen. Op het dek gekomen, zagen beide mannen plotseling Amerikaanse
vliegtuigen naderen die zich klaar maakten voor een aanval op het schip. Beide
mannen sprongen toen ijlings overboord, waarna het schip achter hen werd getorpedeerd
en met man en muis verging. Zij wisten zich urenlang drijvend te houden, waarna
zij weer werden opgepikt door een Japans schip, om uiteindelijk toch in Birma
te belanden.
Na enige tijd in Singapore te
hebben verbleven, volgde in februari 1946 repatriëring van mevrouw Knape
met de kinderen met het passagiersschip de Nieuw-Amsterdam naar Nederland. Onderweg
werd aangelegd in Ceylon om Engelsen, voornamelijk militairen op te nemen. Daarna
werd nog een keer gestopt in Aden waar mevrouw Knape en haar gezin aan wal gingen,
om met een klein spoortreintje getransporteerd te worden naar een Engels kamp,
waar warme kleding werd verstrekt.
Uiteraard werd daarna nog aangelegd in Suez, met een bezoek aan het beroemde
warenhuis van Simon Arzt. In Southampton werden de Engelsen ontscheept, waarna
de reis vervolgd werd naar Amsterdam, om daar in maart 1946 aan te komen.
Hoe nu verder was nog niet duidelijk.
Eerste prioriteit lag in ieder geval in het weerzien met alle zussen, echtgenoten
en kinderen. Moeder Blanche Elisha en een zuster waren in Djakarta en vertrokken
van daaruit. Eindelijk kon al het leed met elkaar worden gedeeld. Eigenlijk
werden er vrij snel al beslissingen genomen die een voorschot op de toekomst
zouden zijn. Zo ging zoon Frans naar Nederland in de kost bij aangetrouwde familie,
om middelbaar onderwijs te kunnen volgen. Mevrouw Knape die in Singapore al
contact had met Pieter Knape, beloofde hem terug te keren, hetgeen ze december
1946 daadwerkelijk deed.
Weerzien met Piet Knape: een nieuwe toekomst in Indonesië?
Echter, het weerzien met Piet Knape zou haar toekomst meer vorm geven.
Piet kende ze vanaf de tijd dat hij met Frans Hartgers samen voetbalde bij de
BVC.4) De band met Piet Knape groeide
uit tot een huwelijk. Na zijn demobilisatie bij de Marine, zette Piet Knape
na de oorlog zijn werk voort bij handelskantoor Lindeteves Stokvis in
Batavia.
Hij was belast met de wettelijk gequoteerde verdeling van technische huishoudelijke
apparaten en fietsen onder voornamelijk Chinese handelaren. Het was een tijd
van schaarste en wederopbouw waarin de overheid sterk de economie stuurde en
dus het mechanisme van vraag en aanbod deels uitschakelde. Piet Knape was niet
gevoelig voor omkooppogingen, hoewel de Chinese handelaren graag bereid waren
veel te betalen voor een groter quotum. Zo liet hij eens een door een Chinese
zakenrelatie thuisbezorgde briljanten armband, bestemd voor mevrouw Knape, weer
terugbezorgen.
Piet Knape
(staand midden met licht pak): naar Indië (rond 1928)
Bron foto: privécollectie mevrouw
V. Knape-Elisha
Taarten, gegrilde speenvarkens en hele maaltijden
liet hij doorsluizen naar de buren en het kindertehuis van Pa van der Steur.
Knape had een goede naam opgebouwd bij zijn Chinese relaties. En wanneer een
Chinese zakenrelatie weer eens geknoeid had met zijn boekhouding en Piet om
hulp vroeg, zei Piet vermanend: “Jij bent stout geweest, he, niet meer
doen hoor!”, om daarna belangeloos de boekhouding weer in orde te brengen.
