Bijdragen
over cultuur |
Gastcolumn:
door Humphrey Ottenhof
Humphrey
Ottenhof is zoals hij op zijn website omschrijft cultureel ondernemer:
dichter, docent, doctor en doener. Hij is sterk geworteld in het Gelderland
van toen en nu, maar daarbij ook echt Indo gebleven. Ottenhof heeft interviews
gedaan voor het boek Gelders blauw. Indisch leven in de provincie (2007),
maar publiceerde zelf Braa, boerenindoverhaal, dat geïnspireerd
is op zijn Indo-achtergrond. Ook is hij uitgever van Gelderse kookboeken
zoals Gelders Glorie, 100 oude en nieuwe streekproducten uit Gelderland.
Voor meer informatie is zijn website een uitstekende bron: www.humphreyottenhof.nl
Christie's
Dag
“Jazeker wel,”
zei de fat van Christies, “die wil ik voor u wel naar de veiling brengen.”
Hij sloeg de blonde lok van zijn voorhoofd naar achteren met een beweging
van het hele hoofd alsof hij Jan Pieter Glerum himself was. “Maar
dan moet ik wel iets beter kunnen zien, wie deze prent wanneer vervaardigd
heeft. Meestal vind je dat wel ergens achterop.” Hij draaide het ingelijste
gevaarte om. De bejaarde man naast ons gooide zijn stoel achteruit, trok
zijn zakmes en vloog naar het podium.
Op Bronbeek kun je lachen.
Er is altijd wel iets leuks te doen of raars te beleven. Ik heb er de Blue
Diamonds zien optreden en het dak ging eraf met al die oudjes, bij de jongeren
trouwens ook. Ik heb er wel eens naast de directeur van mijn vrouw zitten
eten en haar zeker een minuut of vijf op een stuk citroengras zien kauwen.
Toen ze het eindelijk met een rood hoofd op de zijkant van haar bord legde,
zei ik: “Maar Truus, wat doe je nou, dat is sereh, da’s alleen
voor de smaak, dat kun je niet eten hoor.”
Op Bronbeek heb je kumpulans, gezellige ontmoetingen, wetenschappelijke
congressen, themadagen en pasars, marktjes met van alles wat. Indische mensen
zijn er gek op want die houden van allerlei chinoiserietjes, bibelotjes,
bijouterieën, kitsch en caoutchouc, je kunt het hele woordenboek van
vijftig jaar geleden gebruiken voor de spulletjes in hun huis. Ringen en
stenen worden gekoesterd als magische en bezielde voorwerpen. Indo’s
zie je veel rondlopen met dikke gouden ringen vol grote, opzichtige stenen.
Ik heb mijn vader wel eens meegenomen als ik ergens moest voordragen uit
eigen werk. Kwam er een oude man naast hem zitten met een zwarte fluwelen
doek vol schitterende en glimmende koopwaar en volhardend geduld. Daar heeft
pa lang niet lang last van gehad. Hij zei: “Eenmalig bod: honderd
pop voor de hele santenkraam en dan je hielen lichten, jij.” De man
droop foeterend af.
Mijn vader gelooft wel degelijk
in geesten en toverij maar dan alleen in Indië. In Holland werkt het
niet, vindt hij. Daar denkt mijn oom weer anders over. Die is eens binnen
Haarlem verhuisd omdat zijn hond in één bepaalde hoek van
het huis maar bleef grommen. “Wij wonen hier al met zo velen,”
zei mijn oom, “zo’n geest erbij is mij teveel zeg.”
Pa heeft ook wel eens verteld over een heilige waringinboom. De Javanen
geloofden heilig, dat wie de eerste bijl in de boom zou zetten, gek zou
worden. Daarna was het kwaad afgewend en kon je hem rustig tot brandhout
zagen. Een pastoor wilde het verhaal logenstraffen, trok zijn kaplaarzen
aan en liet zich een flinke bijl aanreiken. Onder luid gejuich van de omstanders
hakte hij een kloeke wig in de stam en liet zich vervolgens onthalen op
een mooie sigaar en twee jenevers. Die nacht werd hij ziek: hij zag beelden
en hoorde stemmen die pas ophielden als hij wakker werd. En na twee weken
had hij zijn verschijningen permanent. Na overleg met de bisschop kwam het
besluit dat hij terug zou keren naar Nederland. Hij zette één
voet op de loopplank van de boot naar Nederland en zijn kwelduivels hielden
zich stil. Opgelucht zette hij weer voet aan vaste wal maar meteen begon
de hele kermis in zijn kop weer. “Zou je niet denken van zo’n
Hollandse zwartrok hè,” zei pa, “dat-ie zich laat foppen
door een paar Javaanse demonen.”
Bij veel Indische Nederlanders
– niks Indo, een lel kun je krijgen jij! – zie je dezelfde stereotype
landschapjes aan de muur. Een vulkaan, sawahs, een ploegende boer met buffel,
eenvoudige huisjes. Vergelijk het met windmolens in Hollands polderland
met koeien en riet. Vergelijken, dat kan mijn vader goed. Over de stewardesses
in het vliegtuig van Singapore Airlines: “Wat een fijne poppetjes
hè?”. Op de terugweg met KLM: “Wat een bonken!”
Ook wij hadden thuis zo’n sawahlandschap hangen. Onder het Hollandse
licht werd het grauwer en grauwer.
We besloten naar een keuringsavond te gaan van Indonesische kunst in Bronbeek.
Gespecialiseerde keurmeesters en taxateurs van het befaamde veilinghuis
Christies zouden er aangeboden schilderijen en andere kunstvoorwerpen toelichten.
Het waren vlerken. In hun krijtstreeppakken deden ze neerbuigend tegen het
publiek, dat in groten getale met vuilniszakken, paardendekens en tassen
van de Aldi vol Indische kunst op was komen draven. “Hierdoor heeft
u zich van uw laatste roepia’s laten beroven door de Indonesiërs,”
grapte de een, die zijn kennis onomstotelijk uit de geschiedenisboekjes
moest hebben verworven, schandalig jong als hij was. De oude mevrouw met
het blauwe permanent had een aquarel in haar beverige handen, not very amused.
Hij haastte zich te zeggen: “Voor u heeft het emotionele waarde, natuurlijk,
maar eh …” Zij luisterde al niet meer, schuifelde terug naar
haar stoel. De man naast ons had een grote, gekleurde prent achter glas
in een vergulde lijst aangeleverd. Daar was de andere krijtstreep meteen
verkikkerd op. “Eind achttiende eeuw,” dacht hij. “Toen
had je een soort mix tussen een aardrijkskundige kaart en een artistiek
landschap met mensfiguren erop. Prenten, gedrukt dus, maar wel met de hand
ingekleurd. Vrij zeldzaam en er is vraag naar. Waar hebt u die vandaan,
van de zolder zegt u?”
“Die wil ik best voor u naar de veiling brengen. Maar dan moet ik
wel iets beter kunnen zien, wie deze prent wanneer vervaardigd heeft. Meestal
vind je dat wel ergens achterop.” Onze buurman was met zijn mes gearriveerd.
Hij stak het ongegeneerd tussen lijst en achterwand en trok het karton met
woeste halen los. “Inderdaad,” zei de streep, “zeldzaam.”
De buurman schreeuwde van het podium: “Meis, we zijn rijk!”
Mijn vader rolde van zijn stoel van het lachen. “Die gek steekt zo
zijn pennenmes in een duur schilderij, help te geloven,” hikte hij.
Ja, Bronbeek is altijd leuk.