Het Indo-Europees Verbond (IEV)

Belangengroep van Indo's
Het IEV werd in 1919 opgericht als een politieke belangenorganisatie van Indo-europeanen. Aanleiding was dat deze bevolkingsgroep zich bedreigd voelde door de opkomst van het Indonesisch nationalisme en een toenemend aantal Indonesiërs dat door hun betere opleidingskansen concurrerend werd in de functie van de indo’s als ambtenaren. Naast Indo’s konden ook totoks duie in Indië waren geboren, lid worden. Het IEV streefde vooral naar behoud van de middenpositie in de Indische samenleving.

Vanaf 1920 de grootste politieke beweging
Onder leiding van zijn leider Dick de Hoog werd het IEV al begin twintiger jaren van de 20e eeuw de grootste politieke beweging. Doelen van het IEV waren onder andere grotere zelfstandigheid voor de kolonie en een sleutelrol voor de Europeanen inclusief de indo’s, behoud van de band met Nederland en het koningshuis en het voorkomen van verdringing van de indo’s door Europees ontwikkelde Indonesiërs. Ook sociaal-economische verbetering van de indo-groep was een belangrijk onderwerp. Later ging het IEV experimenteren met beheer en bewerking van landbouwgrond voor indo’s in de hoop er goed van te kunnen leven. Deze experimenten mislukten omdat de indo’s eigenlijk niet gemotiveerd waren voor dit soort werk en ook de nodige vaardigheden misten. Succesvoller waren de onderwijsprojecten zoals de IEV-MULO en de IEV-kweekscholen. Rond 1930 had de beweging meer dan 13.000 leden. In gemeenteraden had het IEV een sterke stem.

Crisis jaren '30: de beweging blijft groot
De achterban had echter vanaf de jaren twintig te kampen met economische tegenwind na de spectaculaire groei vlak na de Eerste Wereldoorlog. De werkgelegenheid stagneerde in de jaren twintig en vervolgens kwam de grote crisis van de jaren dertig. Maar de leden bleven het IEV trouw, niet in het minst omdat ze het gevoel hadden dat de regering niet veel voor hen wilde doen. De charismatische leider Dick de Hoog gaf de indo moed en het idee tot een bevolkingsgroep van betekenis te horen. Toch mislukte De Hoog’s streven om de kleine indo te emanciperen tot volwaardige, ontwikkelde en welvarende Europeanen. Oorzaak is dat het IEV principiële keuzen vermeed, zoals een handreiking naar de inheemse emancipatiebewegingen om samen te werken aan een welvarende kolonie en een gezamenlijk bestuur ervan.

Na de oorlog: politieke desoriëntatie
Na de Tweede Wereldoorlog bleek de benarde situatie die daardoor was ontstaan: de Indonesiërs stelden de indo’s gelijk aan de Nederlanders van wie ze zich moesten bevrijden. De indo was nu geheel aangewezen op Nederland en dat heeft aanvankelijk geleid tot onduidelijkheid over hun positie in Indonesië. Een late poging zich geheel met de Indonesiërs solidair te verklaren werd als zeer ongeloofwaardig gezien. In de jaren vijftig was het IEV vooral bezig met het ondersteunen van de indo’s die zich in een steeds vijandiger Indonesisch klimaat zagen zitten. Slechts schoorvoetend bleek Nederland in de jaren vijftig bereid de indo’s te laten repatriëren toen bleek hoe onwelkom ze in Indonesië waren. Als een van de laatste grote doelen streefde het IEV naar een Indisch thuisland op het nog Nederlandse Nieuw-Guinea. Een project dat evenals eerdere kolonisatiepogingen op o.a. Sumatra, niet succesvol eindigde. De Indische diaspora naar Nederland betekende het einde van het naar eenheid onder de indo’s strevenden IEV.

Bron: Hans Meijer, In Indië geworteld. De 20ste eeuw, Amsterdam 2004. Uitgave Bert Bakker. ISBN 9035126173.
Hans Meijer, in Biografisch Woordenboek van Nederland. Webreferentie: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn6/hoog