Een van de zakenrelaties die hij hoogachtte was de pater familias van de in
aanzien staande familie Bang Sin-Liong[fonetische gespeld). Deze Chinese familie
verkeerde in materieel goeden doen, zo had de oudste zoon in Engeland de universiteit
gevolgd. Bang sin Liong was een stijlvolle verschijning en zijn echtgenote (een
elegante vrouw met verfijnde manieren) boden uit waardering voor Piet Knape,
mevrouw Knape, die totaal berooid was na het overlijden van Piet, aan haar financieel
te ondersteunen, wat ze geweigerd heeft. Haar trots, principes en gevoel voor
eigenwaarde hadden zich weten te handhaven ondanks de tegenslagen. Ook in de
overtuiging te hebben gehandeld in de geest van Piet Knape.


Vijfde van links: Piet Knape in het team van BVC (Batavia)
en als atleet
Bron foto: privécollectie mevrouw
V. Knape-Elisha
Het overlijden van Piet Knape in 1952 was opnieuw een flinke klap voor haar;
het leek of er aan de tegenslagen geen einde kwam. Piet Knape had evenals Frans
Hartgers enorm geleden in krijgsgevangenschap en na de oorlog nam hij de draad
weer energiek op. Toch moeten ziekte en uitputting zijn lichaam in korte tijd
jaren ouder hebben gemaakt, waardoor hij toch voortijdig is bezweken. En uiteindelijk
werd hij opgenomen in het ziekenhuis. De ervaren, niet nader te noemen, Nederlandse
internist zag evenwel geen reden voor ongerustheid, maar een hem bij gelegenheid
vervangende jonge Nederlandse zendingsarts, die pas uit Nieuw-Guinea was overgeplaatst,
stelde de juiste diagnose en gaf mevrouw Knape weinig hoop op herstel van haar
man. Een triest lot voor iemand die een uitmuntende voetballer en atleet was.
Met een mengeling van trots en liefde vertelt mevr. Knape over de rechtschapenheid
en onbaatzuchtigheid van haar tweede man, die ook altijd royaal het inlandse
huishoudelijk personeel bedacht met geld en kleding. Hij was hulpvaardig en
leek zich niet te veel te bekommeren om status of prestige; eerder was hij het
prototype van de nuchtere, hardwerkende Rotterdammer die hij van oorsprong was.
Het gezin Knape-Elisha rond 1950: v.l.n.r. Piet Knape,
zoon Frans Hartgers, neef Boudewijn, zoon Herman Hartgers,
zoon Pieter Knape en Varsenike Knape-Elisha
Bron foto: privécollectie
mevrouw
V. Knape-Elisha
Dierbare herinneringen aan mensen in Indonesië
Onuitwisbare herinneringen koestert zij aan haar Javaanse kindersarts dr. Soedjono
Djoened Poesponegoro (van wie één broer ook arts was en de andere
hoofd van de veeartsenijkundige dienst en die allen hun opleiding in Nederland
hadden genoten). De Soedjono’s behoorden tot een gerespecteerde Javaanse
familie, die geparenteerd zou zijn aan de Sultan van Djokjakarta. De kinderarts
Soedjono was reeds in de jaren dertig de huisarts van het jonge gezin Hartgers
ten tijde van hun verblijf in Linggadjati. Hij was zoals gezegd dus een Nederlands
gediplomeerd arts en is later na de tweede wereldoorlog naar Amerika gegaan
alwaar hij zich specialiseerde als kinderarts en na terugkeer in het onafhankelijke
Indonesie als hoogleraar doceerde. Gedurende de Tweede Wereldoorlog was het
ten tijde van de Japanse bezetting hem verboden om Europeanen te helpen. Hij
deed dit niettemin, ondanks de straffen die daarop stonden. Hij liet ook medicijnen
stelen van de Japanse bezetter en verzorgde zonder onderscheid eenieder die
een beroep op hem deed. Toen de Japanse autoriteiten erachter kwamen dat hij
