Familieverhalen |
Armeniërs in Indië (2): het verhaal van Varsenike Knape-Elisha
door Humphrey de la Croix
Inleiding
In het eerste
deel van deze twee artikels over de Armeniërs in Nederlands-Indië,
is een globaal beeld geschetst van deze kleine groep Europeanen die zéker
niet onzichtbaar was in de geschiedenis van de kolonie. Naar aanleiding
van ons artikel over voetbal
in Indië is uit onverwachte hoek de Armeense gemeenschap
bij IndischHistorisch.nl in beeld gekomen. Als een van de voetballers in
die eerdere publicatie werd Piet Knape genoemd,
die samen met onder anderen Beb Bakhuys en Frans Meeng in het Nederlands-Indisch
elftal speelde. Piet Knape's weduwe Varsenike Josephine Knape - Elisha (94)
en haar zoon Pieter Knape reageerden enthousiast op het artikel en mevrouw
Knape wilde haar verhalen kwijt over met name de gebeurtenissen tijdens
en na de oorlog.
Als redactie zijn we graag ingegaan op het aanbod omdat er nu een begin
kan worden gemaakt om de geschiedenis van andere Europeanen in de kolonie
in beeld te brengen. De persoonlijke geschiedenis van mevrouw Knape-Elisha
geeft een nadere inkleuring van de Armeense gemeenschap in de kolonie tegen
de achtergrond van de "grote" historische feiten.
Oorspronkelijk een familie uit Isfahan en Bagdad
Het persoonlijke levensverhaal van Varsenike
(Nike) Josephine Knape-Elisha (12 juni 1916) omvat
bijna de gehele laatste halve eeuw van Nederlands-Indië. Een periode
die begint met de kolonie op zijn hoogtepunt als economisch wingewest, vervolgt
met het ontwakend Indonesisch politiek bewustzijn en hardhandig eindigt
met de Japanse bezetting en de dekolonisatie, waarna de repatriëringen
volgen. Mevrouw Knape-Elisha heeft de hoogte- en dieptepunten in de koloniale
geschiedenis als tijdgenote meegemaakt en vertelt er met veel vaart over.
Daarbij slaagt ze er nauwgezet in
details af te wisselen met grote lijnen.
Haar
vader Alex Lukas Elisha was geboren in de stad Isfahan in Perzië (Iran),
maar vertrok aan het einde van negentiende eeuw naar Bagdad om er te werken
aan een oliepijpleiding, in opdracht van oliemaatschappij Aramco, die hem
in gouden munt uitbetaalde.1)
De vraag naar olie was als gevolg van verdergaande mechanisatie en industrialisatie
in het Westen enorm aan het toenemen. Alex Elisha werkte daar volgens zijn
dochter en kleinzoon samen met een paar Amerikaanse en Engelse collega's.
Zijn vader, mevrouw Knape’s opa, was Alex Ter Elisha, die een geestelijke
was van de Armeens Orthodoxe Kerk. Het was in Bagdad dat zoon Alex Lukas
Elisha zijn aanstaande bruid Blanche Essaie ontmoette. Haar vader was ook
naar de regio uitgezonden door zijn werkgever.
Varsenike
(Nike) Knape-Elisha (juli 2009)
Foto: Humphrey de la Croix
Naar Indië: Lembang
Het
jonge echtpaar besloot zijn heil te gaan zoeken in het Verre Oosten en vestigden
zich in Nederlands-Indië, in Kediri op Oost-Java. Alex Elisha ging
aan het werk in de tapiocafabriek van een oudoom, Golan Abkar. Die was getrouwd
met een Indonesische, tante Sadim, en had drie kinderen: Martha, Laura en
een zoon Jimmie. Mevrouw Knape begreep uit verhalen van haar ouders dat
haar oudoom welgesteld was en een mooi huis en een "slee van een auto",
een Daimler, had. Ooit was hij als analfabeet uit Perzië aangekomen
zonder enig bezit.