tegen het gebod in, toch Nederlanders en Indische mensen hielp, is hij zodanig
mishandeld en geslagen dat hij gedurende een week niet kon lopen. Toch bleef
hij, aan zijn ziekbed, patienten ontvangen. Toen mevrouw Knape na de oorlog
wilde hertrouwen met Pieter Knape, werd zij – volgens de geldende procedure-
gescreend door de daarmee belaste Nederlandse militaire politie. Tijdens het
verhoor viel ook de naam van dr. Soedjono. De militaire politieman deelde mevrouw
Knape mede dat Soedjono gevangen zat op verdenking van collaboratie met de Japanse
bezetter. Mevrouw Knape reageerde daarop verontwaardigd en heeft er alles aan
gedaan om hem te rehabiliteren – wat tenslotte is gelukt. Later is gebleken
dat er een valse aangifte tegen hem was gedaan door een vrouw, omdat hij had
geweigerd haar kind te aborteren. Toen na de bezetting op moord en plundering
beluste pemuda’s weer eens een moordpartij op Nederlanders schenen te
beramen, heeft Soedjono samen met een andere naburige arts de straat waar mevrouw
Knape woonde, persoonlijk helpen barricaderen met dokars (transportkarren).
Als later Indonesie onafhankelijk wordt verklaard, stuurt het echtpaar Knape
hem felicitaties en bloemen. Zijn reactie was: “Als er in het Nederlandse
parlement maar tien vertegenwoordigers waren geweest die net zo dachten als
jullie, waren er nooit politionele acties geweest”. Uit andere bron wordt
gemeld dat hij ook lijfarts was geweest van de latere president Soekarno. Hij
was ook altijd weigerachtig om mevrouw Knape zijn consult in rekening te brengen.
Hij placht dan te zeggen “Waar heb je het over, heb je mijn wachtkamer
gezien, aan al die rijke Chinezen die daar zitten heb ik al lang jouw consult
verdiend “. Dr. Soedjono Djoened Poesponegoro is in het begin van de jaren
negentig overleden.
Ook verhaalt zij over haar tuinjongen
Paimo; een heel schuchtere jongen uit de kampong die haar door buren was aanbevolen.
Zijn gescheurde kleding werd al gauw vervangen door shirts en shorts in de kleinste,
niet gangbare maat, die echtgenoot Pieter kon betrekken uit de voorraad van
het Marinekamp. Paimo mocht zelf aangeven wat hij wilde verdienen. Mevrouw Knape
werd hierop wel eens aangesproken door Nederlandse kennissen, die vonden dat
zij haar personeel te royaal beloonde en daardoor “de markt bedierf”.
Moet gezegd worden dat niet altijd het inlands personeel sociaal behandeld en
redelijk beloond werd door hun Nederlandse werkgevers. Maar Paimo werkte keihard.
Met Nieuwjaar kreeg hij desgevraagd verlof om naar zijn Kampong terug te gaan.
Na afloop kwam hij, uit dankbaarheid, terug met een grote mand met fruit, afkomstig
uit de tuin van zijn ouders. Hij was dan ook ontroostbaar toen mevrouw Knape
en haar gezin moesten verhuizen en hem moesten achterlaten.
Tenslotte noemt zij nog de flegmatieke en goedhartige Javaanse chauffeur Maël
die haar, met de dienstauto, beschikbaar was gesteld door de Nederlandse Handelsbank.
Trouw begeleidde hij haar, geheel op eigen initiatief, als zij op afgelegen
en onveilige gedeelten van het haventerrein in opdracht van haar werkgever het
vertrek en de aankomst van bankemployees moest regelen. Ook stopte hij altijd
gewillig met de dienstauto, als mevrouw te midden van het drukke verkeer in
Djakarta, weer eens een aangereden hond van de straat wilde oprapen om naar
het asiel te brengen.
Alleen verder
Mevrouw Knape was inmiddels in
1952 weduwe geworden van Piet Knape en stond er opnieuw voor als alleenstaande
ouder. Nu had ze ook een derde kind, zoon Pieter Knape. Mede door haar doorzettingsvermogen
en gedrevenheid slaagde ze erin een baan te krijgen bij het Hoge Commissariaat,
de hoogste vertegenwoordiging van Nederland in Indonesië. Daar kwam ze
terecht bij de afdeling Paspoorten en visa. Dat werk heeft ze gedaan tot haar
repatriëring in december 1957. In die functie werd zij nog wel eens geconfronteerd
met aanvragen om een nieuw paspoort, op grond van opgave van dubieuze redenen
van verlies. Inmiddels had zij daarvoor een intuïtie ontwikkeld, wat in
enkele gevallen leidde tot afwijzing van een verzoek. In één geval
werd haar gelijk bewezen, toen ondanks haar negatief advies toch bij contrair
besluit een nieuw paspoort werd verstrekt. Nederlandse paspoorten waren zeer
gewild en er zou, althans zo werd beweerd, door ondermeer kapitaalkrachtige
Chinezen grof geld worden neergeteld, waarna de paspoorten vermoedelijk werden
vervalst.5)
Het was ook bij het Hoge Commissariaat der Nederlanden, in het begin van de
vijftiger jaren, dat mevrouw Knape getuige was van een volksoproer. Ten gevolge
van de Suez-crisis, was er uit solidariteit met de Egyptische regering een anti-Britse
stemming ontstaan onder de Indonesische bevolking. Bij die gelegenheid bestormde
een oproerige massa het, nabij het Hoge Commissariaat gesitueerde, kantoor van
het Britse Consulaat en richtte er verwoestingen aan. De gehele administratie,
waaronder paspoorten, belandde letterlijk op straat. Het personeel van het Hoge
Commissariaat kreeg de strikte instructie om zich niet voor de ramen te vertonen
of van nieuwsgierigheid blijk te geven, opdat de massa zich niet zou richten
op de kantoren van de Nederlandse vertegenwoordiging. Enkele toevallige bezoekers
van het consulaat zochten ontdaan en haastig hun toevlucht in het pand van het
Hoge Commissariaat. Het scheen dat uit voorzorg voor dit soort incidenten, belangrijke
documenten aan het eind van elke dag vanuit het Hoge Commissariaat overgebracht
werden naar de kluis van het Hotel Des Indes, waar een betere bewaking was gewaarborgd.
Ook deden zich in het begin van de vijftiger jaren conflicten voor tussen etnische
groeperingen zoals (Nederlands gezinde) Ambonezen en Indonesiers. Zo was mevrouw
Knape getuige van de escalatie van een conflict tussen Menadonezen en Batak's,
omdat eerstgenoemden een begrafenisstoet van Batak's geen voorrang zouden hebben
verleend in het verkeer. Dit conflict resulteerde in een heksenjacht van Batak's
op Menadonezen. Zo meldde zich onverwachts een groep wraakzuchtige Batak's bij
het wooncomplex waar mevrouw Knape verbleef. Met doel hun woede te botvieren
op een Menadonees gezin dat ook in het wooncomplex zijn domicilie had. Mevrouw
Knape herinnert zich nog met angst door de kieren van de neergelaten blinden
voor de deur de opgewonden en met messen bewapende meute te hebben zien staan.
Erger werd voorkomen doordat een "sullige" Indische medebewoner, die
doorgaans in het kippenhok sliep, naar buiten kwam en bezwoer dat er geen Menadonezen
in het complex woonachtig waren. Kennelijk door zijn sullig voorkomen overtuigde
hij de Batak's, die vervolgens vertrokken. Voorstelbaar is hoe het anders had
kunnen aflopen voor alle bewoners van het pand.