Vader Alex werkte hard en was spaarzaam. Omdat
het loon van oom Golan niet toereikend was, wilde hij graag een eigen bedrijf
hebben. Dit streven werd gehonoreerd nadat hij genoeg geld daarvoor had
gespaard. Hij vertrok hij met zijn vrouw
naar
Lembang, in de heuvels nabij Bandoeng, om daar een thee- en kinaplantage
te beginnen. Het is rond de tijd van de Eerste Wereldoorlog en de economie
van Nederlands-Indië profiteert volop van de toegenomen wereldwijde
vraag naar grondstoffen als olie, rubber, kina voor de farmaceutische industrie
en textiel vanuit de oorlogvoerende landen. In 1916 wordt Varsenike geboren
en zij zal de eerste vijf jaren van haar leven in Lembang doorbrengen.
Alex
Elisha. Foto waarschijnlijk in Irak genomen rond 1900
Bron
foto: privécollectie mevrouw V. Knape-Elisha
Het reilen en zeilen van de jonge ondernemer is zelfs bisschop Thorgom Goesjakian,
de latere patriarch van de Armeens-Orthodoxe Kerk in Jerusalem, niet ontgaan.2)
Hij was in 1917 uitgezonden om in Brits-Indië, Birma, Thailand, Maleisië
en Nederlands-Indië fondsen te werven voor de overlevenden van de genocide
in 1915 van de Armeniërs. 3)Hij
was op uitnodiging van Alex ter Elisha, die ook een schenking had gedaan,
gekomen om de jongste dochter te dopen. De bisschop heeft aantekeningen
in dagboekvorm achtergelaten, getiteld H'ndkahayk (Armeniërs
in Hindoestan) en dat door het Armenisch Patriarchaat in 1941 is uitgegeven
in de Armeense taal. Bisschop Thorgom: "In Lembang woont een Armenisch
gezin met als gezinshoofd Alex Ter Elisha, een oprecht jonge-man uit Nieuw-Djoelfa,
die tesamen met zijn vrouw en vijf dochters hier woont. Hij bezit een eigen
huis en erven en een kleine met electriciteit gedreven tapiocafabriek."
(...) Zij
kan zich van haar vader herinneren dat hij ‘s nachts wel eens met
het geweer onder de arm en begeleid door de hond de plantage inspecteerde
als hij onraad vermoedde.

De Armeense bisschop Thorgom Goesjakian op rondreis en op bezoek bij de
familie Elisha (rond 1919)
Bron foto: privécollectie mevrouw V. Knape-Elisha
Vader vroeg overleden en de persoon
van moeder Blanche belicht
De jonge mevrouw Knape heeft
haar vader al jong verloren. Alex Elisha overleed in 1921 aan een hartkwaal.
Moeder Blanche was ineens alleenstaande moeder geworden van vijf kinderen
en eigenaresse van een plantage en fabriek. Blanche Elisha was een ondernemende
persoonlijkheid die haar nieuwe situatie voortvarend invulde. Zij besloot
de plantage en fabriek van haar man niet voort te zetten en verhuisde met
haar kinderen naar Soerabaja. Daar begon ze een pension in de wijk Embong
Malang. Dat was ook de wijk waar het gelijknamige hotel stond dat rond werd
beheerd door Aratoon Marcar Jacob Boldy (zie: deel
1 van deze tweedelige serie over Armeniërs in Indië). Blanche
Elisha is uiteindelijk hertrouwd met de Nederlander Mogendorf. Deze werkte
bij de Nederlandse Handelsbank, na de oorlog geheten Nationale Handelsbank
in Batavia.4) Na vier jaar het
pension te hebben gerund, betekende dat rond 1925 verhuizing naar Batavia.