Gedwongen vertrek naar
Nederland
De spanningen tussen Nederland en Indonesië vanwege Nieuw-Guinea
waren in de loop van de jaren vijftig in 1957 tot een climax gerezen. Nederlandse
bedrijven werden genationaliseerd, Nederlanders en Indo's werden geintimideerd,
ontslagen en op andere manieren bedreigd. In 1957 en 1958 zou een nieuwe grote
golf van postkoloniale migranten vertrekken richting Nederland, de VS en enkele
andere landen.
Mevrouw had over Nederland geen verwachtingen; Zij had er weliswaar een tijd
op school gezeten, maar ze miste toch het klimaat, de rijke natuur, het voedsel,
de ruimtelijkheid, de maatschappelijke omgangsvormen en ook de goede ervaringen
met het Indonesische volk. Ondanks al het doorstane verdriet en tegenslag, bleef
het toch het land waar ze de gelukkigste jaren van haar leven heeft doorgebracht.
Toch besloot ze te repatriëren omdat de veiligheidssituatie zeer onzeker
was en de perspectieven op een goede toekomst voor zichzelf en haar drie zoons
veilig te stellen. Ook Piet Knape had haar toevertrouwd opgelucht adem te halen,
wanneer hij na zakenreis in Nederland, weer op terugreis was naar Ned.Indie.
Een land dat hij toch verkoos boven het Nederlandse klimaat en het milieu.
De hoogste vertegenwoordiging van Nederland in Indonesië, het Hoge Commissariaat,
besliste wie er naar Nederland kon gaan al dan niet met een Rijksvoorschot voor
(reis)kosten. Mevrouw Knape kwam er niet voor in aanmerking zodat ze de reis
geheel zelf moest betalen. Omdat ze daarvoor de middelen niet had, heeft ze
een kostbare ring moeten verkopen die zij ooit van haar man had gekregen.
De laatste reis naar Nederland ging met
het s.s. Sibajak die op 22 december 1957 vertrok en in Rotterdam arriveerde
op 20 januari 1958. Het was een zeer koude winter zodat het gevoel van ontheemd
zijn nog groter werd. Het verblijf was in een contractpension, beheerd door
een Limburgse in de Havenstraat. Vooral de onverwarmde kamer, het slechte eten
en de ongastvrije sfeer zijn als herinnering aan die tijd blijven hangen. Ook
de bureaucratie liet niet lang op zich wachten: de ambtenaren van het toenmalige
gemeentelijk Bureau maatschappelijke zaken (BMZ), de voorloper van de sociale
dienst, kwamen al snel langs. Niet zozeer om een oplossing te bieden, maar welhaast
vooral vanwege de aflossing voor de lening bedoeld voor allerlei gemaakte kosten.
Tot de laatste cent heeft zij de lening afgelost aan Sociale Zaken. Een ervaring
die ook andere gerepatrieerden zouden delen met elkaar.

Varsenike Knape-Elisha
als gast van de kapitein (rechts van hem) van de Sibayak tijdens de reis naar
Nederland in 1957
Bron foto:
privécollectie mevrouw
V. Knape-Elisha
Ondanks die gure begintijd slaagde Mevrouw Knape erin werk te vinden. Ze begon
bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, bij de Bescherming Burgerbevolking,
afdeling Rotterdam. Daarna solliciteerde ze succesvol naar een administratieve
functie bij de Raad voor de kinderbescherming in Rotterdam.
Viel het dan niet tegen als werkende moeder van nog betrekkelijk jonge kinderen?
Het antwoord was "Ja", maar de kinderen waren niet lastig en goed
opvoedbaar. Wél was het leven in Nederland vreselijk; ze wilde absoluut
niet hier zijn. Veel tijd om na te denken was er niet in de periode van de wederopbouw.
Werken, huishouden en kinderen opvoeden namen alle tijd en energie in beslag.