Blanche was ook in meerdere opzichten een bijzondere vrouw. Ze kweekte orchideeën
aan de achtergalerij van haar woning, had een kleine menagerie van aapjes,
honden etc. Na het einde van de bezetting en de bersiaptijd, toen de situatie
zich enigszins stabiliseerde kon men Blanche dagelijks altijd breiend aantreffend
in de voorgalerij van de woning, met uitzicht op straat. Aldaar werd ze
aangesproken door kennissen die haar om raad vroegen, handelaars en handlezers,
die zij met haar uitgebreide kennis over astrologie etcetera nog het nodige
kon bijbrengen. Van een passerende handelaar in zangvogels, kocht zij de
hele mand met vogeltjes op en in het bijzijn van de verbaasde man gaf zij
vervolgens de vogels de vrijheid. Op verzoek van mevrouw Van Mook (echtgenote
van dr. J.J. van Mook, de Luitenant-Gouverneur-Generaal) heeft zij nog de
supervisie gevoerd over de keuken in het paleis. Zij deed ook vertaalwerk,
aannemelijk in het Arabisch -Frans. Ook was zij een liefhebster van bridge.
Het Arabisch machtig kon ze de Arabische huisbaas goed de mantel uitvegen
als hij nalatig bleef in het onderhoud van de woning. Redelijk goed ingevoerd
in de koran, voerde ze regelmatig disputen met de Voorman van de Arabische
gemeenschap die haar uit erkentelijkheid een exemplaar schonk van de koran,
die zij, als herinnering, na haar dood bestemd had voor haar kleinzoon Pieter.
Deze koran kwam echter, tientallen jaren later, in het bezit van de dominee
die haar wel eens bezocht in het bejaardenhuis Nijenstede in Amersfoort.
Na het overlijden van haar vader zou Varsenike Knape een periode met veel
veranderingen tegemoet gaan, niet allemaal in gunstige zin...

Varsenike Elisah helemaal vooraan zittend, daaromheen haar zusters en 2
neven Weskin, Bandung circa 1920
Foto gemaakt door vader Alex Elisha
Bron foto: privécollectie mevrouw V. Knape-Elisha
Tussendoor naar Nederland op school
Mevrouw Knape had vier zusters, van wie Julie en Sophie ouder waren.
De twee oudste zussen zaten in Lembang op de (Rooms-)Katholieke School van
Hollandse Zusters, bij gebrek aan een Armeens-Orthodoxe school. Varsenike
ging in Batavia bij de Zuster Ursulinen naar school. Later zou ze met een
van haar zussen naar Nederland gaan om het gymnasium te volgen. Dat was
in 1931, toen ze 14-15 jaar waren. Zoals vele anderen vóór
hen, gingen ze eerst met de boot naar Marseille en toen met de nachttrein
naar Parijs, waar ze bij een oom en tante konden logeren. Parijs kende toen
al een uitgebreide Armeense gemeenschap. In Amsterdam kwamen ze bij een
Joodse familie in de kost. De twee zussen gingen naar het bekende Barlaeus
Gymnasium. In hun klas zaten slechts nog twee andere meisjes, de rest bestond
alleen uit jongens. Het verblijf in Nederland zou niet lang duren. Na ruim
twee jaar gingen ze toch naar Indië terug en gingen in Batavia naar
de HBS Sancta Ursula van het Ursulinnen Instituut. Het gebouw stond vlak
bij het Koningsplein en niet ver van de toen pas gebouwde kathedraal. Na
het voltooien van de HBS verloofde Varsenike zich en trouwde niet lang daarna
met Frans Hartgers.
Op de voorgalerij van het pension
Tanzer (gedreven door het gelijknamige echtpaar) in Djakarta, circa 1950
Zoon Pieter Knape derde van links, bij de Indonesische vrouw half op schoot,
en een aantal buurtkinderen
Bron foto: privécollectie
mevrouw
V. Knape-Elisha
Huwelijk met Frans Hartgers: de jaren
dertig
Varsenike Elisha trouwde niet lang na haar eindexamen HBS op 18-jarige
leeftijd met Frans Hartgers, een Groninger. Ze had hem ontmoet via de kennissen
met wie haar moeder en stiefvader Mogendorf gingen bridgen. Frans Hartgers
was een man met een goede betrekking; hij werkte bij handelskantoor Geo
Wehry & Co, en was daar stafmedewerker. Geo Wehry & Co was opgericht
in in Soerabaja en verhandelde onder andere textiel, maar importeerde ook
bijvoorbeeld het bekende Guiness stoutbier ("bir hitam") uit Ierland.
Samen met de Borneo Sumatra Handelsmaatschappij (later: Borsumij) en Hagemeyer
behoorde het bedrijf tot de grote handelshuizen in Nederlands-Indië.
Geo Wehry is in 1961 gefuseerd met Borsumij tot het huidige Borsumij Wehry.
Hagemeyer bestaat nog onder dezelfde naam. Het in 1912 gebouwde kantoor
en pakhuis van Geo Wehry & Co in Batavia is in 1939 door Gouverneur-Generaal
Tjarda van Starkenborgh Stachouwer heropend als museum van het oude Batavia.
Heden is het een poppenmuseum geworden.
Varsenike Hartgers-Elisha kreeg met haar man Frans twee zoons: Frans en
Herman. Frans werd later jachtvlieger bij de Koninklijke Luchtmacht. Herman
zou een loopbaan doorlopen bij de Nederlandse Spoorwegen. Het jonge echtpaar
verging het voorspoedig ondanks de algehele misère als gevolg van
de grote economische depressie die in 1929 was begonnen. Frans Hartgers
behoorde tot de gelukkigen die zijn baan kon blijven behouden. Mevrouw Knape-Elisha
maakte een opmerking over de crisisjaren die in de huidige tijd nog van
toepassing zou kunnen zijn: namelijk dat de enorme waardevermindering van
de gulden al tevoren in beeld was bij de zakenlui (waartoe ook echtgenoot
Hartgers behoorde), maar bij het merendeel van de bevolking niet. Het was
in ieder geval een realiteit dat alle pensioenen flink in waarde waren gekelderd.
Van de booming business ten tijde van de Eerste Wereldoorlog en begin jaren
twintig, was niet veel meer overeind gebleven. Indië was te eenzijdig
afhankelijk van de grondstoffenexport en die handel was totaal ingestort.
De sociaal-economische malaise was een goede voedingsbodem voor sociale
en politieke ontevredenheid. Het succes van de Nationaal-Socialistische
Beweging (NSB) van Anton Mussert, vond ook weerklank in de kolonie. Op de
website van Het
Open Archief: "De Indische afdeling van de NSB begon zich
eind 1933 te ontplooien. Na een bezoek van Mussert in 1935 steeg de aanhang
van de Indische NSB behoorlijk; op haar hoogtepunt in 1937 telde ze ongeveer
5000 leden. In tegenstelling tot de NSB in Nederland nam de Indische NSB
een gezagsgetrouwe, dus anti-Japanse houding aan. Daarnaast was van racisme
in nationaal-socialistische zin nauwelijks sprake, gezien het feit dat vele
gemengdbloedigen lid waren van de NSB. In Indië was de NSB veel meer
een ultranationalistische groep mensen, die Indië als kolonie van Nederland
wilde behouden. Toch verloor de NSB eind jaren dertig veel van haar leden
toen duidelijk werd dat zij zich toch steeds meer op raszuiverheid richtte.
In mei 1940 was het aantal leden van de NSB teruggelopen tot 1100."
5)
Over de Armeense
gemeenschap in de vooroorlogse periode
Mevrouw Knape heeft ook gewoonweg
mooie herinneringen aan haar gelukkige tijd als jonge echtgenote en moeder
van twee zoons. Zo kende het leven ook genoeg feest en plezier. Ze herinnert
zich de feestelijke avonden in Hotel Des Indes in Batavia; als het meezat
trad er een Hongaars orkest op met goede dansmuziek. Natuurlijk luisterde
ze veel naar de radio waarop vooral de buitenlandse zenders populair waren.