Gelukkig heeft de jonge weduwe al snel veel mensen leren kennen, onder wie ook
nogal wat Indischen, met wie zij een gemeenschappelijk heimwee deelde. In de
bus die zij des morgens altijd nam op weg naar het werk, kwam ze hen tegen en
het deed haar goed om in die "Djakarta Express" begroet te worden
met "Selamat pagi".
Moeder Blanche was intussen vanuit Djakarta ook aangekomen in Nederland en werd opgevangen bij een van haar dochters die al was gerepatrieerd. Blanche Elisha heeft het ook niet makkelijk gehad en voelde zich ongelukkig in dit koude, vreemde land. De levenslust die haar in Indië altijd had gekenmerkt, is nooit meer geheel teruggekomen. Haar laatste jaren zou zij slijten in een kamertje in het bejaardenhuis Nijenstede te Amersfoort
Slot
Voor Varsenike Knape-Elisha was een goede toekomst veiligstellen voor zichzelf
en haar zoons de belangrijkste drijfveer om voor Nederland te "kiezen".
Die reden kan ze delen met vele andere Indische Nederlanders. Wat ze ook gemeen
hebben is een diepe verbondenheid met die laatste periode van Nederlands-Indië
en een lang sluimerend gevoel van ontheemd zijn, iets wezenlijks te hebben verloren.
De persoonlijke geschiedenis van mevrouw Knape is er een met een sterke eigenheid
maar ook karakteristiek voor alle Indische repatrianten. Die zijn eerder goed
verwoord met "Ik wilde eigenlijk niet gaan" of "Indo betekent
In Nederland door omstandigheden".
Gelukkig zijn alle zoons goed terechtgekomen en heeft mevrouw Knape de hoge
leeftijd van nu 94 jaar bereikt. De herinneringen die ze heeft zijn het sterkst
met Indië en naoorlogs Indonesië verbonden. Een persoonlijke geschiedenis
die het grote geschiedverhaal van Indische Nederlanders beter begrijpelijk en
invoelbaar maakt.
Ga naar Armeniërs
in Indië (1): een kleine en succesvolle bevolkingsgroep
Ga naar Armeniërs
in Indië (2): het verhaal van Varsenike Knape-Elisha. Deel 1Deel
1.
Archieven
Privécollectie Armèn Joseph in het Nationaal
Archief
Webreferenties
Susan Deurloo, interview met Armèn Joseph: Monument
op papier. Interview (in:Pelita Nieuws oktober
2007) over de Armeense gemeenschap in Nederlands-Indië.
Federatie
van Armeense Organisaties in Nederland
Moesson no. 1, 15 juli 1981
Dagblad
Trouw van 1 september 2003
http://www.virtualani.org/kurkdjian/index.htm
(over Onnes Kurkdjian)
Literatuur
Ulbe Bosma, Het
cultuurstelsel en zijn buitenlandse ondernemers. Java tussen oud en nieuw kolonialisme.
In: Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 2 [2005] nr. 2, pp.
3-28.
Diverse auteurs: Armeniërs
in Nederland. Een verkennend onderzoek
Amsterdam 2009.
ISBN 978-90-9023870-8
Nico van Horn, De bola is rond. Sport in Indië. Samenvatting van
een les gegeven in het programmaonderdeel De Indische School van de Tong Tong
Fair 2009.
Webpagina: http://www.tongtong.nl/indische-school/contentdownloads/horn_09web.pdf
Loes en Kees Stolk, B.V.C.
95 jaar oud.1903-1998, Bloemendaal 1998.
Voetbalclubs in Tempo Doeloe, in: Moesson; Het Indisch maandblad (Amersfoort
2004), vol. 48, afl. 7, p. 32-33, afl. 8, p. 32, afl. 9, p. 34, afl. 10, p.
24 en afl. 11, p. 24, ill. Met aandacht voor Hercules Batavia, U.N.I., Bandoeng,
VIOS Batavia, B.V.C., Batavia en THOR Soerabaja.