Het sociale leven van de Europeanen speelde zich ook af in de sociëteiten;
soms was dat een groot gebouw zoals dat van Concordia aan in Batavia, vaak
ook in een groot huis van een particulier. De Europese bevolking kwam er
voor de gezelligheid en deed aan wat nu netwerken heet. Ook herinnerde zij
zich de Jachtclub waar vooral de gegoede, dat wil zeggen de materieel en
zakelijk vooraanstaanden, lid van waren. Tegenwoordig zouden wij zeggen,
de “captains of industry”, waartoe prominente personen als bijvoorbeeld
de zakenlieden George Wehry en Brandenburg van Oldsende behoorden en voor
wie men, uit respect, in de Jachtclub opstond, wanneer zij met hun echtgenoten
binnenkwamen. Men werd slechts selectief toegelaten in die kringen. Ook
tussen de werknemers van Nederlands bedrijven bestond de gedragscode dat
men niet hoorde om te gaan met werknemers (employees noemde men
dat toen) van firma’s van minder aanzien.
De Armeense gemeenschap was goed geïntegreerd en sprak ondanks haar
geringe omvang een flink woordje mee. Bijna meer nog dan de feesten en ontmoetingen
in de sociëteit, was de kerk hét ontmoetingspunt bij uitstek
voor de Armeniërs. Tijdens de missen was de kerk altijd geheel vol.
Het succesvol integreren binnen de Europese gemeenschap wil echter niet
zeggen dat de Armeniërs alleen succes kenden. Er waren ook mensen die
zich met minder tevreden moesten stellen, maar de onderlinge solidariteit
binnen de gehele Armeense gemeenschap was groot. Niettemin heerste er soms
een subtiel klasseonderscheid bij de gegoede en vaak op buitenlandse, vooral
Engelse scholen opgeleide Armeniers die niet al te nadrukkelijk omgingen
met de maatschappelijk minder geslaagde en geschoolde landgenoten, die bedrijfjes
hadden als bijvoorbeeld dokarverhuurder (transportkarren). Zo ontstonden
er fondsen om minderbedeelden te ondersteunen, vooral kinderen moesten de
kans krijgen naar school te gaan en gezond te blijven.
Groepsfoto Armeniërs in Batavia (rond 1954). Mevrouw
Knape-Elisha's hoofd zichtbaar rechtsboven naast luik.
Zoon Pieter Knape rechtsvooraan staand in korte broek met
donker shirt
Bron foto: privécollectie
mevrouw
V. Knape-Elisha
Hoewel de Armeniërs niet eenkennig waren en er veel relaties
ontstonden met Indo's, was er toch wel sprake van een eigen identiteit door
de eigen taal, geschiedenis en het geloof. In geval van mevrouw Knape kan
worden gesproken van een vergaande integratie, zéker na het huwelijk
met Frans Hartgers. Misschien is het wel beter te spreken van een soort
kosmopolitische inslag die zoveel Armeniërs kenmerkte. Mevrouw Knape’s
ouders waren deels afkomstig uit Perzië en Irak, en moeder Blanche
had eerder ook in Syrië gewoond. In Irak ontmoette moeder Blanche haar
latere echtgenoot, Alex Elisha. Volgens overlevering zou Blanche haar toekomstige
echtgenoot hebben ontmoet via haar Franse vader, die ook actief was bij
de oliewinning.
Dochter Varsenike had zelf ook al twee jaar gewoond in Amsterdam. In ieder
geval ontbrak het de Armeniërs in Indië niet aan een bredere blik
dan de eigen directe omgeving. Echtgenoot Frans Hartgers was vanwege zijn
werk ook niet beperkt tot het kantoor in Batavia. Hij reisde regelmatig
naar Japan voor zaken en leerde zelfs Japans spreken. Later, in het begin
van de Japanse bezetting, zullen we nog zien dat dat ineens actueel zou
worden. Het jonge gezin zou niet in Batavia blijven wonen maar verhuisde
eerst nog naar Linggadjati en halverwege de jaren dertig naar Semarang.
Ga voor het vervolg naar:
Armeniërs
in Indië (3): het verhaal van Varsenike Knape-Elisha. Deel 2
Ga naar Armeniërs
in Indië (1): een kleine en succesvolle bevolkingsgroep
Literatuur
Diverse auteurs: Armeniërs
in Nederland. Een verkennend onderzoek
Amsterdam 2009.
ISBN 978-90-9023870-8